Ebenezer Erskine

Posted by admin | | donderdag 11 februari 2010 3:45 pm

 

1 Joh. 3:8 Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken

 

1 Johannes 4 vers 16 – God in Christus is liefde

 

2 Kor. 4:7  Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht

 

Ezech. 34 vers 29 – En Ik zal hun een Plant van Naam verwekken

 

Ezech. 37:9 – Gij Geest! Kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden

 

Handelingen 13 vers 26 – Tot u is het woord dezer zaligheid gezonden

 

Hebr. 2:16  Want waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad

 

Hebr. 11 vs 7 (1e preek) Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak

 

Hebr. 11 vs 7 (2e preek) Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak

 

Jes. 42 vers 21 – De verbroken wet groot gemaakt en heerlijk gemaakt

 

Jes. 6 vers 13 –  Alzo zal het heilige zaad het steunsel daarvan zijn

 

Jes. 60 vs 8 – Wie zijn deze, die daar komen gevlogen als een wolk, en als duiven

 

Joh. 6 vs 66 – Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug, en wandelden niet meer

 

Joh. 8 vs 56 – Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij…

 

Joh. 11 vs 25 (1e preek)  Jezus zeide tot haar, Ik ben de Opstanding

 

Joh. 11 vs 25 (2e preek)  Jezus zeide tot haar, Ik ben de Opstanding

 

Kolossenzen 1 vs 7 – Epafras, dewelke een getrouw dienaar van Christus is voor u

 

Luk. 17 vs 21 (1e preek) Want ziet het koninkrijk Gods is binnen ulieden

 

Luk. 17 vs 21 (2e preek) Want ziet het koninkrijk Gods is binnen ulieden

 

Luk. 17 vs 21 (3e preek) Want ziet het koninkrijk Gods is binnen ulieden

 

Matth. 16:27 – Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders

 

Matth. 25 vs 6 (1e preek) En ter middernacht geschiedde een geroep, Ziet, de bruidegom

 

Matth. 25 vs 6 (2e preek) En ter middernacht geschiedde een geroep, Ziet, de bruidegom

 

Matth. 25 vs 6 (3e preek) En ter middernacht geschiedde een geroep, Ziet, de bruidegom

 

Micha 2 vs 13 – De doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken

 

Openb. 7 vs 1-3  Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, totdat…

 

Openb. 22 vs 2 (1e preek) In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde der rivier was de boom des levens

 

Openb. 22 vs 2 (2e preek) In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde der rivier was de boom des levens

 

Openb. 22 vs 2 (3e preek) In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde der rivier was de boom des levens

 

Psalm 2 vs 6  (1e preek) Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion

 

Psalm 2 vs 6  (2e preek) Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion

 

Psalm 2 vs 6  (3e preek) Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion

 

Psalm 68 vs 32 –  Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken

 

Psalm 132 vs 17 (1e preek) Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp toegericht

 

Psalm 132 vs 17 (2e preek)  Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp toegericht

 

Psalm 144 vs 3 – O HEERE! wat is de mens, dat Gij hem kent

 

Spr. 8 vs 23 – Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest, van de aanvang…

 

Titus 3 vs 8 – Dit is een getrouw woord, en deze dingen wil ik, dat gij ernstiglijk bevestigt

 

 

 

 

 

Ralph Erskine : Over het sterven aan de wet en het leven naar het Evangelie

 

Robert Traill :  De rechtvaardiging door het geloof alleen

 

Edward Fisher :  Het merg van het Evangelie 

 

Van der Groe : Voorwoord bij de uitgegeven werken van de Erskines in NL

 

Marrowmen :  Twaalf antwoorden op vragen over Wet & Evangelie

 

Ds. A. v/d Zwan : The marrowmen over Wet & Evangelie, het aanbod van genade

 

Ds. J. Brons : Lezing over de strijd en de betekenis van de marrowmen in Schotland

 

Ds. A. v/d Zwan : Lezing over de leer van Robert Traill, geestelijk vader van de marrowmen

 

 

 

 

 

Ebenezer Erskine

Ebenezer was de zoon van Henry Erskine te Cornhill-Northumberland. Deze voortreffelijke dienstknecht van Jezus Christus werd met andere getrouwe broeders in Engeland in 1662 uitgeworpen Hij predikte enkele jaren in een vergaderzaal in Whitsome, waar hij het middel was tot bekering van Thomas Boston, die toen een jongen van elf jaar was. Ebenezer werd geboren de 22e juni 1680. In 1702 werd hij te Portmoak in het predikambt bevestigd, waar hij goede gelegenheid had zijn studie ijverig voort te zetten. Zijn inzichten in het Evangelie weren toen ver van zuiver, doch wettische en evangelische leringen waren daarin dooreen gemengd. Zijn broeder Ralph en anderen waren in dat opricht nuttig voor hem, doch zijn beminnelijke echtgenote was voornamelijk het middel om een gelukkige verandering in zien inzicht in de goddelijke waarheid in hem te bewerken, hetgeen hij later graag aan zijn kinderen en vrienden vertelde. Het beslissend moment ten opzichte van zijn gevoelens aangaande de waarheid was het gevolg van een gesprek tussen zijn broeder Ralph en zijn vrouw, dat hij beluisterde. Die twee hadden in een prieel onder het venster van zijn studeervertrek een vertrouwelijk gesprek over hun christelijke bevinding. Hij bemerkte daaruit hoezeer hun inzichten en gevoelens van de zijn verschilden, en dat zij iets bezaten, dat hij miste. Deze indruk verliet hem niet, totdat hij niet alleen bijna, meer geheel werd, wat zij waren, een echt Bijbels evangelisch Christen.

 

Zijn bevinding, in betrekking tot de leer van de genade, drukt hij in de volgende woorden uit: “Ik wil gaarne bekennen, dat ik, sedert ik iets van de Christelijke leer wist, nooit iets moeilijker heb bevonden dan het van harte eens te worden met de orde van het genadeverbond: eerst het voorrecht en dan de plicht. Zelfs nadat de ziel er, wat de hoofdzaak betreft, toe gebracht is te berusten in de nieuwe wijze van zaligmaken, is er zoveel van de oude Adam, ik bedoel, van een wettische geest in ons, dat wij daardoor onbewust teruggeleid worden tot het verbond van Adam, om barmhartigheid, genade en heerlijkheid te verwachten krachtens iets, dat in ons gewerkt is, of door ons gedaan wordt. Wij, leraars, verraden dikwijls de wettischheid van ons hart, waaruit ik met leedwezen spreek uit mijn eigen droevige ervaring, en niet om daarmee op iemand anders te doelen.”

 

Wat de leer betreft, die ik gepredikt heb, als ik op die waarheid mijn zaligheid niet durfde wagen, had ik die nooit aan anderen durven prediken als goddelijke waarheden. Ik ben vast overtuigd, dat een voorname reden waarom het Evangelie in onze dagen zo weinig vrucht afwerpt deze is, dat onze preken er zo weinig op berekend zijn onze eigengerechtigheid neer te werpen, en de gerechtigheid van Christus als het enig fondament, dat God in Sion gelegd heeft, te verheffen.” Onder zijn papieren werd het volgend persoonlijk verbond gevonden, waaruit zijn ernstige godsvrucht zich openbaart, en dat naar een uitgebreider voorafgaand verbond schijnt te verwijzen: “O mijn God! omdat ik zo dikwijls mijn verbond van plicht met u heb verbroken, (hoewel, geloofd zij Uw Naam, het verbond van de genade met mijn Borg nooit kan verbroken worden) bekrachtig en vernieuw ik het heden en begeer ik ernstig genade van u, o Heere, het op een andere wijze te houden dan ik het gedaan heb. Omdat ik van mijzelf zwak en onbekwaam ben tot iets, begeer en smeek ik telkens weer, dat U met mij wilt handelen overeenkomstig Uw zoete belofte, waarop ik de zaligheid van mijn ziel leg, en dat Gij het woord mag gedenken, o getrouwe God, dat in Ezech. 36:26 staat geschreven: “En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u: en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven.” Op welke woorden Gij Uw dienstknecht hebt doen hopen. In het geloof, dat Gij Uw woord zult vervullen, vernieuw en bekrachtig ik mijn vorig verbond, en zweer, dat ik voor eeuwig des Heeren zal zijn in een eeuwig verbond, hetwelk ik niet alleen met mijn hand, maar met mijn hart onderteken.

 

Ebenezer Erskine

“Uw bezworen dienstknecht.”

 

Hij was zeer geregeld in het verborgen werkzaam. In zijn gezin gaf hij nauw acht op de zielen van zijn kinderen en dienstboden. Hij was toegeeflijk, doch bewaarde zijn gezag, en hij riep hen bij verscheidene gelegenheden tot vasten en bidden. Hij was vrolijk en opgewekt in de omgang, altijd deftig en stichtelijk. Hij was voorbeeldig in gelatenheid en onderwerping onder de zwaarste beproevingen. Hij studeerde veel en breidde zich met nauwgezetheid voor tot de openbare dienst. Hij besteedde bijzondere aandacht aan het jonge volkje; zelfs ‘s zaterdags wanneer de kinderen op school gecatechiseerd werden, wachtte hij hen op, om hen te ondervragen en met hen te bidden. Wanneer hij niet naar de school ging, waren de kinderen gewoon naar zijn huis te komen, waarop zij zeer gesteld waren, daar hij altijd veel aandacht aan hen schonk en zeer vriendelijk voor hen was. Hij catechiseerde zijn gemeenteleden in het openbaar en bezocht hen geregeld aan huis. Wanneer hij een familie bezocht placht hij, wanneer hij binnenkwam, te zeggen: “Vrede zij dezen huize.” Dan deed hij elke volwassene een paar vragen, en daarop ondervroeg hij de kinderen, die hij zeer aanmoedigde. Na een woord van vermaning, waarbij hij gebruik maakte van de een of andere voorzienigheid waarbij het gezin betrokken was, sloot hij met gebed waarin hij zeer persoonlijk en hartelijk was. In het bezoeken van de zieken was hij ijverig en nauwgezet.

 

De volgende anekdote van hem in de verrichting van dat werk is waardig bewaard te worden. Ann Meiglo, een arme, godvrezende vrouw bezoekende, zeide zij: “O dominee, ik lig hier zo maar neer, als een arm, nutteloos schepsel.” “Dunkt u dat?” zei de goede man. “Mij dunkt”, antwoordde zij, “als ik in de hemel was, dat ik dan ergens nuttig voor zou zijn, in God zonder zonde te verheerlijken.” “Waarlijk Anny”, zeide hij, “mij dunkt, dat u God verheerlijkt door uw overgave en onderwerping aan Zijn wil, en dat in weerwil van vele moeilijkheden en onder vele benauwdheden. In de hemel hebben de heiligen geen lasten waaronder zij zuchten; uw lof, belast als u bent, is mij wonderlijker en, naar ik vertrouw, Gode aangenamer.”  Portmoak stond onder zijn bediening, wegens zijn verstandige en levendige Christenen bekend als een veld, dat de Heere gezegend had. In 1714, en vroeger, had de Neonomiaanse leer de gemoederen van verscheidene predikanten in de Synode van Fife, waarvan hij lid was, doorzuurd. Dit bleek in het bijzonder op de kansel in de prediking van de voorwaardelijkheid van het genadeverbond met betrekking tot zondaren. Hij begreep, dat dit een omkeren van het Evangelie was, zodat hij dit vrijmoedig tegenstond, en de tegenovergestelde leer handhaafde, dat het voor Christus strikt voorwaardelijk, doch voor zondaren als zodanig, in de gift van Christus en Zijn zegeningen, geheel vrij was.

 

Hij beklaagt die wettische leer in de volgende woorden: “De leerwijze om de orde van de ambten van Christus om te keren en de eerste daad van het geloof tot Christus als Koning te beperken is een manier van handelen, die zeer overeenstemt met de natuur, en die naar het verbond van Adam afvoert. Ik oordeel dan ook, dat de natuur, door de zaligheid door Christus op die wijze te behandelen, zeer versterkt wordt door het krachtig streven van sommigen, die in onze dagen leren, dat het geloof en de bekering nieuwe geboden zijn, die door Christus in het Evangelie worden gegeven, en in de Wet van de tien geboden nooit werden voorgeschreven.” Daarom zeide hij dan ook in een predikatie voor de Synode: “Laten wij ons hoeden, dat wij de verheven verborgenheden van onze heilige godsdienst niet walglijk maken door de voorkeur te geven aan een zedenleer; laten wij de eeuwige gerechtigheid van de Zoon van God hooghouden, als de enige grond van de rechtvaardigmaking van een zondaar, en ons wachten voor alles, wat de minste strekking heeft om een zondaar te bemoedigen in zijn hoop van uit de werken der wet gerechtvaardigd te worden. Laten wil ons daarvoor wachten, dat wij de deur van toegang tot Christus zouden versperren door wettische vereisten te stellen, die nergens zijn te bekomen dan in Christus Zelf.

 

De goede naam van Erskine als een bekwaam en getrouw leraar rees tot een grote hoogte, ook deels door zijn gedrag onder de zware beproeving, die hij doormaakte in betrekking tot zijn verdediging van de leer, uitgedrukt in de “Marrow of Divinity.” Wanneer het Avondmaal werd bediend kwamen zeer vele uitnemende Christenen tot op een afstand van 20 uren naar Portmoak om het bij te wonen. Zo groot was de toeloop van volk, dat er dikwijls buiten de kerk nog twee plaatsen in de open lucht nodig waren. Het was op die tijden een indrukwekkend schouwspel een vergadering van enige duizenden op de helling van de Lommond heuvels te zien zitten, met grote aandacht en ernst luisterende naar de blijde boodschap, die door deze heilige mannen met plechtige belangstelling en tere liefde werd gepredikt. De Heere gaf bij deze gelegenheden zo’n opmerkelijke getuigenis van het woord Zijner genade, dat niet weinigen van hen nog op hun doodsbedden van de heuvels van Portmoak spraken, als van Bethels, waar God hun verscheen en hen zegende.

 

Toen hij nog in Portmoak stond leed Erskine een groot verlies door de dood van zijn geliefde vrouw Alison Turpie, die in Jezus ontsliep na hem tien kinderen gebaard te hebben.

Nadat hij 28 jaren in Portmoak had gestaan werd hij met algemene stemmen in 1731, in Stirling beroepen, waar hij zijn bediening opende met een reeks preken over Jes. 27:16, welke ongemeen gezegend werden tot bekering en opbouwing van velen. Ongeveer in het jaar 1742 werd in de Synode van Fife een besluit aangenomen, waartoe het volgende de aanleiding was. Erskine zegt daarvan: “Sommigen van de protesterende broeders binnen de ring van de Synode, waarvan ik er een was, namen in ons openbaar optreden de gelegenheid waar enkele van die punten in de Geloofsbelijdenis van Westminster te verklaren, welke naar onze mening door het Synodaal besluit van 1720, waarbij de “Marrow” veroordeeld werd, publiek weren losgelaten en te grabbel gegooid. Zoals bijv.:

 

–           Dat de gelovigen van de wet als een verbond der werken zijn vrijgemaakt.

–           Dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen de wet der werken, als een verbond beschouwd, en de wet aangemerkt als de wet van Christus, of een regel van gehoorzaamheid in de hand van Christus.

–           Dat wanneer de wet als een verbond op de gelovige aankomt met de eis van volmaakte gehoorzaamheid als een voorwaarde van het leven, zijn enige toevlucht in dat geval is, dat hij pleit op de volkomen gehoorzaamheid en de volmaakte gerechtigheid van de eeuwig gezegende Borg, en dat die pleitgrond er zo ver vanaf is hem in de plicht te verzwakken, dat het daarvan juist een van de voornaamste bronnen is.

–           Dat er in de natuur van het geloof zelf een vertrouwende verzekering is, of een overreding van het getuigenis van God aangaande Christus met bijzondere toepassing van de ziel zelf; welk getuigenis is, dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft, en dit leven is in zijn Zoon. Wij verstaan door deze verzekering juist hetzelfde wat de Westminster godgeleerden, hoewel daar andere woorden worden gebruikt, een aannemen, toepassen van, en een betrouwen op Christus noemen, zoals Hij ons in het Evangelie wordt aangeboden. Ofschoon het een dwaas en onkundig vitten van sommigen op de leraars is, als zij vragen: Waarom toch zo op het geloof aan gedrongen? Moeten niet andere dingen even noodzakelijk gepredikt worden? antwoord ik: “Andere dingen zijn in hun eigen plaats noodzakelijk, doch het geloof en het geloven in de eerste plaats. Zolang wij u niet tot geloven kunnen brengen, doen wij in het geheel niets; want dit is het fondament van alle godsdienst. U weet dat het dwaas is over het optrekken van de bovenbouw te denken of te spreken, zolang het fondament niet gelegd is.”

 

Over dit gewichtige punt zegt hij verder: “Er wordt in deze tijd over getwist, of de verzekering tot het wezen van het geloof behoort. Ik ben geneigd het niet met de naam van verzekering te noemen, aangezien sommigen daarvoor schrikken; daarom wil ik het liever de zekerheid van het geloof noemen. Ik zag er dan ook alleen dit van, dat een zekerheid van het geloof er niet gemist kan worden, omdat twijfelingen en vrezen er voor verdwijnen. “Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingelovigen?” Hoe het geloof de ziel met blijdschap en vrede kan vervullen, als het geen zekerheid heeft van die dingen, waarin het zich verheugt, zal wel niemand kunnen verklaren. Hoe iemand op Christus kan betrouwen, en Hem en Zijn zaligheid zichzelf kan toepassen, en nochtans niet geloven, dat hij door de genade van Christus zal worden zalig gemaakt, komt mij als een paradox voor. Men moet echter bedenken, dat, hoewel er een zekerheid is in de natuur van het geloof, dat op de belofte Gods in Christus gegrond is, er een groot onderscheid is tussen deze en de zekerheid van weeromstuit, welke sommigen een logische verzekering noemen. Deze laatste is op de bevinding of de gewaarwordingen van de ziel gebouwd. De eerste soort is niet in de natuur van het geloof, zoals onze Belijdenis zegt, maar de laatste soort zekerheid is altijd erkend door alle gereformeerde godgeleerden, zowel binnen als buitenslands, sedert onze gelukkige Reformatie van het Pausdom. Dat er zo’n gift en gave van Christus is aan het verloren menselijk geslacht, welke hun een aanspraak op Hem geeft, die de gevallen engelen niet hebben; ja die iedereen, die het leest of hoort een grond en waarborg geeft om hem aan te nemen.

 

Iemand die er bij tegenwoordig was verhaalt, dat toen op zekere keer het debat in de Synode van Fife hoog gestegen was, omdat enige leden de gift van de Vader van onze Heere Jezus aan zondaren van het menselijk geslacht ontkenden, Erskine opstond en zeide: “Mijnheer de Voorzitter! Onze Heere Jezus zegt Zelf: Mijn Vader geeft u dat ware Brood uit de hemel. Dit sprak Hij tot een gemengde schare, en wie durft zeggen dat Hij onwaarheid sprak.” Deze woorden, en de wijze waarop Erskine die uitsprak, maakten een ongewone indruk op de Synode en op allen, die tegenwoordig waren. Voor zijn vasthouden aan deze leer werd hij ook voor de Algemene Synode gedagvaard.

 

In 1745, toen een krachtige opstand uitbrak tegen de Britse troon, bleef Erskine, evenals in een dergelijk geval in 1715, aan de zijde van de regering. Hij voerde de wapenen ter verdediging van de burgerlijke en godsdienstige vrijheid als Kapitein van een korps vrijwilligers uit Stirling, welke stad door de opstandelingen omsingeld en onophoudelijk verontrust werd. Er zijn nog vele van zijn gezegden in gedachtenis, als: “Ik heb altijd bevonden, dat mijn tijden van zware verdrukkingen mijn beste tijden waren. Ik heb in mijn leven vele stormen doorstaan, maar ik mocht daaronder de vertroosting hebben van een goede God, een goed geweten en een goede zaak.”

 

Toen hij de tijding van de dood van zijn broeders Ralph ontving, zeide hij zeer ontroerd: “Is Ralph heengegaan? Hij is mij tweemaal voor geweest: hij was vóór mij in Christus, en nu is hij mij voor in de heerlijkheid.”  In zijn laatste dagen had hij vele beproevingen in zijn familie. In een brief aan een vriend schreef hij: “Vele van Gods baren zijn over mij heen gegaan, doch ik hoop steeds, dat de Heere des daags Zijn goedertierenheid zal gebieden en des nachts Zijn lied bij mij zal zijn.”

 

Op zijn oude dag, toen zijn gezondheid begon te verminderen, zorgde zijn gemeente, dat hij iemand kreeg om hem in de bediening bij te staan, waartoe zijn neef James Erskine regelmatig beroepen en als zijn collega en opvolger bevestigd werd. Gedurende zijn laatste ziekte, die vele maanden duurde, was hij rustig en opgeruimd, en sprak hij als een levendig Christen. Een van zijn ouderlingen hem bezoekende zeide: “Gij hebt ons vele goede raadgevingen gegeven, doch hoe handelt u nu met uw eigen ziel.” Zijn antwoord was: “Ik handel daarmee juist zo als veertig jaren geleden; ik steun op dat woord, Ik ben de Heere uw God.”

 

Een ander persoon, die zich verwonderde over zijn opgewektheid in het gezicht van de dood, vroeg hem: “Jagen uw zonden u geen vrees aan?” “Och neen”, zei hij, “zolang ik Christus heb gekend, heb ik nooit hoge gedachten gehad van mijn gestalten en plichten, en ben ik niet met slaafse vrees bezet wegens mijn zonden.” Tot sommige vrienden, die hem op een namiddag bezochten. zeide hij: “O vrienden! mijn lichaam is nu een zeer onaangename woning voor mijn ziel geworden; doch wanneer mijn ziel mijn lichaam verlaat zal zij even natuurlijk in Jezus’ schoot vliegen, als een steen naar de aarde zal vallen.”  Tot een bloedverwant zeide hij: “Nu de ouderdom daar is en mijn zwakheden toenemen, zal ik al de dagen van mijn strijd hopen, tot dat mijn verandering komt: uitziende naar de eeuwige dag van de onmiddellijke genieting van de Heere, waar zuchten en zondigen voor eeuwig zullen ophouden.”  Een andere van zijn betrekkingen, die hem kwam bezoeken, zeide: “Ik hoop dat u nu en dan een lichtstraaltje ontvangt, om uw geest in uw verdrukking op te beuren;” waarop hij antwoordde: “Ik weet meer van woorden dan van lichtstraaltjes. Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Het verbond is mijn voorrecht, en als het niet wegens dat gezegend woord zou zijn, dan was mijn sterkte vergaan en mijn hoop van de Heere.”

 

Tot zijn kinderen, die hem oppasten zeide hij: “Al sterf ik, de Heere leeft. Sinds ik dit bed moest houden, heb ik meer van de Heere leren kennen, dan in mijn ganse overige leven.” Hij deelde hen ook mee welke Schriftuurplaatsen de Heere in de loop van zijn leven liefelijk aan hem had toegepast. Zijn huisgenoten begeerden ernstig, dat hij nog eenmaal voor hen zou preken. Hij kwam van zijn bed af en preekte over Job. 19:25: “Want ik weet, mijn Verlosser leeft.” Hij verlangde zeer zijn bediening te eindigen met deze woorden: (Psalm 48:15) “Want deze God is onze God eeuwiglijk en altoos; Hij zal ons geleiden tot de dood toe.” Dit deed hij in zijn kamer van zijn bed af, waarbij hij ook nog een kind doopte. Hij verdroeg veel pijn en ongesteldheid met christelijke lijdzaamheid en onderwerping. De nacht in welke hij stierf zat zijn oudste dochter, Mevr. Fisher, in de kamer waar hij lag, te lezen. Uit een sluimering ontwakende, vroeg hij: “Welk boek zit u te lezen, lieve?” Zij antwoordde: “Uw preek over de woorden: Ik ben de Heere, uw God.” O vrouw! zeide hij, dat is de beste preek, die ik ooit gepreekt heb. Onder het prediken over die tekst werd zowel zijn eigen ziel, als die van zijn hoorders zeer verkwikt. Een weinigje daarna verlangde hij van zijn dochter, dat zij de tafel en de kaars bij zijn bed zou zetten, waarop hij zijn ogen sloot en, zijn hand onder zijn wang leggende rustig en kalm zijn ziel uitblies in de handen van zijn Verlosser, de 2e juni 1754, in het 74e jaar van zijn leven, en het 51e van zijn bediening, waarvan hij 28 jaren te Portmoak, en 23 jaren te Stirling heeft gestaan. Op zijn verlangen werd hij midden in zijn bedehuis tegenover de preekstoel begraven, waar een grote steen zijn graf dekt.

 

Zijn preken zijn in Schotland dikwijls herdrukt. De beroemde Mr. Henry zegt ergens: “Als ik zou lezen, alleen met het oog op mijn stichting, en opbouwing in het ware geloof, wezenlijke vertroosting en heiligheid, zou ik de toevlucht nemen tot Mr. Erskine, en zijn geschriften gebruiken als mijn onderwijzer, gids en huisvriend.” Hij bekende ook aan een intieme vriend, dat hij veel aan Erskine te danken had wegens zijn evangelisch en helder inzicht in de goddelijke waarheid, in het bijzonder in zijn preken over de verzekering des geloofs. Hij was een populair, bij het volk geliefd, prediker in de beste zin. Zijn stijl was bijzonder gepast naar de bekwaamheid van zijn hoorders. Met een mannelijke houding, een heldere stem, een aangename voordracht en een gebiedend oog, hield hij de aandacht van zijn gehoor aan zich gebonden, ook als hij lang preekte, terwijl velen wensten dat het nog langer had geduurd. Als een bewijs van de aandacht van zijn hoorders vertelt men het volgende: Twee mannen kwamen de gehele zomer van Glasgow om hem te horen. Hoewel zij meer dan 32 kilometer moesten reizen waren zij gewoonlijk geheel aandacht. Op zekere keer echter werd een van hen slaperig, waarom hij zijn makker een snuifje vroeg. Deze antwoordde daarop in het vuur van het gevoel waaronder hij zelf verkeerde: “Kerel! er komt een geur uit die preekstoel die, dunkt mij, iedereen wakker moet houden.”

 

Om hiermede te besluiten volgt hier nog een brief van zijn dochter Mrs. Scot, toen te Gateshaw.

 

Geliefde Alice!

“Mijn neef James las mij gisteren uw brief aan hem voor, bij gelegenheid van de dood van uw geliefde oom Ralph, en de wankele toestand van uw vader. Volgens de loop van de natuur was het mijn beurt geweest, om voor hem af te reizen, doch de wil van een goed en vrijmachtig God heeft het anders besloten, en dat ik nog een poosje na hem in deze woestijn zou vertoeven. Het schijnt, dat ik nog niet bekwaam ben om deel te hebben aan de erve der heiligen in het licht, maar dat ik nodig heb in deze woestijn nog wat meer geslagen te worden met de hamer van de verdrukking, voordat ik tot de boventempel en het opperste heiligdom kom; doch wat de Heere doet is goed. Wat de staat van mijn gezondheid betreft, waarover u zo bezorgd bent, ik heb, de Heere zij dank, geen bepaalde ziekte, alleen had ik en heb ik nog steeds zoveel pijn, dat ik niet in staat ben het werk van mijn bediening te verrichten. Ik ben meest aan mijn bed gebonden. Soms kom ik eens op, maar ik ben dan weer spoedig door de pijn gedwongen naar bed te gaan. De ergste pijn gaat dan weer over, zodat mijn bevende hand weer vast wordt, en beide mijn lichaam en mijn gemoed rustiger worden. Deze brief is een bewijs voor wat ik zeg, want ik zit deze in bed te schrijven, leunende op mijn elleboog. Als ik aan de tafel was gaan zitten had ik niet zoveel of zo goed kunnen schrijven. De Heere doet mij van goedertierenheid zingen, want mijn bedstede vertroost mij, en mijn leger neemt van mijn klacht wat weg. Ook word ik, als de arme Job, niet met dromen ontzet en door gezichten verschrikt. Menigmaal zijn mijn overdenkingen van Hem zoet in de stille nachtwaken. Vele, vele malen, zegt de Heere: “Ik ben de Heere, uw God”, en dan volgt: “0 mijn ziel, gij hebt tot de Heere gezegd, Gij zijt mijn God. Ik ben Uwe, o David, en met u ben ik, gij zoon van Isaï.” Mijn elleboog begint vermoeid te worden.”

 

 

Uw liefhebbende vader,

Ebenezer Erskine