Want het Koninkrijk Gods is niet gelegen in

Posted by admin | | maandag 12 oktober 2009 2:48 pm

Artikel in pdf – klik hier

 

 

Maar ik zal haast tot u komen, zo de Heere wil, en ik zal dan verstaan, niet de woorden dergenen, die opgeblazen zijn, maar de kracht. Want het Koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden, maar in kracht, 1 Kor. 4:19-20

 

Kanttekeningen :

 

niet de woorden

Dat is, den roem van welsprekendheid, of van kennis in geestelijke zaken.

 

maar de kracht.

Namelijk die zij metterdaad bewijzen in geloof, liefde, en andere Christelijke deugden of gaven, die Gods Geest krachtig werkt; 1 Joh. 3:18.

 

het koninkrijk Gods

Dat is, de staat van een Christenmens, of kind Gods, in hetwelk God Zijn rijk opricht; Rom. 14:17.

 

 

Geliefden, alreeds geruim lange tijd werd ik bij deze betekenisvolle woorden innerlijk bepaald. Maar, ik wist niet, en kon maar moeilijk de inhoud van deze woorden recht verklaren. Ik kreeg ze niet op dogmatische wijze te zien, maar op een pastorale wijze te overdenken. En ik moet u eerlijk bekennen, dat ik daar wel een tijdje voor genomen heb. Want, hoevelen zijn daar niet die het Koninkrijk Gods uit kunnen schilderen met gaven van welsprekendheid, gepaard met een zekere kennis in geestelijke zaken. En toch kunnen zij er niet uit, maar slechts over spreken. Zij spreken over de woorden van de zaken, maar missen de zaken van de woorden in hun harten. Waarom, zult u mij vragen? Omdat zij de zalving en de inwoning des H. Geestes missen, Die alleen in alle Waarheid kan leiden. Deze zielen zijn nimmer verbrijzeld geworden, door de Goddelijke kracht van het heilig Evangelie. Nimmer hebben zij de ware vrede voor hun zielen mogen kennen, nimmer zijn zij in en door een weg van recht en gerechtigheid met God verzoend geworden. Nimmer hebben zij in aanbidding verslonden gelegen in de liefdesarmen Christi Jesu. Nimmer hebben zij het wonder bewonderd, zeggende: ”en dat voor zo één als ik ben…”  Nimmer zijn ze met alles aan een einde gekomen. Nooit hebben zij te samen met de koopman van schone paarlen, alles leren verkopen, om die ene Parel van grote waarde te kunnen kopen, uit vrije genade om niet. Daarentegen zijn er ook zielen die deze zaken juist wel allemaal doorleefd hebben, maar die zichzelf niet kunnen verklaren, en nog minder de opgeblazen woorden zouden weten waarmee ze dat zouden kunnen doen. Zij bezitten de zaken van de woorden, maar missen de woorden om deze zaken voor zichzelf en anderen te kunnen verklaren. En daar loopt het in dit Schriftgedeelte nu juist over. Dat zijn zielen die eruit kunnen spreken hoe zij in een onhoudbare nood voor God gelegen hebben, en hoe er toen een moment in hun leven kwam dat zij niets meer hadden tot voldoening en betaling. Daar werden zij door de Vader getrokken met liefdekoorden tot Zijn heilige Recht, gingen zij verloren, en trad Christus tussen middels de beloftenissen van Zijn heilig Evangelie. Toen hebben zij in de kerk gezeten, en was het of de dominee wegviel, en alleen Christus tot hun arme verloren heeft willen spreken van heil en vrede. Toen lagen zij op hun knietjes, en daalde er zulk een liefelijke vrede af in hun verloren zielen. Een vrede die alle verstand te boven ging. Deze woorden van blijdschap en vrede zijn toen aan hun harten geschonken, en bracht hen een geschonken verzoening met God, waarna er een stille tijd van aanbidding overbleef tot God. Het dal der ootmoed en vrede. Een tijd dat zij bij tijden zelfs konden bidden voor hun vijanden. Vrede met God en hun naasten. Maar ja, wanneer dan de kracht en de zekerheid van die woorden, die met een zeer krachtige liefde gepaard ging, langzaam weer gaat wijken, denken zij al gauw dat dit de vrijmakende daad Gods in hun leven nog niet was geweest. Maar als je aan hen vraagt, of zij deze zaak van heil en vrede, door God in Christus, geschonken aan hun arme verloren zielen, dan durven te ontkennen, zouden ze u antwoorden, dat dán de stenen nog eerder zouden gaan spreken. Kijk lezer, en dit bedoel ik u te zeggen! De Goddelijke kracht van deze sprake Gods durven zij nimmer te ontkennen, maar vanwege pure onkunde, heersende dwalingen, onverstand, en gebrek aan uitleggers, blijven dezulken vaak zeer lang in het donker. Ze zijn ingelijfd door het geloof in het verbroken Lichaam van Christus, hetgeen hen het nieuwe leven uit Hem schonk. De apostel zegt ook iets dergelijks in 1 Thess. 1:5, Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, en in vele verzekerdheid; gelijk gij weet, hoedanigen wij onder u geweest zijn om uwentwil. Kijk lezer, en van deze verbrijzelende kracht, toen de Heere hen door Zijn Woord heeft overmocht. Daar weten ze van, want daar zijn ze bij geweest. Dat dit een sprake Gods in en vanuit het volbrachte werk van Christus was, durven zij niet hardop te zeggen, om de reden dat zij de woorden en de kennis missen om dit te kunnen verklaren. Maar dat zij door die kracht verbrijzeld zijn geworden, dat is een ding die zij nimmer zullen vergeten. Ik herinner me een man die ik vrij goed mag kennen, die destijds op een zondagavond als een gewaterde hof de kerk uitkwam. Waarop een kind van God hem aanschoot, en hem vroeg hoe hij had mogen kerken. Waarop deze man zei: “God kan, vanwege Zijn eeuwige liefde, nooit meer van me af….” Dit was zijn geloofszekerheid! Zo verslonden lag hij in het eeuwige welbehagen Gods. God had tot zijn ziel van heil en vrede gesproken. Door welke woorden weet ik niet. Maar de vrucht was aanbidding en dankbaarheid tot Hem. Aan zijn zielevreugde kon je aflezen, dat daar een onhoudbare nood aan vooraf was gegaan. Deze man liep in het wonder, omdat God een wonder van genade in zijn ziel had willen verheerlijken. Kijk lezer, toen de kracht van dat wonder ging wijken heeft deze man de rest van zijn leven, helaas weinig meer kunnen getuigen, vanwege dat hij de woorden van de zaken miste, ondanks dat hij de zaken van de woorden wel uit vrije genade heeft mogen ontvangen. En nu is deze man, door onkunde, gevallen in ongeloof, waarna de wereldgelijkvormigheid ook vat op hem kreeg, en hij geestelijk verschraalde, en tenslotte in de duistere holen en gevangenhuizen terecht kwam, waarvan de profeet Jesaja heeft gezegd, waaruit hij zichzelf nimmer kon verlossen. “Maar nu is het een beroofd en geplunderd volk; zij zijn allen verstrikt in de holen, en verstoken in de gevangenhuizen; zij zijn tot een roof geworden, en er is niemand, die ze redt; tot een plundering, en niemand zegt: Geeft ze weder. Wie onder ulieden neemt zulks ter oren? Wie merkt op en hoort, wat hierna zijn zal? Wie heeft Jakob tot een plundering overgegeven, en Israel den rovers? Is het niet de HEERE, Hij, tegen Wien wij gezondigd hebben? Want zij wilden niet wandelen in Zijn wegen, en zij hoorden niet naar Zijn wet, Jes. 42:22-24.”

 

Maar de kracht waarmee zijn ziel destijds verbrijzeld is geworden, zal en kan deze man nimmermeer vergeten, Jes. 57:15. Maar waar zijn nu de mannen die deze zielen gedenken. Wie kan ze verklaren vanuit het Woord? Wie haalt ze uit hun holen, en gevangenhuizen, waarin ze zelf zijn teruggekeerd. Wie haalt ze uit het donker, en brengt hen bij vernieuwing tot het licht, om hen te doen onderwijzen over de ontvangen genade en het geschonken Licht dat zij In Hem deelachtig zijn geworden. Want, een mens verkeert in het rijk van het Licht, of in het rijk van de duisternis, onder de dienstbaarheid der wet of onder de vrijheid van de genade Gods in Christus. Een tussenweg is er niet. Maar, toch lijkt en schijnt er bij deze zielen een tussenweg. Een weg die zij zelf verkozen hebben door hun verfoeilijke ongeloof, of door hun onkunde, en noem verder maar op. Want, aan het heldere spreken des Heeren heeft het toch zeker niet gelegen. De apostel Paulus zegt in Rom. 1 vers 16 : “Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft…”  Geldt hen dit dan ook niet? Jawel, ze zijn verbrijzeld door die kracht, maar durven niet in de vrijheid te staan, waarmede Christus hen in vrijheid heeft gezet, Gal. 5:1. En doordat zij onder een nieuw juk der dienstbaarheid zijn gekomen, door eigenschuld of door anderen, verkeren zij in donkere duisternis. Let wel, ik spreek hier over geestelijk gestorven zielen hoor!, Rom. 6:4-8. Want, die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonden. Zij weten wel met welke woorden van vrede dat Kindeke Jezus in hun arme verloren ziel geboren is geworden. Deze zaak was de zekerheids des geloofs. Want, hier zijn ze zelf bij geweest. Maar ze missen de zekerheid des gevoels, en klagen het dagelijks uit : “Heere, schenk nog eens licht, en bekeer me, zo zal ik bekeerd zijn…”

 

Maar lees hier eens in Ezechiël 34: 2-12 wat God zegt over die ontrouwe leraren die gedurig zichzelf weiden, en hun kudde vergeten. “Mensenkind! profeteer tegen de herders van Israel; profeteer en zeg tot hen, tot de herders: Alzo zegt de Heere HEERE: Wee den herderen Israels, die zichzelven weiden! zullen niet de herders de schapen weiden? Gij eet het vette, en bekleedt u met de wol, gij slacht het gemeste, maar de schapen weidt gij niet. De zwakke sterkt gij niet, en het kranke heelt gij niet, en het gebrokene verbindt gij niet, en het weggedrevene brengt gij niet weder, en het verlorene zoekt gij niet; maar gij heerst over hen met strengheid en met hardigheid. Alzo zijn zij verstrooid, omdat er geen herder is; en zij zijn als het wild gedierte des velds tot spijze geworden, dewijl zij verstrooid waren. Mijn schapen dolen op alle bergen en op allen hogen heuvel, ja, Mijn schapen zijn verstrooid op den gansen aardbodem; en er is niemand, die er naar vraagt, en niemand, die ze zoekt. Daarom, gij herders! hoort des HEEREN woord! Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik niet! Omdat Mijn schapen geworden zijn tot een roof, en Mijn schapen al het wild gedierte des velds tot spijze geworden zijn, omdat er geen herder is, en Mijn herders naar Mijn schapen niet vragen; en de herders weiden zichzelven, maar Mijn schapen weiden zij niet; Daarom, gij herders! hoort des HEEREN woord! Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik wil aan de herders, en zal Mijn schapen van hun hand eisen, en zal ze van het weiden der schapen doen ophouden, zodat de herders zichzelven niet meer zullen weiden; en Ik zal Mijn schapen uit hun mond rukken, zodat zij hun niet meer tot spijze zullen zijn. Want zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik, ja, Ik zal naar Mijn schapen vragen, en zal ze opzoeken. Gelijk een herder zijn kudde opzoekt, ten dage als hij in het midden zijner verspreide schapen is, alzo zal Ik Mijn schapen opzoeken; en Ik zal ze redden uit al de plaatsen, waarhenen zij verstrooid zijn, ten dage der wolke en der donkerheid.”

 

Werkelijk geen geringe zaak, wanneer iemand zich geroepen mag weten tot het leraarsambt, knecht- en herderschap, en zondanig de weggedreven kinderen des Heeren vergeten, c.q. niet opmerken, en daardoor niet weten te vertroosten. Wellicht omdat het liefst over hun eigen bekering spreken, of hoe zuiver, of met welke gaven zij het Woord mogen verkondigen, Matth. 21:13, Markus 11:17. Want zij zoeken allen het hunne, niet hetgeen van Christus Jezus is, Fil. 2:21. Dit is nu zelfweiding, lezer. Predik het Woord, beveelt hen den Heere. En behoren juist deze dingen daar niet bij? Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen. Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des HEEREN dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden, Jes. 40:1-2. Want het Koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden, maar in kracht, zegt de apostel. De kracht waarmee dus die woorden van verlossing in hun ziel afdaalde, en waardoor zij in de baarkamer van hun arme ziel, het Kindeke Jezus hebben mogen baren, kunnen zij nimmer vergeten. Zij durven het er echter niet voor te houden. Zij kennen de zaken van deze woorden uit Joh. 16:21, een vrouw, wanneer zij baart, heeft droefheid, dewijl haar ure gekomen is; maar wanneer zij het kindeken gebaard heeft, zo gedenkt zij de benauwdheid niet meer, om de blijdschap, dat een mens ter wereld geboren is. Zij weten van die droefheid en smart, en van die barensweeën, maar kunnen het zielsbevindelijk niet verklaren. En toch kennen zij de kracht waarmee en waardoor dat alles is geschiedt. Ze zijn er getuigen van geweest, hoe de Heilige Geest, daar in dat uurtje der minne, onwederstandelijk Zijn liefde kwam in te storten, waardoor Hij dat door die Woorden Gods, dat Kindeke Jezus in hun ziel kwam te leggen. Maar nu het punt! Zij durven het niet voor dat geboren Kindeke te houden. De geleerdste arts, maar ook de meest ervaren verloskundige, die in hun leven zelf nimmer een kindje hebben gebaard, kunnen niet verklaren wat een vrouw lichamelijk ondergaat, wanneer haar ure is gekomen om haar kindje te baren. Zij kunnen het medisch een weinig verklaren, over wat er in het vrouwelijke lichaam omgaat, maar zij kunnen er niet uit spreken. Wanneer die vrouw aan die geleerde arts zal vragen, waarom een wee zo’n pijn doet, zal deze arts haar bijv. het volgende medische antwoord geven: “Omdat de baarmoedermond erg gevoelig is en die wordt nu onder druk geopend. Bovendien hangt de baarmoeder aan banden aan het bekken. De banden staan erg onder spanning omdat de baarmoeder gegroeid is. Als de baarmoeder samentrekt, tijdens een wee, komt er nog meer spanning op die banden, wat pijn geeft. Omdat de banden van de baarmoeder naar diverse plekken van het bekken lopen, hierdoor kan de pijn op verschillende plaatsen zitten. De ene barende heeft vooral pijn in de buurt van het schaambot, terwijl een ander lage rugpijn heeft, die ook kan uitstralen naar de benen.”

 

Maar zelf kent de arts die smarten en benauwdheden van deze barensweeën niet. De arts kan er over, maar niet uit spreken. Hij kent de krachten niet waarmee en waardoor dit alles geschiedt. Nog minder kent deze arts ook maar iets van de blijdschap en vrede die een moeder mag kennen, wanneer haar gebaarde kindje op haar borsten wordt gelegd. De arts kan zich hier wel iets van voorstellen van de blijdschap en vreugde, maar hij/zij kan er niet in komen, omdat hij de smartelijke pijnen en diepten van benauwdheden nooit heeft ervaren. Hij kan de diepte van die smarten en benauwdheden, blijdschap en vrede niet peilen. Kijk lezer, dit zijn nu de lieden die het wel met knappe, geleerde theologische woorden allemaal kunnen verklaren, maar niet uit het wonder kunnen spreken. Zij kennen dus, net als die arts, slechts de woorden van de zaken. Kunt u nu de profeet Jesaja een weinig meer begrijpen, wanneer hij schreef: “Alzo zullen de vrijgekochten des HEEREN wederkeren, en met gejuich tot Sion komen; en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vreugde en blijdschap zullen zij aangrijpen, treuring en zuchting zullen wegvlieden, Jes. 51:11”   

 

Misschien mogen we hier nu even een korte punt zetten. Sela! Want, ik neem u in gedachten nog even mee terug naar die barende moeder. We gaan haar iets vragen. ‘In Gen. 3 vers 16 staat geschreven dat door de zondeval de vrouw haar kinderen met smarten zal baren. Wel moedertje, toen u daarstraks zo uw kindje mocht baren, heeft u er toen nog bij stilgestaan dat u aan den lijve teruggeleidt werd in het paradijs, en daarom uw kindje met smarten moest baren?’ De moeder zal misschien de woorden missen om deze zaak te kunnen verklaren, maar toch heeft ze deze zaak wel degelijk aan den lijve doorleefd! Begrijpt u, geliefde lezer? Geestelijk is dat bij dat zwakgerechtvaardigde volk, precies eender. Ze zijn door het geloof terug geleid in Adam ingelijfd door dat zaligmakende geloof in Zijn verbroken Lichaam, en konden, mochten, moesten toen die sprake Gods voor zichzelf geloven. Maar, door het vervloekte ongeloof waarin ze vaak vervallen, of eerder genoemde redenen durven zij het daarna helaas niet meer te geloven, dat het deze woorden waren die hen in vrijheid stelden, Gal. 5:1. Om deze redenen zeiden sommigen van onze vaderen weleens dat velen van Gods volk nimmer tot de zekerheid des geloofs komen. Hiermee bedoelden zij echter: de zekerheid des gevoels! Dat is licht over ontvangen genade. Er is echter geen oudvader geweest, die geschreven heeft dat velen van Gods volk nimmer tot de kennis van Christus zullen komen. Daar roept iemand mij toe: ‘beste schrijver, wat is dan het verschil? Wanneer iemand tot de kennis van Christus komt, dan is daar toch immer een bepaalde zekerheid door het geloof?’ Ja natuurlijk, dat heb ik u ook proberen te omschrijven. De kennis van Christus is die verbrijzelende kracht, waardoor Christus is hun verloren ziel geboren werd. Dat waren die woorden die God toen op dat moment tot hen kwam te spreken. Dat was Christus, en daar kwam God in Christus in over. Kijk, en daar op dat moment is het voor zo’n ziel werkelijk onmogelijk om niet kunnen geloven. Daar vermoord het geloof het ongeloof. Daar moet hij het geloven! Om de reden dat die ziel door dat geloof, door die kracht, werkende door die liefde, is ingelijfd in Christus. Maar we spreken nu dus over het staan in de vrijheid van het Evangelie. Hier heeft de ziel licht over licht, genade over genade ontvangen, en heeft hij mogen zien wat hij in en door Christus Jezus deelachtig is geworden. Maar, wanneer een ziel die verbrijzelende kracht en die sprake Gods, op datzelfde moment, dus wel mag kennen, is dat de zekerheid van zijn geloof. Hij kan dit nimmermeer vergeten. Zij hebben hierdoor ook een levende en gegronde hoop op het eeuwige leven mogen krijgen. Dit kan niemand hen afnemen, of eruit slaan. Dit is er namelijk door God Zelf ingelegd. Maar, wanneer God dit nu eens, of meerdere malen heeft willen bevestigen, dán krijgt zo’n ziel daardoor ook de zekerheid des gevoels. De zielen waar ik dus op doel, zijn gerechtvaardigde zielen die de zekerheid des gevoels wel eens middels een klein of zwak geloof hebben mogen beoefenen, maar dit weer zijn kwijt geraakt. Want lezer, vroeg of laat komt God altijd terug op Zijn eigen gewrochte werk in Christus. Helaas zijn zeer velen in onze dagen, met deze goedbedoelde uitspraken van onze vaderen een verkeerde kan mee op gegaan. Zij redeneren als volgt: “ik ben een weinig overtuigd geworden van mijn schuld en zonden, heb het voor God ook weleens uit mogen wenen, heb mijn leven voor zoveel als mogelijk gereformeerd, wat vroeger een lust was is nu een last, heb het Woord lief gekregen, ga graag naar de kerk, heb Gods volk lief gekregen, maar ik ken Christus nog niet. Maar, de oudvaders hebben deze kenmerken van Gods volk toch vaak opgesomd, met de vermelding erbij dat niet een ieder tot de zekerheid van schuldvergeving zal komen.” Ja lezer, met dit alles houden zeer velen zich voor een kind Gods. Hoevelen bedriegen zich hiermee op weg en reis naar die nimmereindigende eeuwigheid. Zij kennen een wettisch berouw, waarmee zij zich schuldig weten tegenover Gods heilige Wet, maar ook tegenover de Majesteit Gods. Maar, van een evangelisch berouw weten zij niet van. Lees hier wat de profeet Jeremia schreef: Zekerlijk, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelven ben bekend gemaakt, heb ik op de heup geklopt, ik ben beschaamd, ja, ook schaamrood geworden, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb, Jer. 31:19. Kijk lezer, hier schrijft de profeet zeer duidelijk, nadat hij (door God) bekeerd was geworden, hij berouw kreeg. Een dergelijk berouw staat omschreven in Zach. 12:10, Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene.

 

Geliefden, hier is de zondaar verloren gegaan voor God, en beweent hij, met een evangelisch berouw, middels de ingestorte evangelische liefde de wonden Christi. Zulk een berouw van schuld en zonden doet alleen zijn vonnis mijnen, lezer. Hier wordt de ziel voor en onder God verbrijzeld, waarvan de profeet Jesaja heeft geschreven: Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden, Jes. 57:15. Misschien is daar nu een lezer, die zich innerlijk afvraagt: ‘gaat het dan altijd om die smarten, en om die doorleefde ellende?’ Nee lezer, het gaat niet om voorwaarden, maar het gaat er niet buitenom. Het gaat echter alleen om het levende Kindeke dat in uw en mijn ziel geboren moet worden. Want, wijs mij eens één moeder aan die het nog over haar nood en benauwdheid heeft, wanneer haar kindje eenmaal geboren is geworden. Alzo kent dat schuchtere volk, dat zichzelf niet kan verklaren, ook de kracht van die geestelijke barensweeën. Ze zijn geestelijk geperst geworden, en toen het voor hen niet meer kon, en zij gekomen waren aan het einde van al hun krachten en gerechtigheden voor God, werd Christus in hun arme ziel geboren. Toen zijn ze innerlijk zo verblijd geweest, en hebben zij vanbinnen feest gevierd, toen ze wenend aan Zijn kribbe hebben mogen liggen. Toen hebben zij Hem bewonderd, in de woorden die Hij van vrede en zaligheid tot hen wilde spreken. Zij hebben het geestelijk gezien, hoe Hij daar in een voerbak voor beesten wilden gaan liggen. Om voer en eten te worden van zondige beesten voor God, neemt, eet, dit is Mijn Lichaam. Hoe diep en hoeveel zij daarvan door het geloof geestelijk hebben mogen eten, kan verschillen. Want, een korst of een kruimel brood is immers ook Brood. Maar, dit is zeker wel waar, hoe dieper de nood, hoe groter de vrede en blijdschap die overblijft…

 

Daarom zal een ziel die met een groot en sterk geloof in Hem is ingelijfd, minder snel in vertwijfelingen vervallen, dan een ziel die in Hem is ingelijfd middels een zwak en klein-geloof. Ik zal u een paar voorbeelden uit de praktijk proberen te noemen, over zo’n schuchtere ziel die zichzelf ook niet kon verklaren. Een man die in het Licht heeft mogen staan, maar door omstandigheden weer in het donker terecht was gekomen. Onlangs vertelde een godvrezende vriend van me dat hij op bij iemand op bezoek was geweest in Urk, waarvan hij mocht geloven dat het een kind Gods was. Deze man was een kennis van zijn vriend, die hem voorstelde eens bij hem langs te gaan. Zo gezegd, zo gedaan. Toen ze er waren, was er niet zo veel ruimte om diepzinnig over geestelijke zaken te spreken, vanwege dat z’n huisje vol zat met Jan en alleman, Pred. 10:1. Maar die vriend van me, kreeg een betrekking op die man uit Urk, en kreeg het in zijn hart deze man nog eens te willen ontmoeten. Dit heeft hij enkele weken daarna gedaan. Toen hij bij hem aanbelde was die man alleen thuis. Hij vertelde m’n vriend dat het misschien nu niet zo gelegen kwam, om de reden dat hij ziek op bed lag. Waarop mijn vriend hem zei, dat hij niet op visite kwam, maar juist op ziekenbezoek….(glimlach). Ze raakten tenslotte aan de praat over het geestelijke, en mijn vriend lokte deze man een beetje uit zijn geestelijke tentje, om toch te weten te mogen komen wat de Heere in deze man had willen werken. Waarop die man begint te vertellen, hoe de Heere hem stil had gezet, en hij zijn zonden voor God kreeg te bewenen, zijn leven ging trachten op te knappen, noem verder maar op. Tenslotte werd deze man met alles aan een einde gebracht, waarbij God betaling kwam te eisen, en hij niets meer tot betaling had, verloren ging voor God, en Christus overkwam met woorden uit Jesaja. Welke woorden weet ik niet meer precies. Maar het waren woorden van heil en vrede, voor die man die hij kreeg in de nood en dood van zijn bestaan. Waarna er een vrede en aanbidding overbleef, die alle verstand te boven ging. Maar dat ging na verloop weer over, de kracht was eruit, maar geen leed zou het ooit uit zijn geheugen kunnen wissen, wat den Heere daar tot hem had willen spreken. Wat wil nu het geval? Deze man krijgt huisbezoek van een paar ouderlingen, die van hem te horen kregen wat den Heere tot hem had willen spreken. Waarop die ouderlingen hem aanhoorden, en tenslotte zeiden, dat dit de zaak (nog) niet was, het was Kerstfeest geworden, maar het moest nog wel Golgotha worden, wilde het wel zijn voor de eeuwigheid. Deze man bleef achter in zak en as, en kwam door deze vreselijke onderwijzingen weer in donker terecht, en bleef daar, bijna tot aan het einde van zijn leven in zitten. Totdat hij bijna moest gaan sterven, bestuurde de Heere het zo, dat mijn vriend hem eens wilde spreken, en hem mocht gaan verklaren vanuit de stondelijke heilsleer, die ook de apostelen en de reformatoren mochten leren. Hij verklaarde hem Gods heilige recht in zijn leven, namelijk dat God middels dit recht betaling kwam te eisen, en hij werkelijk niets meer tot betaling had, waarop Christus overkwam middels de beloftenissen uit Jesaja om voor hem te betalen, waarna er een oceaan van hemelse liefde en vrede in zijn ziel overbleef tot God in Christus. Kijk, zei hij, dit was nou de vrucht, die er volgde toen Christus je van je ellende wilde verlossen. De ellende voor deze man was, dat hij vanuit een onhoudbare nood niets meer had tot een volkomen betaling, die God opeiste in zijn arme verloren ziel. God kwam in deze eenvoudige woorden mee, waarna ze samen van verwondering aan zijn bedje hebben zitten wenen, van blijdschap en verheuging. Enige weken later wilde mijn vriend deze man nog eens opzoeken, maar hij kreeg een telefoontje dat ze hem dood naast zijn bed hadden gevonden. Maar nu is het een beroofd en geplunderd volk; zij zijn allen verstrikt in de holen, en verstoken in de gevangenhuizen; zij zijn tot een roof geworden, en er is niemand, die ze redt; tot een plundering, en niemand zegt: Geeft ze weder. Wie onder ulieden neemt zulks ter oren? Wie merkt op en hoort, wat hierna zijn zal? Wie heeft Jakob tot een plundering overgegeven, en Israel den rovers? Is het niet de HEERE, Hij, tegen Wien wij gezondigd hebben? Want zij wilden niet wandelen in Zijn wegen, en zij hoorden niet naar Zijn wet, Jes. 42:22-24.

Ik zal u nog een iets vertellen. Enige tijd geleden was ik in het noorden des lands, bij een oude man op bezoek. Ik kreeg betrekking op hem, waarom weet ik niet. Telkens als we het over het goeie hadden, weende hij. Hij was een man van weinig woorden. Hij vertelde me over zijn vader. Het volk van God had hem destijds over zijn vader verteld, dat hij met de innerlijk noodschreeuw van Esther tot de tafel van de Koning (HA) was gegaan, “kom ik om, zo kom ik om, maar ik zal mijn Rechter om genade smeken.” Meer wist hij van zijn vader niet. Over zijn moeder vertelde hij me, dat hij haar eens achter in de stal wenende op haar knietjes had zien kruipen. Na enige tijd stond zij op, en ging op een kruiwagen zitten, zeggende: “het is vrede, het is alles vrede…” Hij vertelde me dat ze zelfs vrede met de bloempjes in haar tuintje mocht hebben. Waarop ik hem zei: ‘dan heb ik een goede hoop voor uw beide ouders. Want Christus zegt, wie tot Mij komt, zal ik geenszins uitwerpen.’ Ik was daar met een kennis van me. Deze man had later aan die kennis van mij gezegd, dat hij dit nog nooit had gehoord, en zeer verblijd was, dat ik dit over zijn ouders had mogen opmerken. Deze mensen waren zwakgerechtvaardigden, c.q. kleingelovigen, die het er nimmer voor hebben durven houden. Nimmer zijn ze tot de zekerheid des gevoels gekomen, dewelke sommigen van onze vaderen wel hebben gedreven. Dit heeft deze zielen nooit uit de hemel gehouden, maar wél de hemelse vertroosting uit hun hart gehouden. Want, waar de ziel denkt nog bepaalde zaken te MOETEN ontvangen, blijft hij in wettische dienstbaarheid, en kan het Evangelie geen kracht doen. Hoevelen van dat zwakgerechtvaardigde volk, denken werkelijk dat zij letterlijk die woorden moet krijgen zoals: “ga heen, u zonden zijn u vergeven…” Met de woorden die Christus sprak tot de Samaritaanse vrouw: “Ik ben het Die met u spreekt”, of de woorden die Hij sprak tot de blindgeborene: “En gij hebt Hem gezien, en Die met u spreekt, Dezelve is het”, durven zij het niet te wagen. Dat hier een verlossing in verborgen ligt, kunnen zij zich maar nauwelijks voorstellen. Hoe komt dat? Omdat ze verpest en bevuild zijn geworden door de dwaal- en de leugenleringen van de hedendaagse leraren. Ik heb hier eens een dominee op aangesproken, die ook dacht dat de woorden van Christus tot de Samaritaanse vrouw niet verlossend van aard waren. Ook hij durfde te beweren dat deze vrouw met zulk een geopenbaarde Middelaar nog de dood in moest. Ja lezer, vreselijk toch, wanneer we onder zulk een leraar moeten verkeren. Kunt u begrijpen dat er door zulk een slechte vertroosters, die deze dwaasheden verkondigen, slechts maar weinigen tot de zekerheid des gevoels komen. Ja lezer, zo hebben vele leraren van het huis des gebeds een huis der moordenaren gemaakt, Luk. 19:46. Want, met zulk soort uitspraken en leugenleringen vermoorden zij Gods volk, op een niet geringe geestelijke wijze. Bedoeld of onbedoeld, kan me werkelijk niets schelen! Want, wanneer een knecht niet meer weet wat hij zeggen of zwijgen moet, kan hij beter wat anders gaan doen. Hij staat daar als heraut, tussen God en het volk, met het geestelijke Zwaard van Gods Woord in zijn handen. Waarmee hij in zijn bediening het geestelijke kaf van het koren dient te scheiden. Maar, kijk nu eens naar de vrucht van beider geloof, de blindgeborene aanbad Hem, Joh. 9:38, en de Samaritaanse vrouw mocht van Hem als volgt gaan getuigen: Komt, ziet een Mens, Die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus? Van dit geloof heeft de apostel Johannes in zijn zendbrief betuigt: Een iegelijk, die gelooft, dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren; en een iegelijk, die liefheeft Dengene, Die geboren heeft, die heeft ook lief dengene, die uit Hem geboren is, 1 Joh. 5:1.    

 

“En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben! Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan? En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was. En zij kwamen nabij het vlek, daar zij naar toegingen; en Hij hield Zich, alsof Hij verder gaan zou. En zij dwongen Hem, zeggende: Blijf met ons; want het is bij den avond, en de dag is gedaald. En Hij ging in, om met hen te blijven. En het geschiedde, als Hij met hen aanzat, nam Hij het brood, en zegende het, en als Hij het gebroken had, gaf Hij het hun. En hun ogen werden geopend, en zij kenden Hem; en Hij kwam weg uit hun gezicht. En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, als Hij tot ons sprak op den weg, en als Hij ons de Schriften opende?” Amen

 

 

 

D.J. Kleen