Samuel Rutherford

Posted by admin | | zaterdag 25 oktober 2008 10:34 am

Historie van de Schotse Kerk ten tijde van Samuel Rutherford

Korte levensbeschrijving van Samuel Rutherford door J. Howe

 

Citaat over : Gods Koninlijk soeverein recht in de bekering

 

Brief van Westminister synode 1644 aan predikanten in Nederland

 

Christus stervende en zondaren tot zich trekkende – deel 1

 

Christus stervende en zondaren tot zich trekkende – deel 2

 

De leer en de eer van Koning Jezus

.

Gedicht van Rutherford:  Het overwinningsfeestmaal!

 

De slapende Christus ontwaakt door de gebeden

 

Rutherford over Lukas 15 : De gelijkenis van de verloren zoon

 

De 362 brieven van Rutherford – deel 1

 

De 362 brieven van Rutherford – deel 2

 

De 362 brieven van Rutherford – deel 3

 

De 362 brieven van Rutherford – deel 4

 

Levensloop en brief van John Livingstone (aanhangsel bij brieven van Rutherford)

 

L.J. Van Valen :  Samuel Rutherford en personal spirituality

.

Losse predicaties

.

Rutherford over Lukas 14 vs 16-24  Goddelijke dwang.pdf

.

Rutherford over Openb. 19 vs 7-10  De bruiloft des Lams.pdf

.

Rutherford over Openb. 19 vs 11-14  De zegenpralende Christus.pdf

.

Rutherford over Zach. 11 vs 9-13  Christus’ vaarwel.pdf

.

Rutherford over Zach. 13 vs 7-9  Ik zal mijn hand tot de kleinen wenden.pdf

.

Rutherford over Zach. 13 vs 7-9  Zwaard, ontwaakt.pdf

.

Rutherford over 2 Kor. 10:4-5 Want de wapenen van onzen krijg zijn niet vleselijk.pdf

.

Rutherford over Jer. 50 vs 4-5 (I) Wandelende en wenende.pdf

.

Rutherford over Jer. 50 vs 4-5 (II) Wandelende en wenende.pdf

.

Rutherford over Jes. 41 vs 14-16 (I) Vrees niet, gij wormpje Jakobs, gij volkje.pdf

.

Rutherford over Jes. 41 vs 14-16 (II) Vrees niet, gij wormpje Jakobs, gij volkje.pdf

.

Rutherford over Openb. 21 vs 4-8 En God zal alle tranen van hun ogen afwissen.pdf 

 

 

 

 

Samuel Rutherford  (1600 – 1661)

 

Samuel Rutherford werd geboren uit een adellijk geslacht. Na enige tijd het gymnasium bezocht te hebben, ging hij naar de Hogeschool van Edinburgh, waar eenieder verbaasd stond over zijn heldere en schrandere geest, zodat men hoge verwachtingen van hem koesterde. In kort werd hij, hoewel nog jong, professor in de filosofie aan die Universiteit. Enige tijd later werd hij beroepen tot predikant te Anwoth in het graafschap Galloway, welke predikplaats hij verkreeg door de bemoeienissen van de toenmalige burggraaf van Kenmuir, zonder dat de bisschoppen hierin gekend of hun goedkeuring gevraagd werd. Hij werkte nacht en dag met grote naarstigheid en met veel vrucht op zijn arbeid. Hij stond ’s morgens om drie uur op, de tijd doorbrengende met lezen, bidden, schrijven, catechiseren, huisbezoeken afleggen en alles, wat tot de uitoefening van zijn leraarsambt behoorde. Hier schreef hij zijn Exercitationers de Gratia, om welk werk hij in juni 1630 voor het Hoge Gerechtshof te Edinburgh gedaagd werd; maar het weer was die dag zo on­stuimig, dat het de Aartsbisschop van St. Andrews onmogelijk was zich daarheen te begeven, en Mr Colvil, een der rechters, die Mr. Rutherford genegen was, ontbond de rechtszitting. In deze tijd stierf zijn eerste vrouw en hij was zelf gedurende dertien weken zo ziek van een derdedaagsekoorts, dat hij op sabbat maar met moeite preken kon.

 

Opnieuw werd hij in april 1634, na een aanklacht van de bisschop van Galloway, gedreigd met een dagvaarding voor het Hoge Gerechtshof; en dit was niet alleen de reden, dat hij vreesde op lijden te moeten rekenen, maar zoals de Heere voor zijn getrouwe knecht Abraham niet wilde verbergen, hetgeen Hij ging doen, zo had Hij ook niet willen verbergen voor deze zoon van Abraham, wat Hij omtrent hem voorhad. In een brief, welke hij gedateerd heeft 20 april 1633 schreef aan de vrouw van de provoost van Kircudbright, zegt hij, dat hij op 17 en 18 augustus een volledig antwoord had gekregen van zijn Heere, dat hij was een uitverkoren leraar en een uitgezochte pijl in Zijn pijlkoker. Hetgeen hij verwacht had gebeurde, want hij werd opnieuw gedagvaard voor het Hoge Gerechtshof wegens zijn niet vereniging met de Staatskerk, zijn prediken tegen de vijf artikels van Perth en het voornoemde boek Exercitationers Apologetica pro Divina Gratia, welk boek beweerd werd, dat zinspeelde op de Kerk van Schotland. “Maar de waarheid is;” zegt een historieschrijver “dat de inhoud van het boek het Armianis­me ontzenuwd en de Episcopaalse geestelijkheid tot in hun hart verbitterd had, en daarom kon Bisschop Sydserf hem niet langer uitstaan.”

 

Als hij voor het Hoge Gerechtshof kwam, weigerde hij de wettig­heid van de rechtbank te erkennen en wilde hij de kanselier (een geestelijke zijnde) en de bisschoppen hun titels niet geven, ze lords noemende; sommigen hadden de moed het voor hem op te nemen, in het bijzonder de Lord Lorne, later de beroemde Markies van Argyle. Welke zoveel voor hem deed als maar in zijn vermogen was; maar de bisschop dreigde, als hij niet deed, wat hij van hem verlangde, aan de koning te zullen schrijven, en zo liep dit niet goed voor hem af; het gevolg was, dat hij op de 27e juli 1636 ontzet werd van de uitoefening van enig deel van zijn predikambt in het koninkrijk Schotland, onder bedreiging van oproer aangeklaagd te zullen worden en werd hem bevolen zich binnen zes maanden naar Aberdeen te begeven, om aldaar te blijven zolang het de koning zou goeddunken, welk bevel hij ge­hoorzaamde, en begaf hij zich naar de plaats zijner gevangenschap.

 

Uit de Aberdeen schreef hij de meeste zijner vermaarde brieven, uit welke duidelijk blijkt, hoe hij in zijn lijden met de vertroostingen van de Heilige Geest overstort werd. Ja, deze vertroostingen waren dikwijls zo sterk, dat hij schrijft: “Ik heb nooit voor dezen geweten, dat Zijn liefde in zulk een mate kon worden ondervonden. Als Hij mij verlaat, laat Hij mij achter in smart en ziek van liefde en evenwel is mijn ziekte mijn leven en mijn gezondheid. Ik heb een vuur binnen in mij; ik daag al de duivels in de hel en al de bisschoppen in Schotland uit het te blussen.” Hier bleef hij anderhalf jaar en werden de doctors in Aberdeen gewaar, dat de Puriteinen, zoals zij hen noemden, gees­telijken waren zo goed als zij. Te dezer tijd in 1638 vernam hij, dat de Geheime Raad een mededeling had ontvangen, waarin een erkenning van de uitspraak van de Hoge Raad geweigerd werd. Hierop waagde hij het tot zijn kudde in Anwoth terug te keren, waar hij zich weer met al zijn krachten gaf aan de prediking van het Evangelie, zoowel in het openbaar als in de huizen. Van alle zijden stroomde het volk samen tot de plaats, waar hij preekte, zodat daar het gehele land wel tot zijn gemeente gerekend kon worden. Zijn arbeid bleef dan ook niet zonder zegen, en werd dat deel van de oude profetie weer vervuld: In de woestijn zullen wateren uitbarsten en beken in de wildernis (Jes. 35:6). Hij was tegenwoordig in die eerwaarde Vergadering, welke in 1638 te Glasgow belegd werd, waar hij verslag aflegde van zijn wederwaardigheden met betrekking op zijn verbanning en de oorzaken daarvan. In deze vergadering werd hij benoemd tot professor in de Godgeleerdheid aan de Hogeschool te St. Andrew. Zijn collega was Mr. Blair, welke sinds kort ook daarheen verplaatst was. Hier stond de Heere Zijn voortreffelijke en getrouwe knecht weer zodanig bij, dat door zijn onvermoeide ijver, beide in het onderwijzen in de scholen als in het prediken voor de ker­kelijke samenkomsten, St. Andrews de zetel van de aartsbisschop en de bakermat van alle bijgeloof, dwalingen en goddeloosheden, van toen af een Libanon werd, van waaruit cederbomen geno­men werden, om door bijna het gehele land het huis Gods te bouwen. Zeer velen ontvingen het geestelijk leven door middel van zijn bediening, en velen hiervan gingen hem reeds voor naar de hemel, maar ook velen wandelden nog in het licht, waarin hij hen voorging, nadat hij reeds heengegaan was.

 

Terwijl Samuel Rutherford iemand was die eenieder tot voorbeeld gesteld kon worden in de uitoefening der plichten van de godsdienst in het openbaar, was hij ook een beoefenaar en aanmoediger daarvan in het particuliere leven. Zijn beginsel in deze bleek ook in het volgende voorval. Doordat in 1640 door Mr. Henry Guthry, leraar te Stirling, later bisschop van Duneld, een aanklacht bij de Algemene Synode werd ingediend tegen het houden van bijzondere gemeenschappelijke samenkomsten, waarvan het land te dier tijd vol was, ontstond heel wat gedis­cussieer omtrent dit punt. De ene partij stond toe dat men zich zou gedragen naar een geschrift opgesteld door Mr. Henderson, aangevende de orde, welke in deze samenkomsten gevolgd zou worden, maar Guthrie en zijn aanhangers dit tegenstaande, bracht Rutherford, welke liefst zo weinig mogelijk sprak in het beslissen over geschillen, de volgende sluitreden in het midden: “Wat de Schrift toestaat, kan door geen Synode verboden worden, bijzondere samenkomsten met godsdienstige beoging zijn in de Schrift toegestaan: Alsdan spreken die de HEERE vrezen eenieder tot zijn naaste (Mal. 3:16). Belijdt elkander de misdaden en bidt; voor elkander.” (Jak. 5:16). En hoewel de hertog van Seaforth, aldaar tegenwoordig, en die van Guthries partij de goede man hierover verwijtingen toevoegden, was het toch van invloed op de meerderheid der leden, zodat het enige wat de tegenpartij gedaan kon krijgen, was het vaststellen van een voorschrift betreffende de regeling van de huisgodsdienst.

 

Samuel Rutherford was een der Schotse afgevaardigden, welke in 1643 uitgezonden werden om de Vergadering te Westminster bij te wonen. Hij maakte zich hier zeer bemind door zijn weergalo­ze ijver en zijn getrouwheid in het waarnemen van zijns Meesters belangen. Het was in die tijd, dat hij zijn boek Lex Rex uitgaf, verder schreef hij daar nog verscheiden uitnemende werken en geschriften tegen de Erastanen, Anabaptisten, Independenten en andere sekten, die toen het hoofd begonnen op te steken en toe te nemen; en niemand waagde het, het zwaard der verdediging tegen deze kampvechter uit te trekken. Er wordt verhaald, dat toen koning Karel zijn boek Lex Rex gelezen had, hij zei, dat er wel nooit iemand gevonden zou worden, die er een antwoord op zou kunnen geven. Ook is er nooit een antwoord op gekomen, dan dat hetwelk in 1661 het Parlement erop gaf, als zij het door beulshanden liet verbranden nabij het kruis van Edinburgh.

 

Als het voornaamste werk van de Westminster Vergadering de 24e oktober 1647 geregeld geworden was, wenste Mr. Rutherford, dat in de handelingen opgetekend zou worden, dat de Ver­gadering bijgestaan was door de afgevaardigden van de Schotse Kerk, al de tijd als zij beraadslaagde over en in orde stelde deze vier belijdenisschriften, te weten: De Formuliergebeden, een Algemene Geloofsbelijdenis, een Voorschrift voor Kerkbestuur en Discipline, en de Algemene Catechismus. Waaraan voldaan werd ongeveer een week, nadat zij naar Schotland teruggekeerd wa­ren.

 

Toen de geleerde Dematius in 1651 te Utrecht in Holland stierf, werd hij, daar het gerucht van zijn geleerdheid, Godsvrucht en ijver ook tot daar doorgedrongen was, uitgenodigd, om diens plaats als professor in de Godgeleerdheid te vervullen. Hij was hiertoe echter niet te bewegen. Zijn reden hiervoor kan men terugvinden in een brief (Brief 339) die hij in die tijd schreef aan een zijner vrienden, die op het punt stond, het land te verlaten, en wie hij dit in de volgende woorden afraadt: “Ik bid u laat toch de gedachte, om dit land te verlaten, verre van u zijn, ik zie en bevind ook wel, dat de Heere dit gehele land in Zijn toorn met een wolk overdekt heeft, doch hoewel ik ook eenmaal in verzoe­king gebracht werd hetzelfde te doen, verkoos ik toch liever naast een vertoornde Jezus Christus in dit land te blijven, wetende, dat Hij ons kwaad niet bedoelt, dan naar enig Eden of hof hier op aarde te vertrekken.” Hieruit blijkt, dat hij liever verkoos een leven vol smart in zijn eigen vaderland, dan dat hij zijn plicht en zijn kudde zou verlaten in een tijd van gevaar. Hij bleef bij zijn volk tot de dag zijns doods, steeds getrouw zijn ambt waarnemende.

 

Toen in 1650 en 1651 de ongelukkige twisten tussen de Protesters en de Resolutioners ontstonden, koos hij de zijde der eersten, terwijl hij met getrouwheid waarschuwde tegen de dwalingen der tegenpartij; en eveneens gedurende de tijd van Cromwell’s over­heersing getuigde hij tegen de ketterijen, die door diens Akte van gewetensvrijheid overal veld wonnen. Onvermoeid was hij steeds bezig, zodat het wel scheen alsof hij aanhoudend bad, aanhou­dend preekte, aanhoudend catechiseerde. Hij bezocht de zieken en vermaande ze van huis tot huis gaande; hij onderwees in de scholen, en onderhield zich met zijn leerlingen, om ze te bekwa­men voor het leraarsambt. Ja hij geleek wel iemand, die leefde geheel afgezonderd van de wereld om hem heen, en toch schreef hij nog zoveel, alsof hij zich geregeld met dat doel in zijn stu­deervertrek had opgehouden. Maar niet zodra was Karel II weer in zijn koninklijke waardigheid hersteld, of de zaken namen een andere keer. Nadat een exem­plaar van zijn hiervoor genoemd boek Lex Rex nabij het kruis van Edinburgh, en eveneens een voor de deur van de Hogeschool te St. Andrews, waar hij professor in de Godgeleerdheid was, verbrand was geworden, werd in 1661 door het Parlement een Akte van beschuldiging tegen hem ingesteld, en zó meedogenloos waren zij, dat hoewel eenieder wist, dat hij op zijn sterfbed lag, zij hem nochtans dagvaardden, om te Edinburgh voor hen te verschijnen, om zich te verantwoorden betrekkelijk een beschuldi­ging van hoogverraad. Maar hij was reeds geroepen, om voor een hogere rechtbank te verschijnen, waar de Rechter zijn Vriend was.

 

Hij stierf voordat de dag waarop hij verschijnen moest aangebroken was, en zo werd hij weggenomen vóór de dag des kwaads. Men zegt, dat toen de brenger van de dagvaarding bij hem kwam, hij uit zijn bed zei: “Zeg hen, dat ik reeds gedagvaard ben, om voor een hogere Rechter en een verhevener Rechtbank te verschijnen, en ik moet aan de eerste oproeping gevolg geven, en eer dat uw dag verschenen is, zal ik daar zijn, waar weinig koningen en wereldgroten komen.” Toen de tijding teruggebracht werd, dat hij op zijn sterfbed lag, werd het in het Parlement in stemming gebracht, of men hem zou laten sterven als lid van het College (als professor) of niet. De uitslag der stemming was: “werp hem er uit, ” slechts enkelen tegenstemmende. Lord Burleigh zei: “Gij hebt die achtenswaar­dige man uit het College gestemd, maar uit de hemel zult gij hem toch niet kunnen stemmen.” “Wat, ” zeiden sommigen, de hemel zal hij nooit zien, de hel is nog te goed voor hem.” Burleigh ant­woordde: “Ik wenste, dat ik zo zeker van de hemel was als hij, en ik zou mij gelukkig achten, als ik zijn slippen zou mogen aangrijpen, opdat hij mij binnentrekken mocht.”

 

Op zijn sterfbed betreurde hij zeer, dat hij weerhouden geweest was, om te getuigen tegen de tekortkomingen in het werk der reformatie sinds het jaar 1638; en op de 28e februari gaf hij getrouwelijk een ernstig en uitvoerig getuigenis tegen de zondige gebruiken van die tijd, welk getuigenis hij twaalf dagen vóór zijn dood ondertekende, terwijl hij verkeerde in een blijde en vredige gestalte van het gemoed. Gedurende de laatste dagen van zijn ziekte sprak hij een zeer hemelse en aangename taal; en soms brak hij als schielijk uit in een soort van heilige verrukking de Heere Jezus grootmakende en aanprijzende, en wel in het bijzonder als hij zijn einde naderde. Hij riep dikwijls tot de Heere Jezus, Hem noemende zijn gezegende Meester en vorstelijke Koning. Enige dagen vóór zijn dood zei hij: “Ik zal blinken, ik zal Hem zien, zoals Hij is ik zal Hem zien regeren en al Zijn heerlijk gezelschap met Hem; en ik zal mijn ruim aandeel daaraan hebben. Mijn ogen zullen mijn Verlosser zien, ja, deze mijn ogen, en geen vreemde zullen ze zien. Dit moge een groot woord schijnen, maar het is geenszins begoocheling of inbeelding; het is zekere waarheid. Dat de Naam van mijn God maar geprezen worde, en indien Hij het wil, laat dan mijn naam maar verguisd worden, als Hij maar alles zij in allen. Al zou Hij mij tienduizend maal slaan, nochtans zal ik op Hem vertrouwen.” Hij haalde dikwijls aan: Jer. 15:16: “Als Uwe woor­den gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten.” Terwijl hij iemand vermaande tot naarstigheid, om den Heere te zoeken, zei hij: “Het is niet zulk een gemakkelijke zaak een Christen te zijn. Wat mij aangaat, ik heb de overwinning behaald, en Christus strekt Zijn beide armen uit, om mij te omhelzen.”

 

Op een andere tijd zei hij tot zijn vrienden, die om zijn bed stonden: “In het begin van mijn lijden, had ik ook mijn bange ogenblikken zoals andere mensen, vrezende, dat ik zou bezwijken en het geloof niet behouden tot het einde toe. Ik legde dit voor de Heere neer, en zo zeker als Hij ooit in Zijn Woord tot mij heeft gespro­ken, zo zeker heeft Zijn Geest het getuigenis in mijn hart gege­ven, dat Hij mijn lijden had aangezien. Hij zei tot mij: Vreest niet, de uitgang zal niet alleen zijn een oorzaak van gebed, maar ook van lof en dankzegging. Ik zei tot de Heere al zou Hij mij vijfduizend maal, vijf duizend malen slaan, dat ik dan nochtans op Hem zou hopen en vertrouwen; ik sprak dit met een bevend gemoed, vrezende ik mocht het er niet goed afbrengen; maar zo zeker als Hij ooit door Zijn Geest tot mij sprak, gaf Hij getuigenis in mijn ziel, dat Zijn genade mij genoeg zijn zou.”

 

Des don­derdagsnachts vóór zijn dood zeer aangedaan zijnde over de toestand van het land, deed hij deze uitdrukking: “Bevingen grepen mij aan.” Daarna weer zijn eigen toestand overdenkende, zei hij: “Ik schrijf niets op alles, wat Hij mij ooit deed wensen of uitvoe­ren, als zijnde besmet en onvolmaakt, daar het van mij kwam. Ik neem mijn toevlucht tot Christus, om door Hem zowel geheiligd als gerechtvaardigd te worden, herhalende deze woorden van 1 Kor. 1:20: Hij is mij van God gegeven tot wijsheid, rechtvaardig­heid, heiligmaking en verlossing; er bijvoegende: “hiermee besluit ik, dat Hij dit zij voor mij: Hij is mijn alles in allen.”

 

Op de 27e maart bezochten hem drie aanzienlijke vrouwen, en nadat hij haar vermaand had het Woord te lezen, dikwijls te bidden en veel in gemeenschap met God te verkeren, zei hij: “Mijn eerwaardige Meester, mijn grote vorstelijke Koning, mijn bemin­nelijke God heeft mijns gelijke niet, noch in de hemel noch op aarde; en van zijn eigen schulden en zonden, evenals ieder ander zondig mens: maar Hij heeft mij vergiffenis geschonken, liefge­had, afgewassen en mij onuitsprekelijke en hemelse vreugde geschonken. Het berouwt mij niet, dat ik ooit voor Zijn zaak uitgekomen ben. Zij, die men Protesters noemt zijn de getuigen van Jezus Christus. Nooit hoop ik deze zaak te verlaten, noch mij te scharen bij hen, die De Oorzaken van Gods Toorn hebben verbrand. Zij hebben hun verbond meer dan eens of tweemalen verbroken, maar ik geloof, dat de Heere Sion zal bouwen en de verwoeste plaatsen van Jakob zal herstellen. O, mocht de Heere genade schenken, om met Hem te worstelen, om de voorspoed van Zijn Kerk. Wat deze Presbytery betreft, zij heeft zich in deze laatste jaren tegenover mij gesteld. Ik heb mijn Getuige in de hemel, dat ik niet mijn eigen belang beoogde, maar ik zocht de ere Gods, de voorspoed van het Evan­gelie in deze plaats, en het welzijn van het nieuwe College, die Vereniging, welke ik aan de Heere heb opgedragen. Welk per­soonlijk onrecht zij mij ook moge hebben aangedaan, en welke smarten zij mij ook moge hebben veroorzaakt, ik vergeef het hun van harte, en wens dat ik genade ontvangen mag, om vergiffenis en de zaligheid hunner zielen van God af te smeken”

 

Diezelfde dag kwamen James Mc Gill, John Wardlau, William Vilant en Alexander Wedderburne, allen leden van dezelfde pres­bytery als Rutherford, hem bezoeken. Hij heette hen welkom en zei tot hen: “Mijn God en Meester is de Overste van tien duizend, niemand kan met Hem vergeleken worden noch in de hemel noch op de aarde. Lieve broeders, doet alles voor Hem, bidt voor Christus, preekt voor Christus, weidt de kudde u toe betrouwd voor Christus, doet alles voor Christus; wacht u van mensen te behagen, daar is reeds teveel hiervan onder ons. Het nieuwe College heeft mij ’t hart als ’t ware gebroken; ik kan daarvan niets zeggen; ik heb het aan de Heere des Huizes overgegeven; het is steeds geweest en is nog mijn wens, dat Hij in deze leerinrichting moge wonen, en dat de jongelingen hier mogen worden gevoed met gezonde kennis. Lieve broeders, het mocht aanmatigend schijnen indien ik, een enig man, een boodschap zend aan een Presbytery, ” maar als Mr. Mc Gill verzekerd had, dat dit in ’t geheel niet aanmatigend was, ging hij verder: “Lieve Broeders, brengt deze boodschap van mij aan hen: Kom uit voor God en Zijn zaak, houdt u bij de leer van het Covenant, en draagt zorg voor de kudde aan u toebetrouwd; weidt de kudde uit liefde, preekt voor God, bezoekt de gemeente en catechiseer voor God, in één woord doet alles voor God, wacht u van mensen te behagen de opperste Herder zal weldra verschijnen. Ik ben een zon­dig mens geweest en had mijn eigen feilen, maar mijn God heeft mij vergiffenis geschonken. Ik blijf aan de zaak des Heeren en aan het Covenant getrouw, en ben besloten nooit iets terug te nemen van het protest ingediend tegen de onwettige Vergaderingen. Ik sta nog steeds op hetzelfde standpunt als vroeger, en ben er nog altijd voor, dat de regering van de Kerk van Schotland onverdeeld blijve, en zou voor geen duizend werelden de hand gehad willen hebben in het verbranden van De Oorzaken van Gods Toorn. O, dat de Heere genade schenken mocht, om bij Hem te worstelen voor hun behoudenis.”

 

Als Mr. Vilant, voordat zij heengingen, op zijn verzoek een gebed had uitgesproken, belastte hij ze nogmaals de kudde uit liefde te weiden. De volgende ochtend, terwijl hij weer bijkwam uit een bezwij­ming, in welke zij die om hem heen stonden, zijn ontbinding verwacht hadden, zei hij: “Ik gevoel nu, ik gevoel, ik juich en ik ben verblijd, ik word met manna gevoed.” De hooggeachte Mr. Blair tegenwoordig zijnde, gaf hem, daar hij zeer zwak was, een lepel wijn, om hem daardoor wat te verfrissen, zeggende: “Gij geniet de lekkernijen des hemels, en vergeet de versterkingen, die wij hier op aarde u aanbieden.” Hij ant­woordde: “Die zijn niets meer dan mest, doch ze zijn ook schep­selen van Christus, en uit gehoorzaamheid aan Zijn gebod zal ik ze nuttigen. Mijn ogen zullen mijn Verlosser aanschouwen; ik weet, dat Hij ten laatste dage opstaan zal over het stof; ik zal in de wolken opgenomen worden, om Hem te ontmoeten, en ik zal altijd bij Hem zijn; en wat zou u nog meer wensen? Daar is een einde.” En zijn handen uitstrekkende, zei hij weer: “Daar is een einde.” Een weinig later zei hij: “Ik ben van velen verstoten geweest, maar thans sta ik in zulk een veilige doorgang, als waarin ooit iemand was. Christus is de mijne en ik ben de Zijne.” Ook sprak hij veel van de witte steen en de nieuwe naam. Mr. Blair, die hem gaarne hoorde Christus groot maken, zei tot hem: “Wat dunkt u nu van Christus?” Waarop hij antwoordde: “Ik zal leven en Hem aanbidden. Ere, ere zij mijn Schepper en Verlosser voor eeuwig.” Des namiddags van die dag zei hij: “O, dat al mijn broeders in het land wisten welk een Meester ik gediend heb, en welk een vrede ik thans ondervind. Ik zal in Christus ontslapen, en als ik zal opwaken, zal ik verzadigd worden met Zijn beeld. Deze nacht zal de deur sluiten, en mijn anker binnen het voorhangsel liggen en morgenochtend zal ik om vijf uur al slapende van hier gaan;” hetgeen precies zo gebeurde. Hoewel hij zeer zwak was, drukte hij zich dikwijls in dezer voege uit: “O, had ik armen, om Hem te omhelzen! Ach had ik een welluidende harp”

 

Hierop bezocht hem Dr. Colvil, die ook Hoogleraar aan de Universiteit van St. Andrews was, maar zich later schaarde aan de zijde der bisschoppen. Hij vermaande hem, om getrouw te blijven aan de regering van de Kerk van Schotland, en aan de leer van het Covenant, en om de jeugd te voeden met gezonde kennis. Ook zei hij hem, dat hij hem van harte vergaf, al het leed dat hij hem had aangedaan. Op gelijke wijze sprak hij tot Mr. Honeyman, die hem ook was komen bezoeken. Hij zei tot hem: “Zeg de Presbytery, dat zij toch uitkomen voor God en Zijn zaak en het Covenant; het is nog niet hopeloos indien zij hun plicht doen.” Hierop zich in zijn toespraak tot Dr. Colvil en Mr. Honey­man samen richtende, zei hij: “Houdt u daarbij. Gij mocht denken, dat het voor mij, een stervend man, gemakkelijk is zo te spreken, daar ik weldra buiten het bereik zijn zal van alles wat mij de mensen kunnen doen, maar Hij voor Wie ik sta, weet dat ik geen ambtgenoot of broeder iets zou willen aanraden, wat ik niet zelf van harte en ten koste van alles zou opvolgen; en wat betreft: De oorzaken van Gods Toorn, welk boek door de mensen nu ver­oordeeld geworden is, zeg hiervan Mr. Wood uit mijn naam, dat ik liever mijn hoofd zou neerleggen op een schavot, en indien het mogelijk ware, het verscheiden malen zou laten afslaan, dan dat ik niet zou beamen, wat daarin gezegd wordt.” En zich daarop tot Mr. Honeyman wendende, zei hij: “Vertel Mr. Wood, dat ik hem van harte vergeef, alles wat hij mij misdaan heeft, en zeg hem uit mijn naam, dat hij zich betoont te zijn, die hij is, namelijk een aanhanger van de Schotse Kerkregering.”

 

Als daarna sommigen spraken van zijn arbeidzaamheid en getrouwheid in het werk der bediening, zei hij: “Ik reken daar alles niets voor, de haven, waar ik hoop aan te landen is verlos­sing en vergeving door het bloed van Christus; Gij zult mij het pad des levens bekend maken, verzadiging van vreugde is bij Uw aangezicht; daar is nu niets tussen mij en de opstanding dan dit enige: heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.” Als Mr. Blair zei: Zal ik de Heere prijzen voor alles, wat Hij u gedaan heeft en nog doen zal, antwoordde hij: “O, ware ik in het bezit van een welluidende harp.” Tot zijn kind zei hij: “Ik heb u opnieuw aan de Heere opgedragen, wil aan de overigen zeggen, dat mijn snoeren in lieflijke plaatsen gevallen zijn, een schone erfenis is mij geworden. Ik loof den Heere, dat Hij mij raad heeft gegeven”

 

Toen het vijf uur in de morgenstond geworden was, het uur, waarop hij zelf voorzegd had, dat hij sterven zou, werd hem als ’t ware van de hemel toegeroepen: “Kom naar hier, gij gezegende, en gaf hij zijn geest in de handen van zijn Middelaar; zo nam deze onverschrokken arend zijn vlucht naar de bergen van spece­rijen.

 

Aldus stierf de vermaarde Samuel Rutherford, die met recht geteld mag worden onder de martelaars van die tijd, want zeer veel moest hij lijden voor de naam van zijn God. Weinigen lopen zulk een lange loopbaan zonder stil te staan, zo standvastig, zo onvermoeid en zo onberispelijk. Twee eigenschappen, welke men zelden in één persoon ontmoet, waren op een verheven wijze in hem aanwezig, namelijk een scherp vernuft en een gezond verstand; hieraan paarde hij een eenvoudige, maar duidelijke wijze van uitdrukken en een bevallige welsprekendheid, zodat zij die hem kenden, niet konden zeggen wat meer in hem te bewonde­ren, óf zijn scherp vernuft, zijn aangeboren aanleg in het onder wijzen en zijn bijzondere scherpzinnigheid en juistheid in dis­puten en geschilpunten, óf zijn gemeenzame, eenvoudige preektrant, en evenwel zijnde een der krachtigste en meest gevoelvolle predikers uit die tijd. In één woord, hij schijnt een der helderst blinkende lichten geweest te zijn, die ooit aan die horizon verrees. Uit alles, wat hij geschreven heeft, ademt een geest van ware Godsvrucht, maar in zijn overal vermaard geworden brieven, schijnt het wel of hij zichzelf en ieder ander schrijver overtroffen heeft. En hoewel de goddeloze vernuften van die eeuw de spot met dezelve dreven, wegens sommige tedere en gemeenzame uitdrukkingen daarin voorkomende, zal ieder, die enige hoogach­ting heeft voor ware Godzaligheid, bevinden hoe deze brieven overvloeien van uitdrukkingen, welke zijn liefde tot de Heere Jezus te kennen geven, en ieder bedaard, ernstig en Godvruchtig lezer moet erdoor gesticht worden, en als in verwondering staan over de rijkdom der genade, welke hierin uitstraalt.

 

De voornaamste na zijn dood uitgekomen werken zijn:

zijn Brieven; de Beproeving en Zegepraal des Geloofs; Christus Ster­vende en Zondaren tot Zich trekkende; een Leerrede op het Gebed; een Leerrede op het Verbond; op de Vrijheid der Consciëntie; een Nauwkeurig Onderzoek aangaande den Geestelijken Antichrist; een Onderzoek aangaande de Antinomianerij; de Antichrist Be­stormd; en nog verscheiden andere werken over geschilpunten handelende, zoals Lex Rex; het Ware Recht van het Kerkbestuur; het Goddelijk Recht van het Kerkbestuur; een Vreedzaam Pleidooi voor Presbytery; verder nog zijn Kort Begrip aangaande Kerkelijke Discipline, en een Verhandeling aangaande de Goddelijke Wer­kingen van de Heiligen Geest. Ook zijn verscheiden predicaties van hem in druk, van welke sommigen door hem uitgesproken werden voor Vergaderingen van de beide Parlementen in 1644 en 1645. Hij schreef nog een Werk over de Voorzienigheid, dat echter in het Latijn geschreven is, en slechts kwam in de handen van enkelen, zoals zovele van zijn andere werken, welke slechts zel­den opnieuw werden uitgegeven. Ook bestaat er nog een boekdeel behelzende: Preken, Leerredenen aangaande de Sacramenten, enz.

 

 

Opschrift op zijn grafsteen

 

Wat tong, wat pen, vernuft of menselijk vermogen

Kan dien beroemden Rutherford,

Wiens werk nog steeds gezegend wordt,

Naar waarde schatten? Zijn verdiensten juist betogen?

 

Door zijn geleerdheid is zijn roem met recht verheven;

De lof der ware deugdzaamheid,

Ondanks de blaam van haat en nijd,

Heeft zijn naam versierd, verbreid en eer gegeven.

 

Dus mocht hij eindelijk in ’t vol bezit geraken

Van ’t geen ’t geloof hem had ontdekt,

Waarnaar zijn hoop was uitgestrekt.

’t Geen ’t liefdesvuur in hem zo heerlijk had doen blaken.