Brief Pleun Kleijn

Posted by admin | | zaterdag 25 oktober 2008 9:17 am

Pleun Kleijn, Rotterdam 1933

 

Open brief aan het Nederlandse volk :  klik hier

 

 

AAN MIJN VRIENDEN,

 

 

            Daar ik de laatste tijd van mijn leven vaak denkende ben over de gangen des levens,   waaraan de gehele wereld onderworpen is, in deze tijdsomstandigheden, die wij onder Gods regering en besturing beleven, kreeg ik zoo te bedenken, dat Gods Woord ten allen tijde vervuld zal worden.  Waarin alles van het begin der schepping af beschreven is; en  nadat wij moed- en vrijwillig van Hem afgevallen zijn en de zonde met al haar rampzalige gevolgen wettelijk de onze geworden zijn en met al de boosheid en haat tegen en afkeer van onzen Schepper, wij niet één antwoord zullen vinden, als wij voor de deugden Gods geplaatst zullen worden, daar Hij ons goed en recht geformeerd heeft. Daarin heeft Hij ons geopenbaard, zoo in Wet als in Evangelie, Zijn heiligen wil, opdat wij Hem leerden zoeken en vinden en gehoorzamen; en dat geldt voor de gehele wereld. En leert ons Gods Woord nu niet, dat in al de wentelende eeuwen, die achter ons liggen, de Heere een tijd had, dat Hij de zonden verdroeg, tot ze zó hemeltergend werden, dat Hij ze zwaar kwam te bezoeken, en wel in diè wegen, waarin zij bedreven zijn?

 

Nu denk ik terug aan mijn kinderjaren, toen Gods Woord als het richtsnoer van het leven, ook reeds in ons land en onze regering, werd verworpen, welks onderhouding alleen maar rechte welvaart kan geven voor de tijd en de eeuwigheid.  Toen heeft die Wandelaar (2Sam.12:4; die wandelaar wordt hier genomen als type van de rede) namelijk de wijsheid van het verdorven verstand en vernuft des mensen, zoo een grote kracht gekregen, om daarmede te regeren. En de wijsheid van God in Zijn Woord en getuigenis, is uit de regeringen, uit de gerichtsplaatsen, uit de stedelijke- en gemeenteraden, uit de scholen, ja uit alles, waarin een regering haar macht uitoefent, uitgebannen. Keren wij ons nu  tot de Wet der Tien Geboden, die de Heere alle volken en overheden in de hand gegeven heeft, om haar onderdanen overeenkomstig die geopenbaarde wil in de Wet te regeren, om het gevallen menselijk geslacht in zijn zondige praktijken te straffen en te tuchtigen,  en om naar die mate de algemene rust in de samenleving te handhaven, dan zien we, dat de zonden van nalatigheid de wereld en ons eigen land tot alle losbandigheid hebben geleid. Ik denk heden aan mijn schooljaren, toen onze schoolmeester ons vertelde, dat Hij en nog enige anderen,  tegenwoordig geweest was bij de toepassing van het wrekende gedeelte van de Wet op drie mensen, welke opgehangen werden; waarbij duizenden mensen tegenwoordig waren en zulk een schrik afwierp op de consciëntie van de mensen, dat wij als kinderen, die het hoorden vertellen, met vrees vervuld werden en het beslag op ons legde. En wat heeft nu die wandelaar of het vernuft van het verdorven verstand gebaard, waarvan de hele wereld nog getuigt?

 

Zij hadden in hun dwaasheid gemeend een Vredesbeeld (Vrijheidsbeeld) uit hun vernuft te scheppen en alle geschillen en stoornissen uit dit leven weg te ruimen. De gevangenissen weg, de krankzinnigengestichten weg, de geschillen tussen rijken en armen weg, kortom, alle fouten moesten weg tussen mensen en mensen; en dat, omdat ze wijzer waren dan Gods Woord en uit boosheid en vijandschap en grote blindheid Gods geopenbaarde wil in de Wet veracht, bespot en verworpen hadden.  En als de tucht verworpen wordt, is er geen andere weg, of de zonden met zijn gruwelijke gevolgen krijgen de overhand.  Getuigen daarvan onze dagen niet duidelijk?  Men hoort van doodslag op doodslag; het is, of het menselijke leven waardeloos is.  Omdat de tucht weg is, is het beslag op de consciëntie verhard.

 

            Ziet men op de hemeltergende zonde van de verwaarlozing van Gods dag over de gehele wereld, ja, in landen, waar Gods Woord zoo vruchtbaar is geweest: de vorst der duisternis zal wel maken, dat de wereld en ook ons land toevoer genoeg zal hebben voor nieuwe wellusten onder de toelating Gods.  Zoo zien wij, dat er ’s zondags miljoenen in de wereld op de been zijn, en opgaan in den wellust van voetballen, waaraan rijk en arm meedoet, hetwelk den naam van kinderspel toekomt. En de cafés treuren, omdat het Opperwezen de portemonnee onder de censuur heeft gelegd en nu brommen ze als een beer en beiden, caféhouder en werkeloze, lasteren God vanwege de plaag.

 

En dan de hemeltergende zonde van de Godslasteringen van de Eerste- en Tweede Persoon Gods.  Duizenden in onze stad en in ons land, die deze namen nooit anders op hun lippen hebben dan om te lasteren en onder een verharde gewoonte uitbraken. Komt men onder de verschillende werkzaamheden van bedrijf of ambacht: het is of men geen goed werkman kan zijn als men niet gruwelijk vloekt en spot met al wat God en goddelijk is.  Komt men in de schaftlokalen: bidden en danken voor ons eten is een spot geworden.  De mens is nog minder dan een hond; die kwispelstaart nog als hij eten krijgt van zijn meester. Van het spelende kind op de straat of in het zand hoort men in onbewustheid de zwaarste Godslasteringen en dat meestentijds in navolging van de ouders, die daarin voorgaan.  Ik heb het ontmoet op mijn werk, terwijl ik mijn brood opat, in de keuken bij burgermensen, dat de kinderen bewezen, dat ze nimmer een gebedje geleerd hadden.  Zij vroegen, of ik geslapen had, terwijl ik bad, omdat ik mijn ogen gesloten had. Dat is nu de wijsheid, die de wijsheid in God bespot en miskent, en die nog tweeërlei beleefd wordt; de een, omdat hij wijs en geleerd is en de ander onder profane goddeloosheid, vijandschap en boosheid tegen Gods Woord, Wet en getuigenis. En waar zouden we blijven met de overtreding van Gods geboden in zijn geheel?  De verharding en ongehoorzaamheid van de kinderen, die door hun ouders nog in de vreze Gods Worden opgekweekt, onder den geest van onzen tijd, is groot.  Moet men niet zeggen met den ouden Smytegelt: de meeste worden onder de Waarheid verhard en zijn als de smidshond; zij verschrikken van geen een vonk vuur meer.

 

En dan die verborgen hemeltergende zonde van het twee kinderstelsel.  Wat Gods Woord voor een zegen en eer rekent, houden velen voor een schande.  Hoe wordt het gewone en natuurlijke voorttelen van het menselijke geslacht belemmerd door de goddelooste en Godonterendste middelen! Het tegengaan of voorkomen is geen zonde meer!  Bewijst de Voorzienigheid Gods niet, dat miljoenen mensen meer niet kunnen opeten, wat Hij heeft laten groeien?  Ons jongste geslacht, dat ten huwelijk gaat, heeft grotendeels, zowel rijken als armen, liever een speurhond aan de hand of een fiets, om haar wellusten bot te vieren, dan een kind op den schoot.  De schaamteloze en zedeloze kleding van de vrouwen (met hun mannenhoofden), waarmede ons land vervuld is, is geen zonde meer.

 

            Ik denk ook heden aan de wijsheid der wereld om alle oorlogen te voorkomen.  Denk aan het Vredespaleis in Den Haag. Korte tijd nadat het was ingewijd, heeft het Opperwezen Zijn zwaard uit de schede gehaald en alle vuurwapens gebruikt om de inwoners der aarde gerechtigheid te leren. (Eerste Wereldoorlog). Wat een mensenlevens heeft dit niet gekost, welke onder de vreselijkste ellende en pijn gestorven zijn en onder de aarde bedolven, waarvan het getal ons wellicht nooit zal bekend worden.  Een oorlog, zoals de geschiedenis nog nooit geboekt heeft, welke de gehele aarde in beroering heeft gezet, en de band van welvaart en nijverheid heeft verbroken. Waarin openbaar is geworden, dat de Voorzienigheid het zoo beschikt heeft, dat alle mensen van en  door elkaar moeten leven in alle takken en bronnen van bestaan en nijverheid, waarin ieder mens een plaats inneemt voor zijn dagelijks levensonderhoud. En was dit in al die oorlogsjaren niet gebroken?

 

Wat hebben die landen, die in werkelijke oorlog waren, hun kinderen niet moeten missen, en jonge vrouwen hunne mannen onder het smartelijkste aandenken, waarin zij ze hebben moeten verliezen! En dan de grote ellende, die daarmee gepaard ging: voor het tijdelijk bestaan in groot gebrek en armoede. En de landen, die niet onder vuur en zwaard getuchtigd werden, wat hebben die niet mede moeten lijden? Ons levensonderhoud: eten, drinken en kleding, was onder cijns gelegd door de regering. Het brood, dat men moest eten, zou men in gewone tijden nog niet aan de dieren gegeven hebben, en dat nog met een groot tekort; zodat vader en moeder soms het nodige misten voor hun kinderen en zichzelf.  En al was er geld om te kopen, er was geen eten. Die een levendige consciëntie van den Heere hadden gekregen, hebben heel anders moeten bidden en praten dan in de gewone weg; maar de Heere heeft nog wel eens wonderen gedaan door hen te helpen en te ondersteunen in hun lot en leven. Wat werd in die tijd het leven des geloofs niet beproefd!  Als men ’s morgens naar zijn werk ging, zijn vrouw en kinderen moest verlaten met een weinigje of geen eten, wat moesten zij dan hun werk doen met zuchten en bidden, de Heere dagelijks aanlopende in hun noden; en wat kreeg de Vrijmacht en de Almacht Gods dan een grote plaats in hun hart en dagelijks leven! Waar zijn wij daarmede gebleven?  “Ik heb ze geslagen, maar zij hebben geen pijn gevoeld,” zegt de Heere.

 

En nadat het Opperwezen het zwaard weer in zijn schede heeft gestoken en de welvaart en nijverheid weer heeft doen herleven in de jaren van voorspoed, zoals de wereld dit noemt, waar zijn wij daarmede terecht gekomen?  Wat zijn de geldbeurzen in enkele jaren na den oorlog niet vol geworden, uit alle bronnen van bestaan!  ’t Geld had geen waarde. De landbouwer kreeg zoveel, dat de notaris het niet meer aanvaarden kon, omdat hij er geen weg mee wist om het te plaatsen. Vandaar zijn zelfs Boerenleenbanken gesticht.  Wat heeft de handel en scheepvaart weer een hoge plaats ingenomen en ontzettend veel geld verdiend! Evenzo de bouwondernemers, stedelijk en landelijk.  Men ziet de villa’s in de plattelandse gemeenten aan elkander gebouwd en de grootste herenhuizen en villa’s van het stedelijk welvaren in de gezondste streken van ons land met grote getallen vermeerderd.  De werkman is zoo weelderig geworden, dat hij vèr boven zijn stand en kracht is verheven in al zijn levensgangen.

 

            Ik ben er getuige van geweest, dat, toen men in de bouwvakken het hoogtepunt bereikt had, zodat men in de lente begon met een weekloon van 65,00 gulden de patroons voor zover mij bekend is, met die 45 miljoen gulden, die de regering uitgetrokken had voor de woningnood, uit eigen beweging en met haast de lonen opgedreven hebben tot 80,00 gld, 90,00 gld, en 100,00 gld per week in aangenomen werk.  Toen waren er bij ons werklieden, die de stad Rotterdam niet goddeloos genoeg vonden en van zaterdagavond tot maandagmorgen naar Amsterdam gingen, om des Zondags op de goddelooste wijze hun groot weekgeld op te maken; zodat ze ’s Maandagsmorgens met een ledige portemonnee op het werk kwamen, en dan de zelfden dag reeds de tabak stolen uit den zak van hun kameraden. De cafés en gebouwen voor werelds vermaak zag men met de grootste snelheid verrijzen. Alle zonde van hoogmoed zag men met de meeste haast opkomen ook in hen die met de grootste zonden niet meegingen.  Als men eens in de gewone werkmanswoning binnenkwam, dan vond men daar. meubelen en sieraden als bij de groten der aarde.  Kwam men den werkman tegen buiten werktijd, dan zag men hem als een heer gekleed en met een wandelstok in de hand.  Verschillenden van rijk en arm gingen op in de grootsheid des levens;  en de ene zonde baarde de andere in de Godvergetenheid en zondige wellusten van het leven, en dat over de gehele wereld, waarvan ook de publicaties van het buitenland getuigden.

 

            Is nu het Opperwezen niet kennelijk op aarde om billijk en rechtvaardig Zijn Wet van wedervergelding te brengen?  Is het geen raadsel, dat de productie der aarde, waarvan zelfs de koning wordt gediend, zóó groot is, dat de inwoners van de wereld het niet kunnen opeten, en er toch grote armoede geleden wordt?  Wij krijgen brieven van onze familie uit Zuid-Afrika en Amerika, welke berichten dat de opbrengsten van het land zoo bijzonder groot zijn, maar geen prijs opbrengen;  zodat de landbouwers zoo arm zijn, dat zij de pacht niet kunnen betalen, ja, dat zelfs kleine en grote landheren het moeten opgeven.  Hooggeplaatste personen, als dokters en meer anderen, moeten onderhouden worden, door het Rode Kruis of door liefdadigheid. Ook in ons land. Welgestelde ouders, die voor enige jaren hun villa’s hebben laten bouwen uit hun welvaren, dat zij in enkele jaren hebben verkregen, worden door hun kinderen, die in ’t zelfde bedrijf werkzaam zijn, machteloos arm gemaakt.  De tuinders, die rondom onze steden hun bedrijf hebben, om de steden en het buitenland te voorzien en te onderhouden, treuren en kwijnen met hun broeikassen, waarmede zij zoo vele jaren gestreden hebben tegen Gods wetten der natuur. Want God heeft elk gedeelte van de aarde zó geschapen, dat het zijn eigen producten zou voortbrengen, wat Hij met geen kunst of dwaas vernuft van den mens wil zien nagemaakt. En omdat men ook in deze de rechte smaak verloren heeft, n.l. dat God Zijn natuurwetten geschonken heeft, om iedere landstreek van de aarde zijn eigen zaad en voortbrengselen te schenken naar die natuurwetten waarin Hij het geschapen heeft; maar ook dit is geen zonde meer. Wil Hij dit nagebootst hebben?

 

            Ziet men op den kleinhandel en groothandel, hoe vele miljoenen zijn er  in weinige jaren ingekomen!  Wat al fabrieken zijn er gesticht!  Wat een grote magazijnen en winkels zijn er verrezen, bijzonder manufacturen- en kleding magazijnen en winkels.  En was het nu maar tot verkoop van goederen om onze zondige en goddeloze schaamte te bedekken; maar neen, het is, ieder in zijn stand, om den hoogmoed en de weelde van Parijs in te drinken als water; alles, om ons nog verder af te voeren van Gods Woord, weg en instellingen. En wat een groot aantal winkels worden thans wekelijks niet in onze steden gesloten. Blijkt uit dit alles niet, dat God met ons in tegenheden wandelt en op ons de wet der wedervergelding toepast?  En onder dit alles ziet de mens niet om naar Dien, Die hem slaat, maar lastert God vanwege de plagen.

 

            Ziet men op de scheepvaart, met hoe vele grote zeeschepen zijn de zeeën, die de landen scheiden, vermeerderd, evenzo de rivierschepen, en dat alles om rijk te worden en het in de wellusten van het vlees uit te leven.  Als men een schip had kunnen bouwen om de hele wereld in te slokken en te bergen, men zou het niet nagelaten hebben, en dat ten koste van zijn naasten, omdat elke zondige begeerte en wellust een strekking heeft om de hele wereld te bezitten. En dan zou het zeker nog niet goed zijn, dewijl eigenliefde en zelfvoldoening, dat monster der zonde, alle mensen gevangen heeft en houdt, en alleen uitgaat naar geld, eer en aanzien, om dat te verkrijgen; en dat van de werkman af tot den hoog geplaatste persoon in deze wereld toe.  Zonder de genade van de bekering of wedergeboorte heeft dit de heerschappij in en over den mens.

 

            En ziet men nu naar de zeehavens in de gehele wereld, en bijzonder in ons land, dat mede een grote bron van bestaan is voor ons land: voor miljoenen guldens liggen er werkeloos en waardeloos.  Hoe veel schippers, die eigenaar zijn geheel of ten dele, hebben hun schip slechts tot woonhuis en moeten, verarmd als zij zijn, door de gemeente- of staatssteun onderhouden worden. En hoe staan de crediteuren niet machteloos om hun krediet en daaruit hun rente te verkrijgen!  Als zij ze verkopen, dan brengt het hun het gestorte kapitaal op de schepen niet op, omdat ze waardeloos en onbruikbaar geworden zijn.  Zou Salomo’s spreuk ook in deze niet gelden: De roede is voor den rug der zotten; omdat men Hem, die alleen te vrezen is, niet erkend heeft, maar onze eigen wellusten hebben gevolgd en gezocht.”

 

            En ziet men op de grote en kleine bonden en verenigingen: hoe staan ze alle te waggelen als een dronken man!  Neemt b.v. de Wereldvredebond, die dagelijks en wekelijks vergadert, om dat Vredebeeld dat men wil formeren uit de wellusten van het vernuft en bedorven verstand, om n.l. alle geschillen tussen volken en volken weg te nemen.  En dit alles in de miskenning van God.  Men leest in niet één verslag, dat de Vrijmacht of Almacht Gods geraadpleegd wordt, terwijl Gods Woord ons leert, dat er zonder kennis Gods een kennis der zonde is.  En waar dit nu gemist wordt, kan er ook geen vreze Gods zijn, omdat dit een vrucht daarvan is.  Zonder dit kan er nooit een rechte reformatie zijn of bestaan. Ik denk hierbij aan Van der Groe, dien in zijn leven zoveel is te zien gegeven, zowel waarin hij leefde als het toekomende, dat plaats zou grijpen, welke ons erbij bepaalt, waar de wijsheid en de miskenning van God terecht zou komen. Leest die predicatie over Openb. 3 vers 10: “Omdat gij het woord Mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zoo zal Ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen.” Nadat hij zijn hoorders bestraft en bemoedigd heeft in de bewaring van degenen, die het woord Zijner lijdzaamheid bewaard hebben, herhaalt hij tot tweemaal toe in zijn toepassing, dat die zoo wonderbaarlijk zou zijn, dat alle verstand of wijsheid hierbij zal verstommen.  Het is de moeite waard dit te onderzoeken, dewijl ik denk, dat wij er midden in zijn en verkeren.

 

            En nu de verharding, die men onder dit alles ziet en hoort.  Waar men gaat of staat, in boot, spoor of tram, overal hoort men niet anders dan gesprekken over de ellende van den tijd; een brommen als de beren.  Maar er is geen opzien tot Hem, Die ons om onze eigen zonden komt te slaan en te kastijden. Het is een wonder, als men onder die grote menigte er eens een ontmoet met een week hart en inkerend licht, om zijn eigen zonden te kennen en te belijden.  Die toch zijn alleen de gelukkigsten, want dat geeft onderwerping in de slagen en de kastijdingen. Ik geloof, dat, als wij onze eigen zonden mogen gaan zien, opmerken en mogen gaan “mijnen” als wettelijk de onzen, dat wij dan Gode recht en gerechtigheid zullen toekennen, en Hem vrij gaan verklaren, en een slaand God lief krijgen; en dat dit alleen ons een zwijgende mond en een zwijgend hart kan schenken te midden van al de oordelen, waarmede de Heere de inwoners van de wereld komt te straffen.  Maar omdat wij niet anders zien dan een algemene verharding en verbittering, vrees ik een grote vreze, dat de aarde hare inwoners zal gaan uitspuwen. O, Nederland is bezig zijn wetten te veranderen in dezen nood, om het hoofd boven water te houden, om niet te schande te worden en te verdrinken onder Gods ongenoegen, bijzonder in zijn invoer- en uitvoerrechten. leder land heeft een groot aantal werkelozen, waarvan de meesten brullen als een leeuw.

 

            En ziet men op de Trusten en grote kapitaalvormingen en vennootschappen, die in onze leeftijd in het leven zijn geroepen: al heeft dit nog zo’n mooie schijn om oneerlijke concurrentie te voorkomen, in den wortel der zaak is het niets anders dan machtsmisbruik, om al wat kleiner is dan groot te overweldigen -én teniet te doen. Ik heb het in mijn leven gadegeslagen, dat het machtsmisbruik zich zover had uitgestrekt, dat om enige vissersmensen, die tijdens het stil liggen in de visserij hun brood verdienden met matjes te breien als handwerk voor hun bestaan, er machines gebruikt zijn, met medeweten van de fabrikanten, om hen geheel ten onder te brengen. Maar het Opperwezen heeft dit zwaar bezocht. De Heere heeft de grote fabrikanten met grote achteruitgang geslagen.  Dergelijke gevallen zijn meer te noemen. Dat is de vrucht van alle machtsmisbruik van grote kapitaalvorming. Zouden wij niet veilig mogen besluiten, dat alle bonden en verenigingen, waarvan de vreze Gods de leiding niet heeft, niets anders kan uitwerken dan persoonlijke en algemene ondergang, gewogen in de weegschalen van het Heiligdom?  Dit heeft de uitkomst over de gehele wereld geleerd op alle terreinen van het leven, vanaf de groten der aarde in hun levensbeschouwing tot in de groepen van de kleinste werkkringen, waar de persoonlijke vrijheid uitgesloten wordt.  En al deze bonden zien niet, dat ze juist zichzelf aan de ketting leggen en slaven maken van hun geoorloofde vrijheid.

 

            Ik denk heden aan Openb. 13 :17, waar wij lezen: “En dat niemand mag kopen of verkopen, dan die dat merkteken heeft, of den naam van het beest.” Wijzen alle bonden en verenigingen er niet op, om ons daartoe te brengen met al die wereldovereenkomsten betreffende alle bronnen van bestaan en nijverheid? Ligt dit niet in de leiding en bedoeling van de Wereld- of Volkenbond, al zijn ze er zelf blind voor? De geldkwestie, niet het minst de oorlogsschulden, geeft een grote vertraging. En nu ziet men, dat het Opperwezen heilig spot met al dat dwaze gevoel van nietige stervelingen, en de zonde rechtvaardigheidshalve straft met de zonde. Het is openbaar, dat elk land zijn politie en militaire macht nodig heeft om zijn onderdanen in bedwang te houden.  Het zal wederhoudende genade Gods zijn als niet ieder land zijn eigen inwoners zal doden, waar juist in dezen tijd de boosheid en wraak van des mensen boze en zondige natuur naar boven komt. Ja, ik zeg nogmaals, als wederhoudende genade van den Heere het niet voorziet, waar zal het een eind nemen?  Nergens hoort of ziet men, dat er een bukken voor God is, noch door overheden, noch door onderdanen.  Gods Woord leert ons, dat de zonde van bedrijf en nalatigheid bij overheden en machten begint, omdat die de onderregeerders zijn onder den Opperregeerder. En als die de tucht inhouden en Gods Wet gaan verlaten en verbreken, is niets anders te wachten dan alle uitbreking van de zonde, waar de ene zonde de andere baart. Maar als de Heere overtuiging gaat schenken, brengt Hij de mens op diè plaats, waar wij Hem verlaten hebben. Mochten we eens waardig geacht worden, zoo het met des Heeren eer en welbehagen kon bestaan, zowel overheden en machten als onderdanen, om met een waar schuldbesef onze goddeloze en blinde wapenen, waarmede wij tegen onszelf en God strijden, in te leveren, dan zou de Heere uit al dat kwade nog wat goeds kunnen voortbrengen.

 

Ik hoor mijne vrienden in mijn oor fluisteren: Wij hebben u nog niets horen zeggen van Gods volk in het bijzonder; hebt alleen gesproken over de wet der wedervergelding van de nationale hemeltergende wereldzonden, en niets laten horen van de zonden van Gods volk, daar de Waarheid ons leert, Adat het oordeel van Gods huis of Gods volk begint. Verschoon mij in deze.  Dat ik u hierin niet tegenspreek, is, opdat de wereld geen bedekking zou zoeken in de zonden van Gods volk en hen niet zou lasteren of naschreeuwen, dewijl de wereld er toch niets van verstaat, waarin de zonden en gebreken van Gods volk beleefd en doorleefd worden. De tekst, door u aangehaald, dat het oordeel van het huis Gods begint, vind ik ten allen tijde bewaarheid in dezen tekst, Openb. 2 vers 4 en 5: “Maar Ik heb tegen u, dat gij uwe eerste liefde hebt verlaten.  Gedenkt dan, waarvan gij uitgevallen zijt, en bekeert u, en doet de eerste werken; en zoo niet, Ik zal u haastelijk bijkomen, en zal uwen kandelaar van zijne plaats weren, indien gij u niet bekeerd.”

 

            Ik denk heden 42 jaar terug, toen ik met Gods volk omgang kreeg.  Ik was geheel blind voor de uiteenzetting van onze geloofsleer en de daaruit voortvloeiende kerkelijke geschillen.  De stokouden en hun vaderen leerden ons, dat zij uit hun erfenis verdreven waren, die hun vaderen met hun bloed betaald en verkregen hadden,  bestaande in onze ware geloofsleer, die alleen maar een mensen recht zalig kan maken.  Hoe zij en hunne vaderen de eerste liefde hadden verlaten en om hun eigen zonden cijnsbaar waren geworden onder hun vijanden; waar de liefde het middel is waardoor God bij Zijn volk blijft en Zijn volk bij Hem; waardoor alleen de vrede met God persoonlijk en gemeenschappelijk bewaard wordt; wat alleen Gods volk vrijmoedigheid geeft in leven en in sterven.

 

 Wij lezen in 1 Cor. 13 vers 1-8: “Al ware het, dat ik de talen der mensen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal of luidende schel geworden.  En al ware het, dat ik de gave der profetie had, en wist al de verborgenheden en al de wetenschap; en al ware het dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zoo ware ik niets.  En al ware het, dat ik al mijne goederen tot onderhoud der armen uitdeelde; en al ware het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden, en had de liefde niet, zoo zou het mij geen nuttigheid. geven.  De liefde is lankmoedig, zij is goedertieren; de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet lichtvaardig; zij is niet opgeblazen; zij handelt niet ongeschikt; zij zoekt zichzelf niet; zij wordt niet verbitterd; zij denkt geen kwaad; zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid; zij bedekt alle dingen; zij gelooft alle dingen; zij hoopt alle dingen; zij verdraagt alle dingen; de liefde vergaat nimmermeer.” Hier hebben we de eigenschappen van de liefde Gods in Christus Jezus, als het gewrocht van de Heiligen Geest in Zijn volk, vervat in onze Geloofsleer.  Hieruit kunnen wij voor onszelf door het licht des Geestes zien, met medeweten van onze consciëntie, waarin wij onze wandelingen hebben. Wanneer wij ons hieraan toetsen, zal het blijken, hoe vèr wij deze lief de verlaten hebben, of hoe zij in velen van ons verkoud is geworden.  Tevens zal openbaar worden onze vruchtbaarheid of onze onvruchtbaarheid voor onszelf en voor onze naasten, want die vruchten kunnen niet verborgen blijven.  Hierin vruchtbaar te zijn, is het sieraad voor Gods Kerk; dat zijn de vruchten van onze evangelische heiligmaking, om als zonen en dochteren uit ongedwongen liefde God en onze naasten lief te hebben; die geven ons een dagelijkse vrijmoedigheid tussen den Heere en onze ziel en alzo wordt de vrede van onze consciëntie met den Heere bewaard.  Hierdoor blijft de troon der genade onbewolkt in onze dagelijkse gebeden en blijven wij gemeenzaam met den Heere ook onder alle beproevingen, verdrukkingen, bestrijdingen en aanvechtingen, die de hand der Voorzienigheid over ons brengt ten goede; om de drie hoofdvijanden van Gods volk, onze eigen verdorven natuur, de vorst der duisternis en de boze en verleidende wereld, die nog dagelijks ons toeroept: komt tot ons over, door bidden en zuchten cijnsbaar te houden in onze zielen, dagelijks smekende: “lijd ons niet in verzoeking”, en biddende om de kracht van de Heilige Geest, opdat zij nimmer over ons de overhand krijgen mogen.

 

            En nu is het mijn overtuiging, dat, wanneer wij deze vijanden licht gaan achten en wij verachteren in waakzaamheid, wij ook verachteren in gebeden en smekingen tègen hen.  Die vijanden zijn altijd wakker en wakende, om de vrede van Gods volk en Kerk te verstoren, van binnen en van buiten; omdat dat slangenzaad met een eeuwige vijandschap is bezet tegen het zaad der vrouw.  En als wij daartegen niet blijven waken en bidden, zullen ze ons gevangen nemen, eerst van binnen, om ons een ongedode zonde en de lief de daartoe, die ons aankleeft, voor ogen te houden en ons te verkrachten, door ontelbare verzoekingen, waaraan wij onderworpen zijn in dit leven. De mens komt soms in strikken, waarover hij nooit gedacht heeft.  Wat in het begin geoorloofd voorkwam, blijkt bij de uitkomst zeer gevaarlijk te zijn.  Ik denk, dat ieder zijn hoofd- of natuurzonde heeft, maar dat meestentijds Gods volk zijn eerste liefde kwijtraakt door de algemene zonde waarnaar het gehele menselijke geslacht uitgaat, bestaande in het liefhebben en najagen van geld, eer en aanzien.  Dat houdt de gehele wereld in ellende en beweging; en als Gods volk nu door hetzelve verkracht wordt en er te veel van gaat begeren en liefhebben, raken zij de liefde Gods kwijt of zij verkoelt.  Want de liefde Gods en de liefde tot geld, eer en aanzien, kunnen niet samen leven. En verlaten wij daardoor God en Zijn liefde, dan verlaat Hij ons.  Wereldsgezindheid neemt dan zeker de plaats in van hemelsgezindheid. Wij komen ongetwijfeld in het dorre te wonen.  Wij worden cijnsbaar aan onze vijanden.

 

            Een groot aantal voorbeelden hebben wij in het volk Israël.  Als zij uit kracht van wereldsgezindheid in wereldgelijkvormigheid met de heidense volkeren gingen leven naar hun goddeloze en zedeloze levenswijze, kwamen zij God te vertoornen, en hun eigen zielen te verontreinigen en te verderven, en werden tenslotte cijnsbaar onder de heidense volken en afgoden.  Wat heeft de Heere hen vaak bezocht met de zwaarste straffen en kastijdingen van de wet der wedervergelding!  Wat wisten de vijanden, dat, als Israël zijn God verlaten en Zijn inzettingen verworpen had, Hij niet voor hen streed, maar hen soms langen tijd overgaf om hun eigen vruchten van Godsverlating te moeten dragen onder de zwaarste ellende. Blijven deze voorbeelden van Gods Woord niet ten allen tijde de waarschuwingen voor Gods volk? Vandaar, dat onze vaderen ons verteld hebben, dat zij uit de erfenis, de ware en innerlijke Geloofsleer, die zij en hunne vaderen verkregen hadden ten koste van hun leven, verdreven zijn.  De vijanden hebben het gewonnen om onze Geloofsleer te verdrijven uit Kerk en Staat, en een vrijheid van godsdienst in te voeren om alle verderfelijke ketterijen toe te laten.  Wat heeft de ruimte en vrijheid van de pers een stroom van allerlei Godslasterlijke en Godontkennende geschriften ingevoerd, die ons geslacht indrinken als water, om te strijden tegen Gods Woord en het tot leugen te maken!  Wat een vrijheid tot zondigen op alle terreinen des levens, waaronder Gods volk, voor zover zij nog een levende consciëntie hebben, nog dagelijks moeten zuchten, in hun gezinnen, in steden en dorpen, op het land en op het water! En onder dit alles is Gods volk machteloos als een Simson in de gevangenis van de Filistijnen!

 

            Nadat wij uit onze erfenis verdreven zijn om onze eigen zonden, vanwege het verlaten van de liefde der waarheid en van onze Geloofsleer in Kerk en Staat door onze vaderen; waar zijn wij daarmede terechtgekomen? Zouden wij niet kunnen zeggen: evenals Israël in Babel, verstrooid in de honderd zeven en twintig landschappen? Ik heb mijn vaderen horen vertellen, dat, toen de eerste kerk der Afgescheidenen gebouwd werd hier te lande, er nog zo’n algemene indruk en een levendig besef was van die breuk onder het volk, dat de hoorders, die van weerszijden elkander tegemoet kwamen op weg naar huis, elkander afvroegen, of er ook nog een zegen gevallen was onder de predicatie, ja zelfs de predikanten van weerszijden aan de hoorders.  Ik wil hiermee zeggen, dat die breuk toen nog meer tot smart dan tot vijandschap was onder elkander.

 

Vele predikanten die de Geloofsleer in hun harten in kinderlijke vreze hadden, zijn gescheiden en enkele zijn in onze Moederkerk gebleven, om de leer der vaderen krampachtig vast te houden. Toen kwam die verdere verstrooiing in de landschappen, de verdeeldheid werd steeds groter, ter wille van de geloofsleer. Denk aan Ledeboer, Van Dijke en Bakker; aan Van den Oever, Klinkert en meer anderen in ons land. Hoeveel onderscheiden namen heeft onze geloofsleer niet gekregen in de laatste jaren, teveel om op te noemen.  En dat alles, omdat men al meer die vruchten des geloofs, die eigenschappen der liefde (1 Cor. 11:3) in de praktijk komt te missen.  Vele benamingen zouden uitgeschrapt kunnen worden in die verstrooiing en verdeeldheid, die niet van elkander verschillen in onze geloofsleer. Als men in deze liefde mocht terugkomen. Hoevelen, die ik gekend heb, zijn onder dit alles met de oude godzalige schrijvers in huis of in een huiselijk gezelschap terechtgekomen, waaronder men waardige christenen vond in genade en gaven, hoewel er slechts enkelen waren, die navolgers van hun leven, zijn geweest.  Onze eerste ouders, die dit gedaan hebben, daarin heeft de Heere nog vaak gesproken in hun leven en hun oefeningen; maar het latere geslacht, dat dit in vormen is gaan nabootsen, heeft ons geen voorbeeld ter navolging nagelaten. Ik heb het vaak ontmoet dat des Zondags twee of driemaal in huisgezelschappen een predicatie met haast werd gelezen, en rest van de dag doorgebracht werd met wereldse gesprekken of het lasteren van de gebreken van de naasten.  Mijn overtuiging is, dat de vruchtbare bijeenkomsten, vroeger en ook nu, zouden bestaan in de herkauwing van de predicatie, die wij des zondags gehoord hebben.

 

            En ziet nu de grote verstrooiing in onze dagen, waarin wij met ons geslacht zijn terecht gekomen. Waar zouden we eindigen, als we alle verdeeldheid moesten opsommen van de verschillende kerken, die de zelfde geloofsleer belijden?  Het is een en al twist en nijd; een vereten en verteren van elkander. Hieruit blijkt duidelijk, dat de rechte eigenschappen van de liefde des geloofs gemist worden.  Vanwaar komen al die twisten en vechterijen anders dan van de wellusten van onze zondige hoogmoed van ons vlees?  Met een Simon de Tovenaar, is er een zoeken om wat groots te wezen. Zouden we boven de meeste nieuwe kerken niet kunnen plaatsen:” door twist ontstaan?” En dat geen twist over de gronden van onze Geloofsleer, maar over de dagelijkse gangen van ons karakter en humeur. Daarin heeft de vorst der duisternis zijn behagen en strooit zijn zondig zaad, om zoo mogelijk weer een scheiding te geven in de kerkelijke samenleving.  Zó gaat men weer een nieuw gebouw zetten.  Hetzij men nu zelfstandig blijft of aansluiting zoekt bij een andere kerkengroep, men gaat zijn eigen weg.  Men kiest een nieuwe kerkenraad en, zoo men zelf geen ouderling wordt, worden vaak zulken gekozen tot ouderling, die geen andere gaven bezitten dan om een gemeente te ontstichten en te verwoesten; die hun eigen leer niet verstaan noch verdedigen kunnen. Toch is onder al die werken van het vlees en door de betovering van de satans, iedere partij nog van mening, dat zij Gods gunst nog aan hare zijde heeft; en durft nog te spreken van Godsontmoetingen, terwijl men elkander vereet en verteert en het hoofd omdraait voor elkaar bij het passeren.  Elke partij vergeeft zich haar eigen zonde van scheuring en meent in het gelijk te staan.  Hebben wij ons in dit alles niet verachtelijk en bespottelijk gemaakt bij de wereld?  Openlijk spreekt de wereld het uit: dat zijn nu die mensen die ons ten voorbeeld moesten strekken in leer en in leven!  Staat men hier niet als een Simson voor de Filistijnen?

 

            Dit alles vindt zijn oorzaak in het verlaten van de eerste liefde. Uit alles blijkt, dat de werken des vleses zegevieren en men leeft in ongerechtigheid.  Iedere partij, die nog vasthoudt aan onze ware Geloofsleer heeft eigen weg gezocht, ook in het bouwen van een Theologische School, om daar predikanten te kweken.  Ook diegenen, die onder ons geweest zijn, die de Heere onmiddellijk, buiten studie om, met een hemelse roeping geroepen heeft om Zijn uitverkoren Kerk te dienen, om als een middel gebruikt te worden om zondaren in dit leven te roepen, opdat zij getrokken zouden worden uit de macht der duisternis tot Zijn wonderbaar licht -ik denk aan Van Dijke, Bakker en meer anderen- hebben hun eigen predikers en sprekers geteeld.  En dat, wat overwegend uit de vruchten openbaar is, tot twist, nijd en tweedracht, tot een vereten en verbijten van elkander; en niet tot ere Gods en uit liefde Gods en gemeenschap tot elkander. Niet, dat ik een volkomen of volmaakte kerkstaat zoek. Als men Gods Woord recht leest en onderzoekt, dan zal men zien dat, toen de Heere op een bijzondere wijze Zijn bediening heeft gegeven in de handen der Apostelen en dagelijks toedeed tot de gemeente, er zonden en gebreken waren.  Leest b.v. 1 Cor. 5. Als dat in onze dagen voorkwam, zou de wereld overeind staan.  Maar de Apostelen hebben geleefd onder de beproeving van de Waarheid en niet in de verlating van de liefde of onder de kastijding en verlating van de Waarheid voor zichzelf.

 

               Moet men nu niet zeggen, dat men stellender wijs onze Geloofsleer overwegend in ons land heeft overgehouden en vèr van de praktijk af is?  En dat niemand uitgezonderd.  Hoe verder de Geest Zich onttrekt, hoe donkerder het wordt en hoe meer het wild gedierte uit zijn holen komt.  En wat een grote en algemene blindheid is er onder dit alles!  Omdat ons geslacht de rechte smaak van de Waarheid verloren heeft, loopt alles door elkaar. Ons land is vervuld met reizende sprekers en predikanten, die de beurzen leeg preken, de hoofden in de war en het hart verhard en gevoelloos maken. De meeste hoorders bestaan uit zulke mensen, die met allen wind van leer omgevoerd worden; die evenals die van Athéne, hun tijd tot niets anders besteden dan om wat nieuws te zeggen en te horen; en de Corinthe-breuk uitleven: Ik ben van Paulus; en ik van Apollos; en ik van Céfas; waarin uitkomt, dat men nog zoo vleselijk is en nog melk van node heeft.  Die de meeste drukte maken, als zij de predikant hebben verlaten, brengen vaak uit, dat zij niet dan vleselijk geluisterd hebben en slechts met het verstand werkzaam zijn.

 

Eens ontmoette ik in de elektrische tram hier ter stede een gezelschap van zulke hoorders, die veel drukte en beweging maakten onder elkander.  Eén van de oudsten zei tot mij: gij moest dien man eens gaan beluisteren; en een ander zei: gij moet dien prediker eens gaan horen, als gij er niet te hoogmoedig voor zijt.  Ik antwoordde hen tenslotte: gij hebt geen van allen goed geluisterd. Hiervan moest ik de reden opgeven.  Ik verhaalde hun toen, dat er destijds eens vier hoorders bij de avond predicatie geweest waren en Bakker hadden beluisterd, welke handelde over de rechtvaardigmaking in de consciëntie uit Zondag 23. Toen die vier hoorders de predikant verlaten hadden om huiswaarts te keren, zei één van hen tot zijn medehoorders: gij moet mijn vrouw en kinderen maar van mij groeten; ik verlaat u; het is voor mij voor eeuwig kwijt en verloren.  Maar den volgende morgen mocht hij met een geredde ziel thuiskomen.  Die man had onderweg niets geen drukte gemaakt.  Hij was zoo in de banden, dat hij niet spreken kon. Hiermede was die drukte in eens afgelopen. Was dat geen gelukkig hoorder? Ik denk aan de tijd, toen ik nog in de schoolbanken zat en aan mijn jongelingsjaren, toen Dr. Kuyper zo’n grote beroerte in ons land heeft gebracht, en de strijd is begonnen met de vijanden onzer leer op kerkelijk en politiek gebied.  Velen van Gods volk had hij in het begin mee.  Miljoenen guldens heeft hij uit de beurzen gehaald voor een nieuwe reformatie in Kerk en School en voor vele Christelijke instellingen, zonder te trachten onze leer in onze Moederkerk en openbare scholen te herstellen.  Toen de eerste pogingen mislukten om zijn vijanden te overwinnen in Kerk en politiek, is hij een juk aan gaan trekken met ongelovigen en bijgelovigen, juist met diegenen, die onze vaderen op de brandstapel hebben gebracht.  En dat onder de politieke dekmantel, dat Rome nader was dan de rode vijanden; alsof de politiek van het geestelijke of geloofsleven afgescheiden zou zijn en niet onderscheiden. En wat kan het politieke leven afwerpen als het niet in de vreze Gods bestuurd wordt?  Onze dagen zijn hiervan de zichtbaarste bewijzen, want Gods Woord leert ons dat, waar de rechtvaardige heerst, juicht het volk, maar waar de goddeloze heerst, zucht het volk.  Het heeft in ons land niets anders uitgewerkt dan wantrouwen aan Gods Woord en aan de onderhouding door Gods Voorzienigheid.  Duizenden mensen zijn vervoerd tot alle goden van allerlei verzekeringen.  Hierin wordt openbaar, dat de mens zonder bekering of wedergeboorte op een onbekenden god kan vertrouwen.

 

            Ongeloof, rede en natuur hebben hen hierin tot gebonden slaven gemaakt in hun gescheiden staat van God, waarin alle mensen ontvangen en geboren worden. Hiervoor is men evenwel blind.  Men ziet niet het juk, dat aangetrokken is met Rome, die in zijn geloofsleer nog lager is dan de heidense zedekunde; die dwaalt in zijn doop, in zijn avondmaal, in zijn paapse mis, in zijn vagevuur, in zijn consciëntiegeld, in zijn aanbidden van de heiligen en in zoveel andere bespottelijke leerstellingen meer. Ik zeg Dr. Kuyper na, dat de persoon van de leer moet onderscheiden worden.  Ook onder  de Roomsen heeft men wat men noemt eerlijke, eerbare mensen.  Maar ’t geldt hier hun leer, die alleszins verderfelijk is, die miljoenen mensen verleidt.  En wat is er nu overgebleven van de geloofsleer van Dr. Kuyper?  Een groot gedeelte Rooms en een ander gedeelte bedekt of openbaar Remonstrants. En indien genade het niet komt te voorzien, sterven de meeste belijders met een bedrogen en slapende consciëntie.  Wij komen bedrogen uit met de belijdenis van den Papist en den Remonstrant, met zijn hele of gedeeltelijke vrije wil; waar de strijd met hen gaat over de leer van volkomen voldoening of de ten dele verzoening van de offerande van Christus.  Hierop zal ik niet verder ingaan. Waar zou het heengegaan zijn met ons volk, als de hand der Voorzienigheid geen mensen in onze Regering gebracht had, die dien band of die keten verbroken hadden, Rooms en zgn. Gereformeerd?  Ik weet, dat die mensen niet al het zuiver belijdende volk in ons land achter zich hebben, die tegen die (uitoefenen van 2 ambten zoals o.a. Ds. Kersten) twee ambten kijken, n.l. het kerkelijke en politieke, als strijdend tegen Gods Woord.  Ik voor mij zou ook hiertegen geprotesteerd hebben, ten ware ik bij den vluchtenden David gebracht werd, als vluchtende voor de vijanden Sauls, als een type van Gods Kerk, hoe David moede en mat en hongerig bij de Hogepriester Abjathar is aangekomen en van de toonbrooden gegeten heeft, die niemand mocht eten dan de Hogepriester alleen.  En hoewel deze tekst is gebruikt door de Groten Meester tegen de Farizeeën, toen deze Zijn discipelen bestraften, omdat zij aren plukten op den sabbath, en Hij hen deze geschiedenis van David voorhoudt om Zijn jongeren te verdedigen, toch zou ik zeggen: als het om de ere Gods mag gaan en onze Geloofsleer, dan heb ik voor mij daarvan geen last, al waren zij er nog burgemeester en politie bij, n.m. in tijden van nood. Ik zou hen willen voorhouden, wat Luther eens aan Melanchton schreef, toen in liet jaar 1530 Melanchton zoo geschokt en met slaafse vreze bezet was.  Aan het einde van zijn brief lezen wij: AIk voor mij zoude liever met Christus willen vallen, dan staande blijven met den keizer.

 

            Elk gelovige heeft een strijd op aarde, maar die de grootste plaats innemen om tegen het rijk des duivels te strijden, ontmoeten de meeste vijanden.  Zij hebben in grote mate voorkomende, achtervolgende en onderhoudende genade nodig om staande te blijven in de strijd.  Eigen vrienden worden in het laatste soms de grootste vijanden.  De meeste van degenen, die de reformatie slechts in het hoofd hebben, in het vleselijk verstand, zonder ware bekering en vernieuwing des harten, hebben vaak grote haast en zijn vol ijver voor de goede zaak; maar zodra beproeving of verdrukking komt, verkeren zij in vijanden, waarmede men vaak bedrogen is uitgekomen. Onze Godvrezende Vorsten zagen meer op het gebed van een rechtvaardige dan op een groot leger in de strijd, omdat God wel eens wonderen deed op het gebed. Maar ik vrees, dat God om dit alles Zijn toorn niet afkeren zal, omdat de verharding des harten over het algemeen zoo groot is.  God is als met de wan in de hand op de dorsvloer van Zijn Kerk, om het kaf van het koren te scheiden. Hoeveel belijders van de Kerk zijn met bedrijfsleven aan het einde. De financiën zijn gebroken en de middelen van bestaan hebben opgehouden.  Zij staan nu op de grens van hun belijdenis. Zullen zij den god van staat of gemeente toevallen, in de wetten, die over hun bedrijf en leven gaan? Niet alleen de werkgever, maar ook de werkman komt op de proef.  Altijd heeft hij druk over bekering en genade gesproken. Maar nu komt men in een weg tegen onze natuur.  Er rest niets anders (tenzij God het verhoedt) dan te schande te worden en om te komen. Is dit niet een wan voor een belijdend mens?  Zijn er hier niet velen, die over de streep zijn gegaan, die hun belijdenis in hun leven verloochenden? Velen, van Gods volk leven met hun noden onder een verbergend God.  Nochtans horen wij, dat de Heere hier en daar in ons land nog wonderen doet op het schuldbelijdend gebed van de Zijnen, als zij Hem smeken in de bijzondere noden van de tijd. Over die noden gaat het ’t meeste, ook bij Gods volk.

 

Wij hebben nog geen directe vervolging om onze belijdenis te verduren, d.w.z. om die belijdenis staande te houden met ons leven en onze dood.  Maar de indirecte vervolging is er wel.  Hiervoor zijn we echter blind, zodat het niet opgemerkt wordt.  Is het niet altijd gebleken, als de wereld of een land in de smeltkroes gebracht wordt, dat het gaat om het levende kind? Herodus en Pilatus zullen altijd goede vrienden worden, als de Waarheid vervolgd of zoo mogelijk uitgeroeid moet worden. Onze vaderen hebben hun leven mogen afleggen onder de beproeving van  de Waarheid.  Maar als wij het zouden moeten doen, vrees ik, dat het zou zijn onder de kastijding om onze eigen zonden. En dan zegt David: “Kastijdt Gij iemand om der ongerechtigheid wil, zoo doet Gij zijn bevalligheid smelten als een mot.” Ik denk heden aan een nog in leven zijnd oud christen van ruim tachtig jaren, die vanaf zijn achttiende jaar grote en vele bemoeienissen des Heeren heeft beleefd.  (Jan Geense). Hij vertelde mij, dat hij vóór het uitbreken van den oorlog op een graf stond te spreken en toen het ongenoegen Gods zoo laag op de aarde zag komen. -Niet dat hij wilde profeteren; daarvan is hij afgekeerd, omdat daarin zoo vaak gedwaald wordt. En is dat ongenoegen Gods niet openbaar geworden?  En nu, zei hij, profeteer ik weer niet, maar ik geloof zoo zeker als ik hier op mijn stoel zit, dat ik het niet behoef te beleven, maar als men een jaar of vijftien verder is, dat de Heere een derde deel van de wereld zal verdoen en er huizen genoeg leeg zullen staan.

 

En nu, mijn brief is wat lang geworden.  Waar zouden wij eindigen?  Mochten wij eens met Ledeboer leren bidden: Al eert ons eens vergeten, dat wij bekeerd zijn. Dat een ieder van ons in zijn eigen gangen eens een zaligmakend schuldbesef mocht geschonken worden, om onze verstandhouding tussen de Heere en onze zielen recht te kennen, om onder verootmoediging onze eigen zonden te kennen en te bewenen. Dan zullen wij een kastijdend God lief krijgen en daarmede tot Hem gebracht worden, om door Hem gereinigd, verzoend en geheiligd te worden Dan zullen we weer onze werken uit de eerste liefde gaan beleven, waarin alleen de ware vrede van onze consciëntie geproefd en gesmaakt wordt.

 

 

 

Wij hebben God op ’t hoogst misdaan,

Wij zijn van ’t heilspoor afgegaan,

Ja, wij en onze vad’ren tevens.

Verzuimden alle trouw en plicht,

Vergramden God, den God des levens,

Die zoveel wond’ren had verricht.