De kandelaar in Nederland van zijn plaats geweerd

Posted by admin | Meditaties | vrijdag 9 januari 2009 7:06 pm

Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leraars opgaderen, naar hun eigen begeerlijkheden; En zullen hun gehoor van de waarheid afwenden, en zullen zich keren tot fabelen. Maar gij, wees wakker in alles, lijd verdrukkingen; doe het werk van een evangelist, maak, dat men van uw dienst ten volle verzekerd zij, 2 Tim. 4 vers 3-5.

22 stellingen tegen de roomse praktijk in onze kerken

1. De grote hervormer Maarten Luther stelde op grond van Gods Woord dat de kerk valt of staat met het stuk van de rechtvaardigmaking, ofwel de kennis van de vergeving der zonden.

2. De kerk is en blijft des Heeren, maar ze is verzonken in, en wordt in stand gehouden en onderhouden door, een valse wedergeboorteleer waarin het metterdaad in Christus Jezus geloven tot verlossing, zaligheid en vrede, van het geplante geloof gescheiden is geworden. Volgens deze valse leer kan iemand wederom geboren zijn en door een (verondersteld) geloof in Christus zijn ingelijfd, maar echter geen kennis aan Hem hebben, en de vergeving der zonden nog missen. Het geloof in Gods heilige wet houdt men alrede voor, (of vermengd men met), het geloof in de beloftenissen des Evangeliums.

3. Door deze valse leer, die de overtuigingen der wet ten leve en tot een heimelijke verzoening leert, Gal. 3:21, worden de dienstbaren in vrijheid gesproken en zit Gods verloste volk in het donker te treuren. Het is een gruwelijke vermenging van Wet en Evangelie, waardoor de rechten en de deugden Gods geschonden, onteert en ontheiligt worden, en de verworven kroonrechten van Christus op de straten worden geworpen.

4. De Wet moet gepreekt worden tot ontdekking en doding, en het Evangelie tot bedekking en levendmaking. Calvijn stelde derhalve op grond van Gods Woord dat het ware geloof uit een stondelijke doding en levendmaking bestaat, (Rom. 6:7). Waar God in Zijn heilig gericht des hemels door Zijn heilige wet Zijn beeld van wijsheid, gerechtigheid en heiligheid in het hart van een zondaar opeist, daar verdrinkt de gedaagde zondaar als in een punt des tijds in zijn onwijsheid, onheiligheid en ongerechtigheid voor God. Op deze wijze maakt God hem, door hem te voeren met smeking en een hartverscheurend berouw over zijn bedreven zonden en zijn ongeloof, vatbaar voor de wijsheid, de gerechtigheid, de heiligheid van Christus….toegepast door God den Heilige Geest. God stelt hem schuldig jegens Zijn wet vanwege zijn bedreven zonden maar ook schuldig jegens het Evangelie vanwege zijn vervloekte ongeloof. Er is dus geen leven (uit Christus) voor de rechtvaardigmaking. De ontdekking der wet maakt de zonden levend in het hart van een ontwaakte zondaar. Als hier geen dodelijke afsnijding opvolgt door het geloof in Gods heilige wet, gewerkt door de Geest der dienstbaarheid, kan er ook geen levendmakende inlijving door het geloof in Christus aan verbonden zijn, gewerkt door de Geest der aanneming tot kinderen. Christus kan geen gemeenschap hebben met Zijn bruid, indien zij nog met haar eerste man verbonden is onder een verbroken werkverbond. (Rom. 7:1-6) Waar de eerste man nog leeft kan de Tweede Man geen leven schenken, ofwel, waar de wet haar vloek nog niet heeft verloren…daar kan het Evangelie geen kracht doen en niet zegenen ten leve. 

5. Er bestaat geen rechtvaardiging van eeuwigheid. Gods verkoren volk is gekend, geliefd en verkoren van eeuwigheid, maar gerechtvaardigd in de volheid des tijds. De rechtvaardiging door de verwerving van Christus is geschiedt in de volheid des tijds door, Zijn ontvangenis, Zijn nederige geboorte, door Zijn leven, Zijn lijden, Zijn sterven, Zijn begrafenis, Zijn opstanding, Zijn hemelvaart en door de uitstorting van Zijn verworven Geest. De volheid des tijds voor Gods volk is waar alle voornoemde zaken als in ene stonde STONDELIJK wordt toegepast aan het hart van een verloren zondaar. Dit is de inhoud van HC zondag 7. Daarnaast kon er geen rechtvaardiging van eeuwigheid geschieden, omdat Gods wet nog niet was verbroken, ten tweede kan God een zondaar alleen rechtvaardigen (Rom. 5:1) door een waar geloof waardoor hij in het lichaam van Christus Jezus en Dien gekruist wordt ingelijfd.

6. Daarnaast houdt men de kerk volgens een roomse wijze in stand door ongelovige kinderen te besprenkelen. Dit is een roomse kerktraditie die niet vanuit Gods Woord verdedigt kan worden. Men meent dit te kunnen staven vanuit de Calvinistische verbondsleer, gefundeerd op de roomse vervangingsleer, die de kinderdoop naast de Bijbelse geloofsdoop handhaaft en valselijk verdedigt. Deze on-Bijbelse verbondsleer die de uitwendige kerk uit de heidenen in de plaats van Israel beschouwt, wordt in praktijk gebracht door de besprenging van zuigelingen, (en later door een valse geloofsbelijdenis), die hierdoor tot de gemeente Gods worden ingelijfd. Doch later wordt deze veronderstelde inlijving weer ontkracht omdat het kind (en later als uitwendige belijder) nog wel wederom geboren moet worden…etc. In de middenorthodoxie van onze kerken is het kind alrede door de besprengingsdoop verondersteld wedergeboren, tenzij later het tegendeel blijkt.

7. Besprenging met water, is beslist niet hetzelfde als dopen in water hetgeen een beeld van het badwater der wedergeboorte is….van ondergaan en opkomen. Johannes de doper doopte in water, en niet met water zoals de vooringenomen foutieve vertaling van onze Statenvertaling weergeeft. Johannes doopte wel met (= in) water, maar gijlieden zult gedoopt worden met den Heiligen Geest, Hand. 11:16b. Vergelijk met: Matth. 3:11, Joh. 1:33, Hand. 1:5.

8. Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal, Hand. 2:39. God heeft door de eeuwen heen altijd als een rode draad door de lijn der gelovige geslachten gewerkt. Dit heeft de geschiedenis der kerk veelvuldig en rijkelijk bewezen. Maar wij mogen niet vooruit lopen op deze beloftenissen Gods en onze kinderen derhalve dopen op grond van een (toekomstig) geloof dat nog geschonken moet worden. John Bunyan wandelde in deze veel Bijbelser dan Johannes Calvijn. Bunyan doopte pas wanneer de beloftenissen Gods waren toegepast en geschonken door een waar geloof in Jezus Christus. Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden, Markus 16:16. 

9. De doop is niet gekomen in plaats van de besnijdenis. De ondergang in het doopwater is een teken van de geestelijke afsnijding van de heerschappij van Adam onder een verbroken werkverbond, en de opgang uit het doopwater is een teken van de geestelijke inlijving in de Tweede Adam onder een vervulde wet….toegepast en verheerlijkt door de Geest der beloftenis. De besnijdenis, ofwel de doding van het vlees wat vrucht voortbracht, was het leven onder de ceremoniën der wet (Rom. 2:25, Gal. 5:3). De vrouw in Israel werd niet besneden omdat zij alleen vruchtbaar kon zijn door haar man. Omdat het geestelijk verkoren Israel de bruid van Christus is, en derhalve uit mannen en vrouwen bestaat, kan ook zij alleen vruchten dragen door geloofsgemeenschap met haar Tweede Man, Rom. 7:4b. De bruid van Christus is besneden door de besnijdenis van haar Bloed-Bruidegom Jezus Christus krachtens Zijn verwerving van haar Heil (Kol. 2:11), en krachtens toepassing door een geestelijke besnijdenis zonder handen geschiedt door God den Heilige Geest (Kol. 2:12-13), zijnde met Hem begraven in den doop…etc. Derhalve mocht geen onbesnedene eten van het vlees van het onschuldig geslachte paaslam tot vereniging, Ex. 12:44,48, Joh. 6:53-57, waarna Israel uittoog richting de Rode Zee. Het bloed van het geslachte Lam en het water in de wolkkolom hebben Israel uitgeleidt in vrijheid, vergelijk Efeze 1:13. Door de rode zee (= teken van de doop) werd Israel onder leiding van de wolkkolom in de woestijn geleidt, waar zij gejuicht en gezongen hebben, gegeten hebben van het hemelse manna, gedronken hebben van het water uit de steenrots, Gods heilige wet in vrijheid ontvangen hebben, en nader onderwezen werden in hun verlossing uit het diensthuis door de dienst der tabernakel. Zo was ook het gestorte bloed bij het brandofferaltaar en het koperen wasvat de toegang tot de toonbroden en de kandelaar in het Heilige. De vrucht was het wierookaltaar. De gelovige Kerk van Christus wordt geestelijk gedoopt in Zijn vervloekte kruisdood (Rom. 6:3) tot vernietiging en begraving van zonden, tot één Lichaam (=gemeente van Christus) gedoopt waarvan Christus het Hoofd is (Gal. 3:27) waardoor ze één van zin en eensgevoelend zijn, en tot één Geest gedrenkt (1 Kor.12:13, Rom.8:9-11, 1 Petr.3:8, Phil.2:2) tot heiliging en vernieuwing des levens. Hiervan is de uitwendige doop een teken. Dit was het teken van Jona den profeet! 

10. Onze kerken worden op een roomse wijze gebouwd en in stand gehouden door besprenkelde/gedoopte kinderen vanaf hun 18e levensjaar een valse geloofsbelijdenis te laten doen op grond van een verondersteld geloof, die in de plaats kwam van de roomse commune. In de roomse kerk wordt bij het doen van de commune voor het eerst deelgenomen aan de eucharistie-viering, ofwel de kerkelijke toegang tot het verbroken lichaam van Christus. In onze kerken verkrijgt men bij de geloofsbelijdenis van een historisch geloof een kerkelijk recht en toegang tot deelname aan het Heilig Avondmaal. Van deze roomse traditie is wezenlijk nooit afscheid genomen! Op dergelijke wijze verbind men de jeugd door een on-Bijbelse doop en een valse belijdenis aan de kerk, op grond van een verondersteld toekomstig geloof, waardoor men verzekerd is van hun financiële bijdragen en kerkelijke macht. Op deze wijze hebben de apostelen de christelijke gemeenten nooit gebouwd, maar heeft Rome (en onze kerktraditie) wel zijn kerken van goud gebouwd.

11. Over de roeping. De roeping is daar waar God de Vader een verkoren zondaar roept tot de geloofsgemeenschap met Jezus Christus. De roeping bij Zacheus was daar waar hij Jezus, dat is Zaligmaker van zonden, zocht te zien. In de stonde dat Christus bleef staan onder de boom waarin hij zat werd Zacheus geroepen door de Vader tot het geloof in Jezus Christus. Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. (Joh. 6:44) Wie Christus gezien heeft, die heeft ook de Vader gezien! Velen beschouwen de roeping daar waar een zondaar door God wordt stilgezet, en aanvankelijk wordt overtuigd van schuld en zonden. Hieraan verbindt men vervolgens valselijk vanuit Rom. 8:29-30 dat de geroepen zondaar van Gods kant geroepen en derhalve ook gerechtvaardigd is geworden….echter zonder enige zaligmakende kennis van Christus te hebben. De roeping, de bekering/het berouw, de rechtvaardiging door het geloof, de wedergeboorte, en de Gode verheerlijking en aanbidding mogen nooit van elkaar gescheiden worden. Gods Woord spreekt in de leerbrieven der apostelen van een stondelijke heilsleer, en NIET van een standelijke heilsweg.

12. Over het aanbod van genade. Het Evangelie van Jezus Christus en Dien gekruist dient onvoorwaardelijk gepreekt te worden aan alle volkeren en creaturen. Doch lang niet allen zullen dit heerlijk Evangelie van vrije genade om niet, achten als het hoogst verkrijgbare goed. Velen geroepen door het gepredikte Woord Gods doch weinigen verkoren, leert ons de Schrift. Voor de verworpenen zal de prediking van dit Evangelie zijn als een reuke des doods ten dode, en voor de verkorenen Gods zal dit Evangelie in de volheid des tijds zijn als een reuke des levens ten eeuwige leven. 

13. Wil men in onze dagen een kerkelijk ambt bekleden, dan behoeft men niet (meer) vol des Heiligen Geestes te zijn, zoals Gods Woord ons leert. Daarbij heeft elke jongeman met enige gave en een flink stel hersenen de mogelijkheid om predikant te worden, zonder onderzoek naar waarachtige bekering en ambtelijke roeping. Een roeping uit de kerk is beslist niet hetzelfde als een Goddelijk roeping. Een roep uit de kerk kan wel een bevestiging zijn op een Goddelijke roeping. Petrus werd door God geroepen om naar Joppe te gaan, hetgeen hij kreeg bevestigd door de drie mannen die hem zochten om naar Joppe in het huis van Cornelius te komen, (Hand. 10). 

14. Om al deze voornoemde redenen voert de vorst der duisternis heerschappij in onze kerken, en heerst de dood over het leven. De lammen leiden de blinden. Om al deze redenen wordt Gods Geest tegengewerkt, en is Hij met Zijn Geest verre van ons geweken. Er worden bijna geen zielen meer tot de vrijheid Christi gebracht.

15. Kan God al dit bedreven kwaad dan niet ten goede wenden? God is almachtig, maar God doet niet alles wat Hij kan, Hij doet alleen hetgeen Hem behaagt. God heeft niet alleen Zijn volk verkoren tot zaligheid, maar ook de middelen die Hij daartoe gebruikt om hen te vergaderen. Onder deze middelen valt de zuivere bediening des Woords overeenkomstig de leer van Christus en Zijn apostelen, en een recht Bijbels gebruik der sacramenten. De meeste kerken vergaderen toorn in plaats van zegen, door veelvuldig misbruik der sacramenten. De meeste zielen werden toegebracht in de tijd van de apostelen, der kerkvaders en der reformatoren.

16. De gemeente Gods zijn zij die belijdenis van hun geschonken geloof aflegden, zich lieten dopen en volhardende waren in de brekingen des Broods. Wil dit zeggen dat er geen kaf onder het koren kan insluipen…?? Jawel, kijk bij Filippus de diaken die de valse ongelovige Simon de tovenaar gedoopt had. De mens ziet aan wat voor ogen is, maar God ziet het hart aan en proeft de nieren.

17. Kan in onze dagen de kerkelijke tucht nog wel gehandhaafd worden? Het behoort wel volgens Bijbelse wijze gepraktiseerd te worden, maar vanwege de mogelijke weg van uitwijk naar de vele andere kerken….wordt de praktijk soms onmogelijk gemaakt. Dit is de praktijk van onze dagen waar de dood over het leven heerst.

18. Deze praktijk zal veranderen wanneer ieder nieuw gemeentelid alvorens onderzocht wordt naar waar geloof, vervolgens nader onderwezen in zijn geestelijke doop, een eenvoudig getuigenis aflegt voor de gemeente en wordt gedoopt, en deelneemt aan de brekingen des broods tot versterking, en in getrouwheid beloofd zich te zullen onderwerpen aan de orde en tucht der kerk. Volgens deze praktijk zal in de gemeenten Gods het geestelijk leven over de dood heersen.

19. De vermaningen aan het einde van de zendbrieven der apostelen om te wijken van het kwade, mogen nooit gezien worden als een nieuwe wet…. maar als liefdesbevelen Christi. Gods volk behoeft hun genade niet te bewijzen door een farizeïsche opgelegde werkheiligheid, ofwel om zondeloos en heilig te leven. Ze dienen te wijken van het kwade, maar dit is iets anders als zondeloos leven. Daarbij doen ze de werken van eeuwigheid bestemd. Het eerste liefdeswerk van de stokbewaarder was het wassen van de gegeselde ruggen der apostelen. Hiermee heeft hij z’n geschonken geloof en genade niet bewezen, maar hierdoor kwam zijn liefde tot God en Zijn lieve volk openbaar. Het is echter wel hun innerlijke begeerte om heilig en rechtvaardig te leven, maar dit kunnen zij in der eeuwigheid niet meer, Christus heeft volbracht hetgeen zij niet meer konden volbrengen. Door hun geschonken geloof in Hem zijn ze Zijn wijsheid deelachtig geworden, doch onwijs in zichzelf, rechtvaardig en heilig in Hem krachtens toerekening, doch zwart van zonden in zichzelf. De ingestorte liefde van Christus kan en wil niet zondigen, ze haat alles wat God haat en heeft alles lief wat God liefheeft. Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde (Rom. 7:26). Dus geen vermenging van vlees en geest! Derhalve mag de Wet in de prediking nooit achter het Evangelie geplaatst worden. Zulk een prediking zet de werkheilige farizeeërs aan het werk, en brengt Gods volk, die aan de eis van Gods wet gestorven zijn….in een gevoelige dienstbaarheid en duisternis. Hun vlees is tot de dood toe onder de wet, maar hun geest is onder de heerschappij en de genade van Christus Jezus. Als ouders hun kinderen waarschuwen voor de gevaren buiten op de weg of in de maatschappij, behoeven de kinderen door hun oppassend gedrag (ook) niet te bewijzen dat het kinderen van hun ouders zijn. Gelijk het verloste Israel niet behoefde te bewijzen Gods verkoren bondsvolk te zijn, door het niet eten van het gedesemde. Sta dan in de vrijheid van Christus Jezus, en wordt niet wederom bevangen met een nieuw juk van dienstbaarheid, maar misbruik deze vrijheid nimmer ter oorzake van uw onbekeerde zondige vlees. Alzo dienen wij de apostolische vaderlijke vermaningen der apostelen te verstaan. De apostelen wisten dat door de gemeenschap met de zonden Gods Geest wordt bedroefd, wij in duisternissen komen, wij worden geremd in de opwas der genade, wij niet meer kunnen bidden….etc. Heb de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is. Die de Naam van Jezus Christus noemt, sta af van ongerechtigheid! Want, wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid, en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis? En wat samenstemming heeft Christus met Belial, of wat deel heeft de gelovige met den ongelovige? (2 Kor. 6:14-17)

20. De rechtvaardiging is: ik in Christus, en de heiligmaking is: Christus in mij. De heiligmaking geschiedt door het vuur van de beproevingen, waardoor de Kerk van Christus gelouterd wordt van al het hare, wordt afgezonderd van de wereld, en meer en meer gaat rusten, zakken en zinken op het volbrachte werk van haar lieve Borg en Zaligmaker.

21. De puriteinen hadden Gods Woord aan hun zijde door te stellen dat de feesten in ons zgn. kerkelijk jaar, niet anders dan roomse overblijfselen zijn. Velen grijpen deze feesten aan door bijv. met kerstfeest te zeggen, hoe zij dit feest geestelijk doorleefd hebben. De apostelen hebben daar in hun zendbrieven nooit van gesproken. Gods Woord leert alleen de geestelijke kruisdood en opstanding van onze Heere Jezus Christus, hetgeen de doop ons beduidt. Waar dit wonder van vrije genade om niet is verheerlijkt, daar is de ziel met Christus ter helle en ten hemel gevaren door de uitgestorte liefde in zijn ziel en heeft hij Zijn verworven Geest ontvangen. Waar deze Geest is, daar is vrijheid. Hier ontvangt de gerechtvaardigde zondaar de geestelijke wapenrusting Gods (Efeze 6). Wie Hem heeft gezien tot zaligheid en vrede die heeft de Vader gezien, en wie in Hem geloofd is metterdaad vrijgesproken van schuld en straf. Dit is de vrede met God die alle verstand te boven gaat, wanneer ons geweten met Zijn dierbaar bloed is besprenkeld. (Hebr. 9:14-17) Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door den eeuwigen Geest Zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om den levende God te dienen? En daarom is Hij de Middelaar des nieuwen testaments, opdat, de dood daartussen gekomen zijnde, tot verzoening der overtredingen, die onder het eerste testament waren, degenen, die geroepen zijn, de beloftenis der eeuwige erve ontvangen zouden. Want waar een testament is, daar is het noodzaak, dat de dood des testamentmakers tussen kome; Want een testament is vast in de doden, dewijl het nog geen kracht heeft, wanneer de testamentmaker leeft. 

22. Die in den Zoon van God gelooft, heeft de getuigenis in zichzelven; die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis, die God getuigd heeft van Zijn Zoon. En dit is de getuigenis, namelijk dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft; en ditzelve leven is in Zijn Zoon. Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet. (1 Joh. 5:10-12)

 

D.J. Kleen