Het boek Ruth

Posted by admin | | woensdag 1 april 2009 11:58 am

Artikel in pdf  : klik hier 

 

Het boek Ruth

 

Geachte lezer, langs deze weg wilde ik uw aandacht vragen voor enkele zaken uit het Bijbelboek Ruth. De geschiedenis van hoe een blinde heidin, door een zeer wonderlijke weg de verre moeder van Christus zou worden, zie Matth. 1:5. Maar ook een geschiedenis waarin vele typologische geestelijke trekken verborgen liggen aangaande het geestelijke leven van Gods verkoren volk. Dit boek echter, is door de tijd heen door velen uitgelegd geworden als een bepaalde heilsweg. Waarbij Ruth het beeld is van hoe een (blinde) zondares tot de kennis van Christus wordt gebracht. Dit wordt dan vaak uitgelegd als een trappen- en standenleer. In de zin van, Ruth’s keuze voor de God en haar liefde voor het volk Israël was nog niet haar huwelijk met Boaz, het eten van de akker van Boaz was nog niet de kennis van de persoon van Boaz, Ruth’s noodschreeuw op de dorsvloer tot Boaz om lossing was immers nog niet de zaak van de lossing zelf. Het moest immers allemaal nog in de poort komen. Hierbij is de poort het beeld van Gods’ heilige recht, Boaz is het beeld van Christus, en Naomi wordt dan vaak uitgelegd als het beeld van de Heilige Geest, Ruth’s raadgever. De akker van Boaz wordt in deze zelfde lijn vaak uitgelegd met Gods Woord of de kerk waarin dat Woord gepredikt wordt. De beelden hierin zijn niet verkeerd, echter de heilsweg waarin het veelal wordt uitgelegd, dus wel. Ik zal u trachten uit te leggen waarom. Hoevele malen is Gods’ Woord toch niet alzo als een optelsom uitgelegd geworden. In plaats van dat men het heilsordelijk uitlegt en/of verklaard, is men het als een heilsweg uit gaan leggen. Hetzelfde hebben velen gedaan, aan de hand van het leven van Abraham, van Jacob, van Jozef en zijn broers, van de kinderen Israëls trekkende uit Egypteland. Telkens worden deze geschiedenissen uitgelegd als een optelsom. Hetgeen indruist tegen de brieven der apostelen, en grote afbreuk doet aan de Waarheid, maar ook menigmaal tot enorme krommigheden en grove dwalingen heeft geleidt. Deze manier van Schriftverklaring kan daarom ook zielen in verwarring, maar ook in geestelijke duisternis brengen. Wat bedoel ik hiermede te zeggen? Ik bedoel dit. Ik heb al eerder in andere artikelen geschreven dat wij het Oude Testament altijd dienen te lezen en te verstaan in het licht van het Nieuwe Testament, en dus niet andersom.

 

Ik wil u ten eerste benadrukken dat Ruth persoonlijk voor haarzelf al in Moab tot het geloof in Christus Jezus was gebracht, waarvan zij kostelijk mocht getuigen en een zeer schone belijdenis aan haar schoonmoeder mocht doen, daar toen aan de grens van Moab en Israel. Nogmaals, de persoonlijke genade die Ruth mocht kennen had werkelijk

niets te maken met haar aardse huwelijk met Boaz. Want, Boaz was niet haar Zaligmaker, nee, dat was immers Christus. Want, zij had Christus door het geloof mogen aanschouwen, zoals vermeld in de Hebreënbrief van Paulus. Dit moet u steeds proberen vast te houden. Daarom mogen het leven Abraham, Jacob, maar ook van Ruth nooit gaan vergeestelijken…!! In het boek Ruth ging het er dus om hoe en door wie Naomi en Ruth eenmaal gelost zouden worden, om de verloren goederen van Elimelech weer terug in bezit te mogen verkrijgen. Het geestelijke beeld dat hierin dus verborgen ligt, is hoe een berooide en uitgewerkte zondares in Christus hersteld wordt met het Goddelijke beeld, wat die zondares in Adam verloren heeft. Dit nu is de geestelijke strekking van het hele boekje Ruth. Uit haar huwelijk met Boaz wordt een kind geboren, waar eenmaal de Messias uit geboren is geworden. Zo is Ruth middels een zeer wonderlijke weg een verre moeder van Christus geworden. Het geestelijke beeld hiervan is dat de zondares door een weg van recht de geestelijke bruid van Christus mag worden, en vruchten uit Hem mag gaan dragen.

 

Wanneer wij dan de vier Evangeliën lezen, en mogen opmerken dat Christus zijn volk zalig spreekt, en daarmede ook vrijspreekt van schuld, straf en oordeel, dan dienen wij zodanig het Oude Testament ook te verklaren. Neem nu als voorbeeld de geraakte uit Lukas 5:17-26. Daar staat geschreven dat Jezus deze geraakte vrijspreekt van zonden op grond van zijn geloof in Hem, maar hem later ook nog naar het lichaam geneest.

 

“En Hij ziende hun geloof, zeide tot hem: Mens, uw zonden zijn u vergeven, Lukas 5:20”

 

22)

ziende

Of, kennende.

 

23)

hun geloof

Namelijk zo van den geraakte als van degenen, die hem brachten.

 

Dan staat er vervolgens in Romeinen 10 vers 17, het volgende : “zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het woord Gods.”  De eerste gedachte die in een mens op zou kunnen komen is bijvoorbeeld de volgende: ‘is er dan alrede zaligmakend geloof aleer een mens tot de kennis van Christus wordt gebracht….??’ Want, Christus zei immers bij sommigen die tot Hem kwamen dat hun geloof in Hem, hen behouden had. Denk bijvoorbeeld ook aan die bloedvloeiende vrouw, uit Lukas 8:43-48. Zij kwam immers ook door het geloof tot Christus gevloden. Hoe wist zij dan, na werkelijk alles zelf geprobeerd te hebben tot redding van haar lichaam, dat in Hem haar redding te vinden was? Wel geliefde lezer, dat wist ze immers al naar haar verloste ziel, dus waarom ook niet naar haar aardse lichaam? Kijk, deze vrouw behoefde dus niet meer aan de wet te sterven, dat was zij namelijk al. Want, zoals u weet is er onder de bediening der wet geen geloof en ook geen geestelijk leven, lees Gal. 3:12 en ook Gal. 3:21-25. Het feit dus, dat Christus tot haar deze woorden sprak: “En Hij zeide tot haar: Dochter, wees welgemoed, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede, Luk. 8:48.” —  was dus een bevestiging op haar zaligmakende geloof in Hem.

 

Precies hetzelfde gold de zondares uit Lukas 7:47. Lees hierbij kanttekening 46 eens : “Hiermede wordt niet aangewezen, dat deze haar grote liefde de oorzaak was van de vergeving van haar zonden, maar dat dezelve een vrucht, bewijs en teken was, dat haar vele zonden vergeven waren; en dat zij daarom nu niet meer voor zulk een zondares was te houden; gelijk blijkt uit de naastvolgende woorden en het gehele oogmerk van deze gelijkenis. Waaruit klaarlijk kan gezien worden, dat de vergeving der zonden gesteld wordt de oorzaak van de liefde, en niet de liefde de oorzaak van de vergeving der zonden; gelijk ook in vers 50 gezegd wordt, dat het geloof en niet de liefde haar behouden heeft.”

 

Dit soort beelden mogen we daarom dus nooit uitleggen als het beeld van een geestelijk gericht in de ziel van een verloren zondaar. Het zelfde geldt dus voor die zondares uit Lukas 7, en die bloedvloeiende vrouw uit Lukas 8. Het geloof in Christus is dus rechtvaardigend van aard. Het geloof in Hem maakt vrij, het verenigd met Hem, zoekt gemeenschap met Hem, en doet de ziel daarom komen en vlieden tot Hem in de oefeningen des geloofs. Het feit dus dat zij tot Hem kwamen, was geen vrijspraak, maar temeer een bevestiging van die vrijspraak. Want Christus had hen als Rechter alrede door Zijn Geest vrijgesproken, zie Lukas 5:24, Joh. 8:36, Joh. 5:22-27, Hand.10:42.

 

“Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelven niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen. Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen, Joh. 16:13-14”

 

Om nu weer even terug te komen op de zuivere Schriftuurlijke uitleg van het Bijbelboek Ruth, d.w.z. Schrift met Schrift verklaren. Dienen wij bijv. de gang van Ruth tot Boaz op de dorsvloer niet als zodanig uit te leggen. Maar eigenlijk juist meer in dezelfde lijn als hoe bijv. de moordenaar naast Jezus, de 3000 pinksterlingen, de stokbewaarder tot Christus gedreven werden door de bloedwrekende werking der wet. Zij werden namelijk in dat geestelijke gericht Gods overtuigd van zonde, gerechtigheid en oordeel, door de Heilige Geest. Hiermee en hierdoor moesten zij omkomen, met een laatste noodschreeuw tot Jezus Christus, als in een punt des tijds. Kijk, en gelijk daarna openbaarde Christus Zich aan hun arme verloren helwaardige zielen. In dit licht moeten en mogen we nu de gang van Ruth tot Boaz geestelijk beschouwen. Want het is de God de Vader of God de Zoon Die vrijspreekt en levendmaakt Dien Hij wil, door de Heilige Geest, Joh. 5:21-23. Het is de Vader die ze tot Hem trekt, want zo staat er geschreven in Joh. 6 dat niemand tot Hem komt, tenzij de Vader die zondaar tot Hem trekke. En het is de Heilige Geest die dit innerlijk in de ziel bekend maakt. Welnu, we hadden gezegd dat Naomi het geestelijke beeld van de H. Geest was, welke Ruth telkens onderwees en goede raad gaf.  

 

En Naómi, haar schoonmoeder, zeide tot haar: Mijn dochter, zou ik u geen 1rust zoeken, dat het u welga?, Ruth 3:1-4    

 

Op het moment dat Ruth nu deze woorden over die losser en die bloedvriend Boaz mocht horen, was Ruth alrede gekomen aan het einde van haar dienstbaarheid. Haar werk was immers ten einde gekomen, maar er bleef een grote onrust over in haar hart, die zich vertolkte met deze vraag: ‘door wie, en hoe zal ik ooit gelost moeten worden?’

Kijk geliefde lezer, dit is nu het beeld van de bloedwrekende en zielsdodende werking der wet, die de ziel immer uit en voortdrijft tot de Vrijstad Jezus Christus en Dien gekruist.

Maar wie gaf haar nu raad, wat te doen, en waar de lossing te zoeken. Dat was immers haar oude wijze schoonmoeder, Naomi. Alzo verging het dus Ruth de Moabitische.

 

Welk geestelijk beeld tot onderwijs en troost ligt hier nu in verborgen?

Naomi merkte de onrust in het hart van haar schoondochter, en geeft haar een wijze raad. Dit nu is hetzelfde beeld van die arend uit het boek Deuteronomium, hoofdstuk 32 vers 11-12. Voor alle duidelijkheid betreft het hier de zwarte steenarend, die alzo met haar jongen doet. De moederarend moet haar jong uit zijn nest zien te krijgen, opdat haar jong in vrijheid zou gaan leren vliegen. Na de tijd van het jong doorvoed te hebben, neemt die moederarend afstand, en verschraalt het jong. Het jong leidt honger, en zoekt eten in zijn nest, maar vindt niets meer. Dit nest van dat jong is nu precies hetzelfde beeld als het stoppelenveld waar Ruth haar lange arbeid had beëindigd. De moederarend ziet de onrust en de honger van haar jong, en gaat tenslotte met aas in haar bek voor het nest vliegen. Het jong ziet het aas en wil het grijpen, maar moet daartoe uit zijn nest (der dienstbaarheid) vallen. Kijk, en dat is nu precies de bedoeling van die moederarend. Want, als dan dat jong uit zijn nest gevallen is, laat dan die moederarend haar jong op de stenen te pletter vallen? Welnee geliefden. Zij gaat onder haar jong vliegen en vangt het op, en neemt ze op haar grote vlerken. Is dit dan geen ruw en hard beeld, geliefden? Nee, want als die moederarend dat niet had gedaan, dan had haar jong nimmer uit zijn nest gekomen…

 

Welnu, mogen we dit beeld nu ook weer even overzetten naar het leven van Ruth. Want, ook Ruth was gekomen tot het einde van haar (dienstbare) arbeid op de akker van Boaz. Het einde van het aren zoeken was gekomen, en de planken thuis raakten al leger en leeg. Als er niet snel wat zou gebeuren dan zou Ruth omkomen van de honger. Kijk, en dan gaat die lieve oude wijze Naomi haar ook een aas voor houden, in en door wie zij gelost zou kunnen worden. En als dan Naomi is uitgesproken, dan neemt Ruth de wijze raad van haar schoonmoeder aangaande die losser en bloedvriend, direct ter harte. Want er was een onhoudbare nood en onrust in haar hart, geliefden. Dat bleek immers uit de vrucht, want zo zegt zei in Ruth 3 vers 5-6: “En zij zeide tot haar: Al wat gij tot mij zegt, zal ik doen Alzo ging zij af naar den dorsvloer, en deed naar alles wat haar schoonmoeder haar geboden had.”  

 

Wel geliefde lezer, dit is nu het geestelijke beeld van een zondaar of zondares, die aan het gekomen is van zijn/haar dienstbare werken. Van een ziel die moegestreden is, en werkelijk niets meer tot betaling heeft. Kijk, en wanneer er dan een onhoudbare onrust in de ziel mag plaatsvinden, ten dode. En de ziel voor Zijn Rechter verloren mag gaan, met alles wat hij heeft, — hoe bezong Robert Murray Mc. Cheyne dit ook al weer?

Maar toen mij Gods Geest aan mij zelf had ontdekt,
toen werd in mijn ziele de vreze gewekt.
Toen voeld’ ik wat eisen Gods heiligheid deed.
Daar werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed.

Toen vlucht’ ik tot Jezus. Hij heeft mij gered!
Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet!
Mijn heil en mijn vreugd’ en mijn leven werd Hij.
Ik boog m’, en geloofd’, en mijn God sprak mij vrij!

Nu ken ik die waarheid, zo diep als gewis,
dat Christus alleen mijn gerechtigheid is.
Nu tart ik de dood, nu verwin ik het graf.
Nu neemt mij geen satan de zegekroon af.

Geachte lezer, Naomi vertelde van over Boaz, en Ruth legt zich aan zijn voeten neder met de smeekbede tot lossing. Waarop Boaz haar zegt: “En nu, mijn dochter, vrees niet; al wat gij gezegd hebt, zal ik u doen, Ruth 3:11”

En hoevelen hebben dit niet puur on-Bijbels vergeestelijkt door het als volgt uit te gaan leggen, namelijk dat Christus hier de ziel de toezegging van lossing heeft gedaan, maar dat het echter nog moet worden toegepast. Mag ik u dan de vraag doen, dat wanneer den Heere in Jesaja 1:18 spreekt over dat gericht Gods, en Hij daar het volgende zegt: “Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.” – moet het dan nog gebeuren of is het dan alrede gebeurt en toegepast…??   Vanwege dat er staat: ‘zij zullen worden’ = toekomende tijd

Wanneer we nu telkens Gods Woord als een heilsweg blijven uitleggen, zult u me wellicht zeggen, dat het nog moet worden toegepast. Maar wanneer u Gods Woord nu eens mag gaan lezen vanuit het licht van de zendbrieven der apostelen en de vier Evangeliën, maar ook in hetzelfde licht der Reformatie, dan zult u dit heilsordelijk moeten leren verstaan en gaan uitleggen, door dan vervolgens te gaan zeggen dat er bij God geen tijd bestaat. Want, God spreekt en het is er, en Hij gebied en het staat er. Dit ligt namelijk in Zijn eeuwige drie-enige Goddelijke heilige Wezen verklaart. Daarnaast hadden we in het begin van dit artikel u opgemerkt dat God in Christus Zijn volk zalig c.q. rein spreekt. Gij lieden zijt nu rein om het Woord, dat Ik tot u gesproken heb, Joh. 15:3…!!  Begrijpt u het beeld van de woorden die Boaz tot Ruth in haar nood sprak?

Maar hoevelen zullen me toch blijven zeggen, vanuit de on-Bijbelse dwalingen waarin ze zijn opgegroeid en vergiftigd zijn geworden, en waarin ook ik zolang verstrikt heb gezeten, dat Ruth met alles nog in de poort moest komen, want daar werd immers het recht gesproken. Maar ik zeg u vanuit een heilsordelijke Bijbelse uitleg, dat het beeld van die van de poort net zo goed een typologisch beeld van het heilige recht Gods kan betekenen, als het beeld van Ruth met Boaz op de dorsvloer. Echter het beeld in poort zouden we ook uit kunnen leggen als de vastmaking van de roeping en verkiezing van een alrede verloste ziel, zie 2 Petrus 1:10. Dit ziet dus op het leven in de opwas der genade. Anderen zullen stellig blijven beweren dat het geestelijke beeld dat in deze gang van Ruth naar Boaz, een heenwijzing naar Christus betekend. Maar ik zeg, dat dit on-Bijbels zou zijn, want Ruth was alrede gekomen aan het einde van haar dienstbare werk op de akkers van Boaz. De tarweoogst was immers ten einde gekomen. Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft, Rom. 10:4.  

Mag ik u dan tenslotte ook nog eens meenemen naar het moment dat Ruth door Boaz werd genodigd om het middagmaal met hem en zijn knechten te eten. Ook dit is een beeld van de rechtvaardigmaking. Niet, wanneer je het uitlegt als een on-Bijbelse heilsweg, maar wel wanneer je deze maaltijd typologisch mag gaan verklaren vanuit het licht van Johannes 6:47-56, waarin het volgende staat geschreven : “Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven. Ik ben het Brood des levens. Uw vaders hebben het Manna gegeten in de woestijn, en zij zijn gestorven. Dit is het Brood, dat uit den hemel nederdaalt, opdat de mens daarvan ete, en niet sterve. Ik ben dat levende Brood, dat uit den hemel nedergedaald is; zo iemand van dit Brood eet, die zal in der eeuwigheid leven. En het Brood, dat Ik geven zal, is Mijn vlees, hetwelk Ik geven zal voor het leven der wereld. De Joden dan streden onder elkander, zeggende: Hoe kan ons deze Zijn vlees te eten geven? Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Tenzij dat gij het vlees des Zoons des mensen eet, en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in uzelven. Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. Want Mijn vlees is waarlijk Spijs, en Mijn bloed is waarlijk Drank. Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die blijft in Mij, en Ik in hem.”

En dan lezen we in Ruth 2:14 het volgende: “Als het nu etenstijd was, zeide Boaz tot haar: Kom hier bij, en eet van het brood, en doop uw bete in den azijn. Zo zat zij neder aan de zijde van de maaiers, en hij langde haar geroost koren, en zij at, en werd verzadigd, en hield over.

Geliefde lezer, mag ik hier eens iets over vertellen vanuit mijn eigen leven. Niet tot verheffing, of wat u ook maar mag denken, maar slechts tot vermaning, troost en onderwijs. Over hoe sommige zaken verkeerd uitgelegd maar ook verkeerd verstaan kunnen worden. Ik spreek nu uit de tijd van ong. 4 jaar geleden, dat ik dus ong. 37 jaar oud was. Het was in die periode dat den Heere mijn ziel in Christus had gerechtvaardigd, maar dat ik vanwege de dwalingen (nog) niet wist wie ik was voor God. Ondermeer vanwege dat ook ik toen der tijd alles vanuit een bepaalde heilsweg verstond.

Zo las ik Gods Woord, en zo werd ik gedurig onderwezen door mannen als ds. Joh. Van der Poel, ds. W.C. Lamain, ds. T. Cabaret. Ik wist dat Christus door een weg van nood en dood in mijn arme verloren ziel geboren was geworden, maar ik durfde het niet voor een vrijspraak te houden. Ik zat werkelijk, zoals heden zovelen met mij, te denken van: “Kerstfeest beleefd is nog geen Golgotha beleefd” – Maar ja, een mens moet er maar in verstrikt zitten, en het niet anders zien. Verder was er bijna niemand die in staat was om in de middelijke weg mijn ziel te kunnen verklaren. Want Gods volk moet verklaard worden, geliefde lezer! En toch schreeuwde ik tussen de regels door, in het spreken met menigeen om een zielsverklaring. Ik bad tot den Heere om licht, en ik kreeg licht, maar ik hield het vanwege mijn onkunde en dwalingen voor de duisternis. Want, wat was daar gebeurd? Enkele weken nadat het heil van Christus aan mijn arme ziel verheerlijkt was geworden, kreeg ik van iemand een bandje van ds. Joh. Van der Poel met een preek over Ruth 2:14. Deze preek beluisterde ik toen ik op reis moest naar Frankrijk voor zaken. Maar middels deze preek kreeg ik, achteraf bezien, mijn heil en mijn deel in Christus zo krachtig bevestigd, dat ik mijn auto langs de kant moest zetten om geen ongelukken te maken. Weer stortte den Heere Zijn liefde in mijn ziel uit, met dezelfde reuke en geur, en kracht, als dat mijn ziel in Hem gerechtvaardigd was geworden. Och wat mocht ds. Johannes Van der Poel die liefde van Boaz tot Ruth toch zo schoon en zeer liefelijk verklaren. Als zit je dan in je auto, maar daar zou een mens wensen dat de kerk nooit meer uit zou gaan. En dan staat er zo het volgende: “en hij langde haar geroost koren, en zij at, en werd verzadigd, en hield over.” Kijk, dit mocht hij zeer liefelijk verklaren, zelfs in het licht van Johannes 6, door het als volgt ongeveer uit te schilderen: het gerooste koren zag op het lichaam van Christus wat in Zijn lijden door het vuur van Gods toorn en gramschap was gegaan, en dat gerooste koren werd gedoopt in de azijn, en daar mocht de Kerk (Ruth) van eten. En als een ziel daarvan, door het geloof, welke is werkende door de liefde, van mag eten, dan zou een ziel denken te sterven van de liefde die er dan gedurig in zijn ziel tot zijn lieve Borg en Zaligmaker mag zijn. Daar ligt de ziel volledig opgelost in Christus, verenigd met Hem door het geloof. Daar mag de ziel van Hem eten door het geloof, maar krijgt het niet op. En daarom het beeld uit Ruth 2:14, en zij at, en werd verzadigd, en hield over.

Hier kreeg ik dus werkelijk zeer krachtig en zeer helder van God bevestigd wat er enkele weken geleden gebeurt was. Aan de Heere lag het dus niet, want helderder had Hij het me niet kunnen bevestigen. Zingt de psalmdicht er immers niet van in Psalm 65:

Uw goedheid kroont de jaargetijen, waar Gij Uw voetstap zet,

Daar doet Gij ‘t al ten zegen dijen; daar druipt het al van vet.

Het woeste veld vangt zelfs die droppen, Zijn weide blijft niet droog;

De heuvels steken blijde toppen, met lachend groen omhoog.

Maar wat zei ds. Joh. Van der Poel nu aan het einde van deze preek: “hier zag Ruth de kroon leggen, maar zij had hem nog niet, want het moest immers nog in de poort komen etc….”

Kijk geliefden, en dit bedoel ik nu. Bijna tot aan het einde van de preek mocht hij deze maaltijd typologisch en heilsordelijk uitleggen in het licht van Johannes 6:47-56, maar aan het einde van de preek deed hij een zeer kromme onbijbelse uitdrukking die mij ontzaggelijk in de war bracht. Maar ja, ook hierin moest ik mezelf verwijten dat ik een kromme uitdrukking van een geliefd kind en knecht des Heere, zeer dwaselijk verhief boven Gods Woord zelf, en verhief boven hetgeen den Heere van vrede en verlossing tot mijn arme ziel in dat dodelijkst tijdsgewricht gesproken had. Ik deed te weinig wat destijds de Bereërs deden aangaande de prediking van Paulus, Hand. 17:11. Natuurlijk was Ruth aan die maaltijd voor het tijdelijke/aardse nog niet gelost, maar het ging nu om het geestelijke typologische beeld wat er in verborgen lag tot troost en onderwijs.

Kijk, en wanneer men dan dit boekje gaat uitleggen als een optelsom, c.q. als een trappenleer, als een heilsweg, dan is men overduidelijk aan het vergeestelijken. DIT MAG DUS NOOIT…!! Maar hoevelen doen het toch, zonder wellicht van zichzelf te weten dat ze het doen. Ik zal niet zeggen, dat ze dit tegen beter weten in doen, maar ze doen het toch, en dan vaak in de lijn der vaderen. Ik heb u in mijn artikel over Bethel en Pniël eenvoudig proberen uit te leggen waarom dit niet mag, en waarom dit on-Schriftuurlijk is. Deze wijze van Schriftuitleg heeft mij bij enkele tijden troost, maar ook ontzaggelijk veel verwarring gebracht. Want de troost die ik middels de prediking kreeg, werd mij aan het einde van de preek weer volledig ontnomen, door deze kromme on-Bijbelse uitspraken. Ik werd dus door dit soort dwalingen weer terug gebracht in het werkhuis der dienstbaarheid. Mijn ziel was wel verlost, maar ik kon en durfde niet in de vrijheid te staan vanwege, ten eerste vanwege mijn eigen afwijken van het Woord wat Christus persoonlijk van redding en zaligheid tot mijn arme ziel had gesproken, ten tweede vanwege mijn onkunde. Ik kende te weinig de Schriften, met name de zendbrieven der apostelen, om zelf te weten hoe de zaken liggen. Kende ds. Joh. Van der Poel de inhoud van deze brieven dan niet? Jawel, zielsbevindelijk zeer zeker wel, maar bij tijden stelden hij ze weleens verkeerd en zeer krom voor middels zijn leer en prediking. Deed hij dit dan express? Welnee, maar ook hij leerde vanuit dezelfde vleselijke lijn van Alexander Comrie. Zijn bevinding was zeer zuiver, want denk er om dat hij wist en zeer dierbaar kon vertellen  wie Christus voor een verloren en helwaardig Adamskind was. En dat kon hij vanuit zijn eigen leven ook zeer zuiver bevindelijk verklaren. Maar leerstellig kon het werkelijk weleens vreselijk mis gaan.

Misschien mag ik u nog een voorbeeld aanreiken, ter overdenking. Ik schreef u dat sedert enkele jaren, vanwege de dwalingen en onkunde ik niet wist wie ik voor God was. Dat heilig recht toch. Wat was toch dat heilige recht? Wie was toch Mijn Rechter? Daarbij moet ik u ook zeggen, dat er maar weinigen zijn die het heilig recht Gods helder en zuiver kunnen en durven te verklaren. Ik wist dus hoe Christus door een weg van nood en dood in mijn arme verloren ziel geboren was geworden, en ik kende ook de zielsbevindelijke blijdschap van een moeder die een kind had gebaard, zoals beschreven in Joh. 16:20-22. Maar wie was toch mijn Rechter? Werkelijk niemand kon me dit verklaren, want ik dacht toch maar aan die woorden, uit Jes. 1: 27, namelijk dat Sion door recht verlost zou worden etc. Maar ik kon toch maar niet verklaren Wie toch mijn Rechter was. Als ik dan weleens op een verjaardag naast een kind des Heere zat, dan vroeg ik het weleens aan hem, zeggende: “wat zou dat toch wezen mijnheer NN, toen het pas gebeurd las ik het Hooglied, vanwege de ingestorte liefde in mijn ziel die er gedurig tot Hem was. Mijn liefste is gelijk een bundeltje mirre, Mijn liefste is rood en draagt de banier, Mijn liefste….   – Maar dan zei ik hem, dat ik mezelf (nog) niet de bruid van Christus durfde te noemen, vanwege dat ik daartoe nog meende de rechtsgrond te missen.” Maar ook deze man kon me niet verklaren. Geliefde lezer, wat heb ik hier lang over getobd. Wat een zoektocht heb ik op dit gebied achter de rug. Maar hoe kwam dat? Namelijk vanwege de vervloekte dwalingen. Ik had werkelijk heldere en zuivere zaken doorleefd. Maar het werd alles weer in twijfel getrokken, en in de duisternis en droefheid terug gebracht. Op een keer zat ik te luisteren op een gezelschap van Gods volk, waar ik dus voor mijn waarneming (nog) niet bij behoorde. En daar werd een vrouw, ik zal haar naam niet noemen, gevraagd of zij tot slot een psalm wenste op te geven. Wel, dat wilde ze wel. Ze gaf psalm 111 vers 5 op om te zingen:

‘t Is trouw, al wat Hij ooit beval; Het staat op recht en waarheid pal,

Als op onwrikb’re steunpilaren. Hij is het, die verlossing zond

Aan al Zijn volk; Hij zal ’t verbond, met hen in eeuwigheid bewaren.

 

Toen ze deze psalm opgaf begon haar gezicht te glanzen. Waarop iemand haar vroeg, waarom ze deze psalm had opgegeven. Nou, toen begon ze te vertellen hoor! Ze kwam uit de Ger. Gem. in Ned. Maar ook zij had drie jaar lang onwetend met een geredde ziel rond gewandeld. Was dit dan onbewust gebeurd? Welnee…!! Was zij er dan zelf niet bij geweest?  Welja, maar natuurlijk wel. Maar ook zij durfde het er niet voor te houden. Waarom dan niet? Puur onkunde, afwijken van het Woord, dwalingen etc…

 

Dit nu, zijn die zielen die verkeren in de gevangenhuizen, waar Jesaja 42 over spreekt. “Maar nu is het een beroofd en geplunderd volk; zij zijn allen verstrikt in de holen, en verstoken in de gevangenhuizen; zij zijn tot een roof geworden, en er is niemand, die ze redt; tot een plundering, en niemand zegt: Geeft ze weder. Wie onder ulieden neemt zulks ter oren? Wie merkt op en hoort, wat hierna zijn zal? Wie heeft Jakob tot een plundering overgegeven, en Israel den rovers? Is het niet de HEERE, Hij, tegen Wien wij gezondigd hebben? Want zij wilden niet wandelen in Zijn wegen, en zij hoorden niet naar Zijn wet.”   

Ik heb hier onlangs een meditatie over geschreven, klik hier. Maar toen deze vrouw tenslotte, ook na een lange zwerf- en zoektocht, in de middelijke weg door haar zielsvriendin verklaart mocht worden, kreeg zij dit van den Heere nogmaals bevestigd middels deze opgegeven psalm. Kunt u begrijpen dat haar gezicht begon te glanzen…?? En ik zat daar wenend in een hoekje dat allemaal aan te horen, denken in mezelf: “Wat die vrouw daar vertelde, heb ik precies zo doorleefd als zij. Maar die Rechter, wie was toch mijn Rechter…??” – Aan het einde van de avond namen we afscheid. De vrouw over wie ik vertelde, wilde ik wel een kus geven, maar ik durfde niet. Maar, wat had ik een zielsbetrekking op haar gekregen. Wat blonk haar gelaat van Christus haar lieve Zaligmaker. Ik gaf haar met m’n beide handen de hand, en zei dat ik heilig jaloers op haar was, en ging wenend naar huis. Nog immer niet wetend wie ik voor God was. Die vrouw mocht na lange tijd in de middelijke weg door haar zielsvriendin verklaart worden, maar wie zou mij toch eens verklaren? Een poosje daarna beluisterde ik een preek van ds. Joh. Van der Poel. Wat heb ik veel van deze man gehouden, want wat blonk ook hij zovele malen van de liefde Gods in Christus. Maar wat heb ik hem ook vele malen onwetend en onkundig verafgood, en sommige van zijn uitspraken verheven boven het Woord Gods. Waarom dan? Ik zal u een voorbeeld geven. Ik beluisterde dus die preek waar ik u daarnet over schreef. Maar tijdens deze preek deed hij een uitspraak, waardoor ik helemaal in de war raakte. Werkelijk geheel geestelijk van onderste boven raakte. Het ging over het heilige recht Gods, waarin hij ong. de volgende uitspraak deed, dat: “wanneer een ziel tot het heilige Recht Gods door de Vader getrokken word, behoeft hij daaraan niet te twijfelen of dit het heilige Recht Gods wel is, want wanneer de ziel daarin of daartoe getrokken word, dan ziet die ziel zijn Rechter daar helderder staan als dat die ziel ds. Joh. Van der Poel op de kansel kon zien staan…!!” Een uitdrukking die ik te visionair verstond, en op mezelf toepaste. Wat ds. Van der Poel hiermede bedoelde was, de kracht waarmee dit geschiedt..!! Maar ik verstond het dus te letterlijk, want God is een Geest, en niemand kan God zien. Maar ds. Van der Poel deed weleens meer van dit soort uitspraken, waardoor een mens zou kunnen gaan denken, zijn Rechter in een soort geestelijk visioen te moeten aanschouwen.

Nu dan, zo concludeerde ik, dan heb ik dat heilige Recht Gods nog nimmer doorleefd, want ik had nog nimmer mijn Rechter zien staan, zoals ds. Joh. Van der Poel mij dat middels die preek had uitgeschilderd. Met bange vreze werd ik weer bevangen. Maar telkens moest ik denken, hoe kwam het dan dat ik Christus wel door het geloof had gezien had, hoe kon het dan dat hij door de nood en dood in de beestenstal van mijn ziel geboren was geworden? Geliefde lezer, in deze angsten en opgeloste raadselen heb ik enkele jaren gelopen. Wat heb ik den Heere gedurig gesmeekt om Licht van Boven. Tot het moment kwam dat den Heere mij in de middelijke weg kwam te verklaren, vanuit Zijn eigen Woord en dierbaar Getuigenis, wat daar op mijn 37e was geschiedt. Toen voerde Hij mij uit der bozen netten.

Gods verborgen omgang vinden, zielen, waar Zijn vrees in woont.

‘t Heilgeheim wordt aan Zijn vrinden, naar Zijn vreeverbond, getoond.

d’ Ogen houdt mijn stil gemoed, opwaarts, om op God te letten:

Hij, die trouw is, zal mijn voet, voeren uit der bozen netten.

‘Schrijver, was dan ds. Joh. Van der Poel een boos net voor u?’ Zal iemand mij wellicht in zijn/haar gedachten weer vragen. Nee lezer, deze man was geen boos net, maar wel sommige van zijn kromme en on-Bijbelse uitspraken. Daarnaast was mijn eigen onkunde en het afwijken van Gods Woord het grootste innerlijk boze net waarin ik verstrikt was geraakt, geliefden. Maar ja, een ziel moet er maar verstrikt in geraken. Hoe zou een mens er ooit uitkomen, als God Zelf er niet aan te pas zou komen. Op een keer raakte ik in een pennenstrijd verwikkeld met een man, die ik geheel niet kende. Maar deze man was me werkelijk een ergernis, met zijn uitleg van leer. Ik probeerde hem, vanuit mijn onkunde en de vele dwalingen die me aankleefden, te weerleggen en te vermanen. Ik probeerde hem werkelijk de mond te snoeren. Maar ik moest het verliezen, want hij weerlegde mij telkens vanuit het Woord. Ik kwam ook wel vanuit het Woord, maar legde het telkens on-Bijbels uit. Ik kon, en wist tenslotte niet meer wat te schrijven op zijn Bijbelse vorm van uitleg. Ik moest werkelijk capituleren. Niet voor hem, want hij was maar een middel, maar juist temeer voor het Woord. Ik weet niet of u het weleens heeft gelezen, maar in de profetieën van Jeremia staat zo het volgende geschreven: Is Mijn woord niet alzo, als een vuur? spreekt de HEERE, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat?, Jer. 23:29.”Geliefde lezer, na deze pennenstrijd was ik werkelijk door dat Goddelijke Woord te morzel geslagen. Ik had aan het einde van deze pennenstrijd ook nog een en ander uit mijn eigen leven mogen vertellen, waarop die man de vrijmoedigheid kreeg om mij een weinig nader geestelijk te mogen gaan verklaren. Maar ja, wat hij over mij schreef durfde ik, vanwege mijn onkunde en dwalingen, nog steeds niet te geloven. Ik was nog immer bevangen van het vervloekte ongeloof, de onkunde, en de dwalingen. Ik was gelijk Thomas. Ik kon het en durfde het gewoonweg niet te geloven. Tenslotte, ging ik hiermee op de knieën voor God, Hem smekende, dat als het nou waar was wat die man mij schreef, of ik dit dan nogmaals vanaf de daken gepredikt, bevestigd mocht krijgen. En daar kwam ds. J.J. Roodsant aan het einde van die bewuste week, bij ons op dorp preken. En daar ging die man spreken over Davids begeerte om te drinken uit de bornput van Bethlehem die in de poort was, 2 Sam. 23 vers 15 :  En David kreeg lust, en zeide: Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput, die in de poort is?”  - Daarbij noemde hij de volgende drie punten ter overdenking :

1.     Davids begeerte om te drinken van dat water

2.     Het verkrijgen van dat water

3.     Het eindigen van God met dat water

Wel geliefde lezer, daar werd deze knecht en dit kind des Heere toch verwaardigd om in de middelijke weg te mogen gaan verklaren wat er 3 jaar geleden van heil en zaligheid geschiedt en verheerlijkt was geworden, in mijn arme verloren ziel voor God. Bij het eerste punt schilderde de Heilige Geest me voor, hoedanig mijn arme verloren ziel mocht dorsten naar het dierbare bloed van Christus, nadat ik door recht verloren was gegaan. Bij het tweede punt, werd mij door de Geest getoond hoe mij dat bloed uit genade om niet door een weg van recht werd geschonken – hierbij noemde ds. Roodsant tot tweemaal toe die zeer liefelijke en dierbare woorden waarmee ik door Christus in de vrijheid was gezet, en bij het derde punt verklaarde hij de dankbaarheid en de aanbidding die mocht wezen in mijn ziel tot Christus. Ik zou hier nog veel meer over kunnen uitweiden, maar ik wilde het hier maar even bij laten. Na deze dienst ging ik wenende naar huis, innerlijk den Heere prijzende, lovende en bezingende dat Hij me nogmaals Zijn doorboorde handen en doorboorde voeten had willen laten zien, middels deze prediking. “Mijn Heere en Mijn God”, mocht ik toen innerlijk samen met Thomas zeggen. Daarna werd ik door de Heilige Geest nog nader onderwezen, Wie nu mijn Rechter was geweest. U moet en mag van mij weten dat ik in dat gericht en die dodelijke stonde getrokken werd door de Vader, Joh. 6:44, middels het zingen van psalm 32:1

Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven, Die van de straf voor eeuwig is ontheven,

Wiens wanbedrijf , waardoor hij was bevlekt, Voor ‘t heilig oog des HEEREN is bedekt.

Welzalig is de mens, wien ‘t mag gebeuren, Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren, En die in ‘t vroom en ongeveinsd gemoed; Geen snood bedrog maar blank’ oprechtheid voedt.  

 

Geliefde lezer, waarom weidt ik hier zo over uit. Werkelijk waar, niet om mezelf te zoeken of te verheerlijken, want wie ben ik dan? Slechts een doorbrenger en verkwister van genade. Maar ik schrijf dit tot vermaning en onderwijs voor hen die mogelijk net als ik zo innerlijk schreeuwen om een verklaring van hun arme ziel voor God. Ik moest mijn brood uitwerpen op de wateren, om het na vele dagen te mogen vinden. Ook dit geschreven behoort tot dat brood wat ik uit moest uitwerpen op de wateren. Middels deze psalm moest ik innerlijk verloren gaan, geliefde lezer. Deze psalm werd mij een doemwet ten dode. Middels deze psalm werd ik overtuigd van zonde, gerechtigheid en

oordeel. Van zonde omdat ik in Hem niet geloofde, lees Joh. 16, van zonde omdat ik met Hem (nog) immer niet verzoend was geworden, van zonde omdat die Rechter middels deze psalm Zijn heilige volmaakte Goddelijke beeld kwam terug te eisen. En daar begon het van binnen te bulderen: “rampzalig diegenen die zijn zonden niet vergeven zijn geworden in het bloed van Jezus Christus”  – Geliefde lezer, wat heb ik gekermd en geweend tot God in dit heilige zielsgericht, smekende of Hij me in Christus nog barmhartig wilde wezen. Ik werd daar in die stonde gedurig gevoerd met smeking en geween. Ik kon niet meer stoppen met wenen. Al mijn bedreven zonden werden mij daar toen zeer helder getoond, maar ook mijn erfschuld en erfzonde. En daar bulderde weer die woorden in mijn ziel : “rampzalig diegenen die zijn zonden niet vergeven zijn geworden in het bloed van Jezus Christus”  — en daar kwam die eis tot betaling, die eis van dat Goddelijke beeld, zeggende mij vanbinnen,  “Ik heb u in Adam rein geschapen, waar is Mijn beeld:  Betaal mij wat gij schuldig zijt…!!”

Geliefde lezer, daar werd ik overtuigd van Gods gerechtigheid, lees Joh. 16:10, daar werd ik het waardig en werd ik het ermee eens gemaakt en door de trekkende liefde des Vaders voor ingewonnen, dat God in Christus nooit meer naar mij om zou zien. Ik moest naar de hel, en Hij naar de Hemel. Maar ik hoefde niet meer naar de hel, want ik had de hel al in me, geliefde lezer. Wat gevoelde ik daar toen in dat gericht de toorn en de gramschap Gods over mijn zonden op mijn arme verloren ziel branden. En daar ging ik onder het eeuwig oordeel, als in een punt des tijds verloren. Maar dat die lieve Zone Gods niet toe, geliefden. Want, toen ging Hij daar in mij plaats staan, met deze woorden: “Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven, neemt, eet, dit is Mijn Lichaam, gedenkt en gelooft…   Geliefde lezer, met deze woorden werd ik van en uit de hel van mijn verloren bestaan voor God gered. Wie zal ooit uit kunnen schilderen, wat een ziel dan krijgt te doorleven. Dat is haast niet te omschrijven. Misschien begrijpt u nu een weinig meer waarom ik dit later bevestig kreeg met deze volgende woorden: Als het nu etenstijd was, zeide Boaz tot haar: Kom hier bij, en eet van het brood, en doop uw bete in den azijn. Zo zat zij neder aan de zijde van de maaiers, en hij langde haar geroost koren, en zij at, en werd verzadigd, en hield over, Ruth 2:14.  Welk een wonder van genade, voor zulk een als ik ben. Daar werd mij het geloof in Hem geschonken, daar werd ik in Hem ingelijfd, daar werd een plant met Hem, daar lag ik opgelost in Hem. De liefde die dan door de onwederstandelijke werking des Heiligen Geestes in de ziel wordt ingestort, daaronder zou de ziel bezwijken. Al de uitgangen van mijn ziel gingen uit tot Hem, mijn lieve Heere Jezus, mijn Verlosser, mijn Koning, mijn Zaligmaker, mijn Rabouni. Hij mij ongerechtigheid, en ik Zijn gerechtigheid. Geliefde lezer, daar in die stonde zou een ziel willen maar ook kunnen sterven, wat daar is dan ook een rechtsgrond voor. “Mijn Heere en Mijn God”     

De Heere mocht dit gebrekkig geschrevene nog rijkelijk willen zegenen tot vermaning, tot onderwijs, maar ook tot rijke troost en zegen voor zielen die wellicht net zo lang, of misschien nog wel langer met een innerlijke schreeuw om een zielsverklaring hebben gelopen, dan ik. Tenslotte nog dit. Geliefd kind des Heere, gij die het er niet voor durft te houden, net als ik gedurende drie jaren lang, vanwege uw onkunde en de dwalingen waarin u mogelijk verstrikt bent geraakt, maar ook vanwege het afwijken en het ijdel achten van de woorden die Christus tot u in dat zielsgericht heeft gesproken, lees Gal. 5:4, maar wel mag weten dat Christus in uw arme verloren ziel geboren is geworden. Gij die het mag weten, en ervan kan getuigen hoe dierbaar en hoe schoon die geboren Koning u werd. Hoe Hij daar werd gelegd in een voerbak, in de beestenstal van uw verdorven hart. U die het mag weten hoedanig toen Zijn Licht in uw verdorven beestenstal begon te schijnen, zodanig helder en krachtig, dat die zwarte beestenstal ineens veranderde in hemels Paleis van die geboren Koning.  Ik zeg het u in de Naam van de Heere Jezus Christus, uw zonden zijn u voor eeuwig vergeven, uit vrije genade om niet, om Zijnent wil, en: “Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen, Gal. 5:1”  - Amen

 

D.J. Kleen