Ergernissen in de leer

Posted by admin | | woensdag 25 maart 2009 8:46 am

Dit leerzame boek (330 blz) is in de opruiming bij Den Hertog voor 12,50 EUR : klik hier

 

James Durham – Deel 3 : Over ergernissen in de leer

 

 

Hoofdstuk 1 – Algemene leerstellingen en andere overwegingen : klik hier

 

Hoofdstuk 2 – Enige algemene vragen :  klik hier

 

Hoofdstuk 3 – Onze plicht als de dwaling zegeviert :  klik hier

 

—————————————————————————–

 

Dit leerzame boek is evt. te bestellen bij : Uitgeverij Den Hertog –  klik hier

 

—————————————————————————-

 

 

1. De verspreiding en toename van ketterij

We moeten ons er wel over verwonderen dat een dwaling zo spoedig zoveel ingang vindt. Allen mogen wel beven vanwege de snelle verbreiding daarvan.

(1) De dwaling van de Nikolaïeten is zeer gruwelijk en ongerijmd, zelfs tegen het licht van de natuur.

(2) Zij verspreidt zich en krijgt meer aanhang bij verschillende personen en gemeenten. De kerkgeschiedenis laat zien dat velen erin geloofden en niet minder wordt gesuggereerd in deze brieven.

(3) Deze verspreiding is niet alleen onder de heidenen, maar ook in de kerk, onder de dienstknechten van Christus, die erdoor verleid worden. Zelfs sommigen van naam werden erdoor van de waarheid afgebracht.

(4) De kerk was nog het meest zuiver; sommige apostelen (in elk geval Johannes) waren nog in leven toen deze dwaling werd verkondigd.

(5) De ketterij wordt verbreid door verachtelijke instrumenten, een vrouw die zichzelf een profetes noemt, enkele mannen die zich apostelen en nieuwe lichten noemen. We zouden denken dat ze beter dwaas geacht hadden kunnen worden dan deze eer te ontvangen.

(6) Dit is tegen het getuigenis van hun eigen trouwe predikanten, in gemeenten waar God getuigen had die zich ver hielden van dit kwaad, ja, waar veel belijders in dit opzicht zuiver waren. Toch volgden anderen deze dwaling na, ontvingen zij deze verleiders  en eerden hen meer dan trouwe predikanten.

(7) Het ontbrak niet aan licht en gezag om hen te overtuigen, want ongetwijfeld werden zij beiden gevonden, zoals we kunnen afleiden uit het onderzoek van de Efeziërs. Ja, Johannes schrijft wat hij uit Gods eigen mond gehoord heeft om hen te weerleggen. Hoewel de toepassing van deze leer voor ieder gold, had de dwaling jaren later nog aanhangers.

(8) Johannes of een andere apostel was het instrument om hen te bekeren van heidendom tot christendom. Nu kan hij hen echter niet meer verlossen van een verderfelijke dwaling in de christelijke leer als de ermee behekst zijn. Zonder twijfel legden zijn gezag en argumenten nu minder gewicht in de schaal dan vroeger toen ze christenen waren. Wat zou hen echter beter kunnen overtuigen en herwinnen dan deze overwegingen? Zo verging het Paulus ook vaak. Eerst, toen ze heidenen waren, was het werk gemakkelijker dan later toen ze christen waren: ze waren onder invloed van een valse leer gekomen of ze luisterden naar dwaalleraars. Dat zien we duidelijk in de brieven aan de Korinthiërs en de Galaten.

 

Hieruit blijkt,

(1) De redeloosheid en macht van een verleidende geest: niets kan hem overtuigen. Als mensen die weg eenmaal aangenaam zijn gaan vinden, gaan ze door, verleidende en wordende verleid. Petrus zegt in 2 Petrus 3:16 dat ze dan de Schrift verdraaien tot hun eigen verderf. Zoals we kunnen opmaken, verbasteren ze eerst wat het eerst duister schijnt. Dan veranderen ze de andere schriftplaatsen zo dat ze stroken met hun opvattingen, waarvoor ze in de eerdere teksten grond meenden te vinden. Eerst vormen ze een mening op grond van duistere plaatsen daarna brengen ze de schriftplaatsen die duidelijker zijn daarmee in overeenstemming,terwijl het tegenovergestelde veilig is. Als onwetenden en weifelende mensen zullen geloven dat zij alleen kennis hebben verkregen van de verborgenheden van God en menen dat ze verheven zijn boven de heldere waarheden en plichten waarin geen schaduw of struikel blok is, is het dan een wonder dat ze zo aan het verderf overgegeven worden? Zo kunnen ze zoveel behendigheid verkrijgen in het verdraaien van de Schriften, zelfs de duidelijkste (zoals daar wordt bedoeld), dat ze rechtens meewerken aan hun eigen ondergang. Ze zijn niet meer te overtuigen. Dat zou hen beschaamd kunnen maken. Misschien zouden ze er dan mee breken.

 

(2) We kunnen zien dat het niet gemakkelijk is om mensen terug te winnen die tot dwaling verleid zijn. Het woord mogelijk (2 Tim.2:25;Eng.vert.) staat niet toevallig in de tekst. Op de honderd mensen krijgt er slechts één berouw, als er al één is. Hierdoor wil de Heere alle mensen bevreesd maken voor dat kwaad. Des te ernstiger de dwaling, des te onredelijker zijn mensen vaak in de verdediging ervan en des te koppiger houden zij eraan vast. We zien er immers bovenal Gods slaande hand in dat mensen aan zulke dwaasheden overgegeven worden. Het is niet aannemelijk dat ze er anders in konden vallen. Als ze zo door God geslagen worden, kunnen ze dan voor rede vatbaar, zo lang die plaag op hen rust? Was er één dwaling als het aanbidden van hout en stenen? Druist het niet in tegen verstand en rede een deel daarvan te verbranden, iets alledaags te maken van een ander deel en een god van een derde deel? Dan neer te knielen en dat aan te bidden, zoals de profeet verwijt (Jes. 44:19)? Welbeschouwd is dat toch dwaasheid! Deze reden wordt genoemd voor zulke dwaasheid: Want Hij heeft hun ogen gesloten dat zij niet zien, en hun harten, dat zij niet verstaan (Jes. 44: 18; zie kanttek.).

 

(3) We moeten het niet vreemd achten dat deze geest redeloos is in één van deze opzichten, zelfs niet als niemand hen de mond kan stoppen en zij schijnbaar triomferen door nieuwe betekenissen te geven aan Schriftplaatsen. Hoe meer zij dat doen, hoe meer het hun een oordeel is. Hoe meer zij daarnaar handelen en door anderen verdragen worden, hoe meer dit tot hun verderf leidt. We moesten ons verre houden van zulke invloeden. Niemand kan zeggen wat ze kunnen veroorzaken als ze éénmaal vat op een onstandvastige, wankelmoedige ziel gekregen hebben, meegevoerd met de vloed van de geest der dwaling en door God daaraan overgegeven omdat ze die begeerden. Als ze de liefde der waarheid niet ontvangen hebben, kunnen ze tot de vreselijkste dingen komen, zonder schaamte of wroeging, vóór dit eindigt. Toeschouwers zouden Gods rechtvaardigheid kunnen zien in zulke straffen en leren om Hem te meer te eren en te vrezen.

 

 

2. Gods afkeer van dwaling

Het tweede punt moet wel duidelijk zijn.

(1) Dwaling is een kwaad dat Gods heiligheid en waarheid tart.

(2) Zoveel zielen worden erdoor in gevaar gebracht. Want geen enkele plaag heeft ooit de zichtbare kerk uiterlijk zo verwoest of zoveel zielen naar de hel gevoerd als dwaling. Het verdragen van de dwaling moet daarom wel verfoeilijk zijn voor Hem Die Zijn Kerk liefheeft.

(3) De duivel kan de inzettingen en het Woord niet meer in diskrediet brengen dan door teksten zo te verdraaien dat ze precies het tegengestelde bedoelen. Dan schiet hij als het ware verder dan de Heere met Zijn eigen boog (het is vreselijk om te zeggen). Hij verdraait Gods eigen middelen en richt Zijn eigen wapens op Hem. Staan we dit toe, dan laten we de duivel oogluikend zijn plan uitvoeren.

(4) De duivel kan op geen andere zo de overhand krijgen Christus’ dienstknechten en hen misleiden, zoals duidelijk blijkt uit de brief aan Thyatira. En kan het gevaar zo dicht bij Christus komen, terwijl Zijn toorn niet gewekt wordt over alles wat de strikken sterker maakt?

(5) Dit maakt de duivel aan Hem gelijk, ja, geeft hem in sommige opzichten een grotere plaats, voor zover het in ons ligt. Het moet Gods ijver daarom wel opwekken. Want zo heeft de duivel de vrijheid om met de waarheid zijn leugens te verkondigen. Omdat er veel leugens zijn, terwijl er slechts één waarheid is, worden zo meer deuren voor hem geopend dan voor het Evangelie.

(6) Zo worden zelfs de waarheid, de inzettingen en de dienst van God zelf gering geacht. Als deze dwalingen gedoogd worden, verklaren we daarmee feitelijk dat deze dingen ons onverschillig zijn. Niets is meer tot oneer van de jaloerse God, Die in Zijn Woord zo’n onderscheid maakt en zo’n afschuw toont van onverschilligheid.

(7) Dit brengt grote verwarring in de kerk.[1] Als deze dwalingen en dwaalleraars ingang krijgen, worden velen daardoor meegevoerd en in het verderf gestort. Is dat een geringe zaak? [2] Als ze geen ingang vinden, zijn ze hun tot een hindernis, een kwelling en een ergernis. Zo blijken ze een strik en een last te zijn voor hen die de Heere liefheeft.

(8) Verdraagzaamheid betekent dat we de dwaling niet zo erg vinden, omdat ze niet zo schadelijk is. Dan kunnen we echter maar weinig achting hebben voor de waarheid. Of het doet ons weinig dat zielen verloren gaan. Beide zijn echter een gruwel.

(9) Dwaling breekt niet alleen Gods wet, maar leert ook anderen om dat te doen.

Als we de dwaling gedogen, laten we leraars zonde en opstand tegen de Heere leren.

 

 

3. Verflauwing van de strijd tegen dwaling

Het derde wat ons moet opvallen is dat ijver van een predikant, vooral tegen dwaling, zeer te prijzen is, maar dat de ijver toch vaak verflauwd is, en niet alleen onder de slechtste predikanten. De engel wordt hier vermaand, omdat hij deze Nikolaïeten spaarde, of tenminste flauw en nalatig was in pastoraal vermaan. Zo wordt Antipas geprezen om zijn trouw en de engel van Efeze omdat hij niet verflauwde in dit onderzoek. De Heere heeft deze twee samengevoegd, de getrouwe en wijze rentmeester. Hoe loffelijk als beiden een even grote plaats innemen! Toch wordt bij het oordeel slechts het ene genoemd: “Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht” (Matth. 25: 21). Dit ontslaat ons niet van de andere plicht, maar toont slechts de noodzaak en uitnemendheid van trouw, om zo predikanten daartoe te bewegen. Anders zouden ze onder het mom van wijsheid de vrijheid en trouw die van hen geëist worden geweld kunnen aandoen, hetzij in de aanvaarding, hetzij in de uitvoering van deze opdracht. Hierbij zullen ze veel moeilijkheden ontmoeten, waardoor ze algauw zullen bezwijken, als ze daar niet in de kracht des Heeren tegen strijden.

 

Denk aan de volgende punten:

(1) De tijd. Er zijn slechte tijden waarin ze nauwelijks weten wat ze moeten zeggen. Daarom houden de wijzen zich stil. Vaak kan dit voorwendsel de aanleiding zijn tot het koesteren van te veel matheid, als de Heere vraagt om trouw.

(2) Een besef van eigen zwakheden en onbekwaamheid tot die taak. Dat is klaarblijkelijk ook zo bij Jeremia (Jer.1), als het eigen ik of de gedachten over onszelf worden gemaakt tot regel van ons handelen, zonder te letten op onze roeping.

(3) De boodschap die ze moeten brengen. Harde boodschappen zijn zwaar en moeilijk. Jona vluchtte zelfs een tijd voor het bevel om Ninevé te veroordelen. Zwaar en moeilijk, vooral omdat de boodschappers vaak niet geliefd zijn bij de hoorders. Daarbij naaien gewoonlijk velen kussens onder de oksels. Ze willen in dat opzicht graag verwoesten wat anderen opbouwen.

(4) De hoorders, met verschillende karakters. Sommigen willen zich wel als zwijnen op de boodschappers storten, alsof ze hen haten. Zo werd Micha tegemoet getreden door Achab, die op verzoek nog vierhonderd vleiende leugenaars had. Sommigen zijn kittelachtig en verdragen een overtuigende leer en trouw niet. Zij zullen algauw afstand nemen van hen die getrouw vermanen of tenminste hun genegenheid voor hen laten bekoelen (2 Tim. 4). Dit is geen geringe beproeving voor een predikant. Velen ook die hen toegenegen zijn, zijn opvliegend en kunnen een eerlijke vermaning niet verdragen. Het is niet minder moeilijk om getrouw met hen te handelen dan met anderen die God openlijk lasteren.

(5) Wantrouwen jegens God, omdat ze niet vertrouwen op de vervulling van Zijn belofte en op Zijn hulp bij Zijn werk. In zichzelf en in eigen oog is het onmogelijk. Daarom geven ze het op, alsof dat zo gemakkelijk was.

(6) Verwachte uitkomsten. Ze menen geen vrucht te zullen zien of moeite te zullen oogsten. Vermoedelijk was Mozes niet vrij van het eerste, toen hij zei: ‘Israël hoort niet’, of’ zal mij niet horen. En wat zal Farao doen?’. Het laatste zien we gewoonlijk als we bij vlees en bloed te rade gaan over onze plicht. Op grond van de veronderstelde moeiten die volgen zullen, besluiten we dan algauw dat het helemaal onze plicht niet is. Mogelijk werd iets daarvan ook hier gevonden. De engel vreesde voor de beroering van de gemeente of een scheuring die zou kunnen volgen. Dit blijkt ook uit de bedreiging van de Heere om op een andere manier tegen hen te vechten met het zwaar van Zijn Woord. Een vleselijk middel tegen bepaalde moeiten brengt vaak des te sneller over ons wat we vrezen. Er kunnen ook nog andere redenen aangevoerd zijn, waaraan God toch Zijn goedkeuring niet hecht.

 

 

 

(Uit dit boek van J. Durham blz. 131-135)