Ds. Joh. v/d Poel – mp3

Posted by admin | | vrijdag 24 oktober 2008 2:49 pm

Het downloaden van deze preken is uitsluitend toegestaan voor privégebruik.   ‘www.dewoesteweg.nl’ verbiedt het op CD/DVD zetten van deze preken voor commerciële doeleinden.

De ‘Poelkerk’ aan de Schaapsweg te Ede

 

 

 

 

 

Kijk ook eens bij O.G.G. anekdotes :  klik hier

 

Persbericht RD – ‘Johannes is zijn naam’ :  klik hier

 

 

 

 

 

Een enkele kanttekening 

Helaas heb ik deze godzalige prediker, waar ik altijd veel achting voor heb gehad, persoonlijk nooit gekend. Johannes Van der Poel was een kind en een knecht Gods, maar helaas geen zuiver theoloog. De geroepen boerenknecht Hannes Van der Poel bepreekte de bevinding der heiligen helaas niet vanuit de rechtvaardigingsleer der apostelen. Toch heeft hij op een zeer bijzondere wijze mogen preken met de gave die hij daartoe van God kreeg geschonken. Was hij dan een bijzondere dominee? Nee, hij was een man met bijzondere geschonken genade. Deze genade in Christus Jezus preekte hij in een weg van Gods heilig recht. Door de weg van het verdoemende recht (=Wet), en van het verzoenende recht (=Evangelie). Hij kon de gekruiste Christus als geen ander in zijn prediking zeer liefelijk voorstellen, in Zijn lijden en sterven en in Zijn heerlijke opstanding. De geschonken genade die hij in en door het bloed van Christus Jezus heeft mogen ontvangen, leefde hij in zijn persoonlijke, maar ook in zijn ambtelijke leven, uit. Hij heeft door genade zijn geloof mogen versieren met de liefdewerken Christi. Hij mocht vele malen de voeten van zijn broederen wassen, en stelde zich menigmaal zeer verzoendend op. ‘Vandaag valt hij, morgen ben ik het.’ Deze man mocht leven vanuit de vergeving der zonden, c.q. vanuit een evangelische liefde en had derhalve veel lief. Hij achtte anderen uitnemender dan zichzelf. Waren er nog maar van zulke leesbare brieven en getuigen van Jezus Christus. Wanneer je hem van zijn Zaligmaker hoorde getuigen dan hoorde je een kind Gods spreken, Rom. 8:16. Wanneer je deze man in zijn gebed beluisterde dan hoorde je een bedelende tollenaar ergens achterin de tempel. Ik weet nog dat ik als jochie van 13 jaar naar een oude bandrecorderband zat te luisteren van de opening van de Stadhouder Willem III School te Ede. Daar benadrukte hij de meesters en de juffrouws de noodzakelijkheid van de waarachtige bekering. Om dit toch dagelijks de kinderen voor te houden. Daarbij vertelde hij over z’n bekering, en over zijn godvrezende moeder, en nog vele dingen meer. Dit maakte al vroeg indruk op mij. Ondanks dat ik hier later gemakkelijk weer overheen begon te leven, ben ik dit bijzonder schoon getuigenis nooit meer vergeten. Deze band is helaas  zoek geraakt. Ik heb overal gezocht, en heb ook overal geinformeerd, bij de school, bij de koster, bij de kerkenraad. Maar niemand wist helaas meer van deze band af. Misschien is er nog een meester of juffrouw die toen bij de opening van de school aanwezig was, en inmiddels met pensioen is gegaan. Indien iemand weet waar ik deze band mogelijk vinden kan, wilt u mij dan misschien een hint geven? Maar helaas was ds. Joh. Van der Poel dus ook bevangen met de leerdwalingen, zoals verwoord in de dogmatiek van G.H. Kersten. Doelende op het leerstuk der wedergeboorte / levendmaking, die hij in zijn prediking te vroeg stelde. Poel leerde in zijn prediking de rechtvaardiging van de wedergeborene. Hij vermengde voor wat betreft de leerstellingen, de bevinding der heiligen met de leerbrieven der apostelen. Deze twee mogen wel onderscheiden van elkaar gepreekt worden, waarbij de bevinding altijd getoetst dient te worden aan het Woord, maar mogen nooit met elkaar vermengd worden. Deze goed bedoelde kromme on-Bijbelse uitspraken werden door sommigen verheven boven Gods Woord. Wat bedoel ik hiermee? Ik zal een voorbeeld noemen; op het gezelschapsleven werd vaak gezegd dat de overtuigingen der wet waarin een ziel zijn zonden aanvankelijk leert bewenen, de eerste tekenen waren van het beginnende geestelijke leven. Terwijl Gods Woord leert dat wanneer het gebod der wet ingekomen is, (Rom. 7) de zonden levend worden in het hart van een ontwaakte zondaar in plaats van de zondaar levend wordt. Sommigen op deze gezelschappen deden ook vaak uitdrukkingen zoals: “de eerste kruimel geloof die ik ontving was dat ik ging geloven dat ik geen geloof had….” Dit wordt wel degelijk ondervonden op de toeleidende weg tot Christus, maar heeft wezenlijk niets met het zaligmakende geloof te maken wanneer er niet metterdaad een openbaring van Jezus Christus opvolgt door de weg van geestelijke kruisdood en opstanding, tot zaligheid, blijdschap en vrede van de ziel met God en zijn naasten. Het zogenoemde geloof in Gods heilige wet tot ontdekking en doding gaat er wel altijd aan vooraf, maar is wel degelijk onderscheiden van het geloof in de beloftenissen des Evangeliums tot bedekking en levendmaking. Dit soort zaken en kromme uitdrukkingen die wij ook wel de vermenging van Wet en Evangelie noemen, gebruikte Johannes Van der Poel ook vaak in zijn leer en prediking. Dit heeft hij nooit beseft en/of geweten. Want, hij was geen geleerde dogmaticus maar eigenlijk meer een bevindelijke practicus. Voor wat betreft de bevinding (=hoe het gaat) stelde hij de bedoelde zaken zeer zuiver voor, maar leerstellig maakte hij er weleens een puinhoop van. De mensen die hem verafgoden kunnen deze dingen maar slecht verteren, en wensen hier niet van te horen. Zij verheffen zijn prediking helaas boven de leerbrieven der apostelen, en weigeren te doen gelijk destijds de edele Bereeers deden omtrent de prediking van de apostel Paulus. Ds. Joh. Van der Poel is eigenlijk zijn gehele leven een eenvoudige boer gebleven. Lange tijd heeft hij in zijn bediening niet eens geweten wat woorden als bv. dogmatiek, en apologetiek, betekenden. Veel gestudeerd heeft hij nooit, dat kon je horen. En toch was deze man op een zeer bijzondere wijze zielsbevindelijk van God geleerd. Hetgeen de Heere hem menigmaal door druk en kruiswegen had willen leren, daar mochten zijn hoorders menigmaal van mee eten. Wanneer deze eenvoudige boer in zijn opleiding tot predikant aan de voeten had gezeten bij een man als bijv. H.F. Kohlbrugge, dan was hij een groot theoloog geworden. Dit is echter nooit gebeurd. Ik heb me vanuit een goede bron laten vertellen dat zijn bekeerde broer Henk Van der Poel, daarentegen veel zuiverder in de leer was dan Johannes. Hendrik was in beginsel een aanhanger van de leer van ds. Paauwe, en werd later thuislezer. Hij overleed eerder dan zijn broer Johannes die hem ook begraven heeft. In de rouwdienst deed Johannes Van der Poel een uitspraak die het oordeel van onze hedendaagse tijd nog steeds typeert. Wat nu volgt is niet de letterlijke uitspraak, want ik heb het niet uit de eerste hand, maar de inhoud was een uitspraak in de geest van: “Volk, ik mag geloven dat broer Henk voor Gods troon mag juichen, en dat ik straks samen met hem voor eeuwig God groot zal maken, maar denk niet, dat wanneer ik hier achter ergens in een schuur moest preken, dat hij z’n klompen aantrok om te komen luisteren.”  Ja lezer, en toch had Johannes zijn godvrezende broer Henk zeer hoog staan. Hij noemde hem bij tijden zelfs een richter in de genade. Deze twee broers hadden dezelfde geestelijke bevinding, die ze vanuit een verscheiden leer vertolkten. Henk bleef meer bij de leer der reformatie en voelde zich daarom bijna nergens meer thuis, en Hannes preekte qua leer wat meer in de lijn van de volgelingen van Alexander Comrie. Toch heeft God zijn prediking willen gebruiken tot bekering van verloren zondaren. Zijn leer druist eigenlijk in, tegen hetgeen we op deze website trachten te verdedigen. Toch wilde ik u deze preken niet onthouden, omwille van de kostelijke bevinding der heiligen die hij mocht preken, waar heden ten dage schier bijna niet meer over gesproken wordt. Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn, Rom. 8:16. Er zijn gelukkig ook nog zielen onder Gods volk die verwaardigd zijn, om dwars door de (leer)dwalingen heen, het kostelijke van het snode in de prediking te mogen onderscheiden.

 

 

D.J. Kleen

 

 

———————————————————————————————————

 

 

Lees hier verder

 

DJK : Vermenging Wet en Evangelie aangetoond, en op grond van Gods Woord verworpen

 

 

DJK :  Verhandeling over de on-Bijbelse en Bijbelse verklaring van HC zondag 7

Citaat: “Mensen, die wel de genade van het Evangelie willen geloven, maar die de vloek van de wet nooit willen geloven. Waarlijk, dan is de genade geen genade meer, indien de mens die niet zuiver en alleen door Christus, maar ook door zijn tranen, gebeden en werken nog heeft weten te verkrijgen, hoe mooi Evangelisch de wijze van zijn wettische handel hier ook al mag liggen, en hoe subtiel zijn bedrog ook mocht zijn. Want waar slechts een half volkomen overtuiging is, die de mens niet geheel en al brengt tot het gevoelen van zijn verloren staat in Adam, gelijk als nu is aangewezen, daar wordt nooit oprecht gelovig, maar altijd wettisch, ongelovig en door eigenwerk met Christus en met het Evangelie gehandeld. De bekommerde ziel slaat daar haar ogen niet zuiver alleen op de beloften van Gods genade, en op de vrije aanbieding van Christus in dezelve aan alle arme radeloze zondaren, zonder onderscheid, die maar van harte gewillig zijn, om Hem, geheel om niet, te ontvangen en aan te nemen. Ach nee! Dat zalig Evangelie blijft voor haar dan nog bedekt, omdat het voorhangsel van haar vlees nog niet geheel in stukken gescheurd is, van boven tot beneden. De mens, hoe benauwd en bekommerd hij ook zijn mag, ligt dan nog zo vast niet gebonden onder de overtuiging van zijn schuld, vloekwaardigheid en onmacht, dat hij zichzelf niet meer roeren of bewegen kan, maar het in een heilige radeloosheid en waarachtige zielsverlegenheid allemaal aan zijn kant, voor de vrije genade Gods in Christus, geheel moet opgeven. Nee, hij werkt in een wettisch en een Evangelisch werkwijze, om met zijn tranen, gebeden en uitroepingen, met zijn belijdenis van zonde, en met allerhande arbeid en plichtsbetrachtingen, God te willen bewegen tot genade, en om een Zaligmaker aan hem te schenken, terwijl hij door enkele blindheid en ongelovigheid niets recht kan zien van de gewilligheid, van de algenoegzaamheid en van de nodiging en vrije aanbieding van Christus, in de beloften van het Evangelie. Indien zóeen hier door een nadere ontdekking en inlichting van de Heilige Geest, van deze zijn ongelovigheid niet wordt overtuigd en niet recht wordt ingeleid in zijn verloren staat, hoe hij met al zijn bidden, tranen, werken en begeerten, enz. geheel verdoemelijk is voor God, dan blijft hij in dat ongelovig, wettische werk gewoonlijk zo lang bekommerd en verlegen staan, totdat hij op de een of andere wijze, door een waan- of tijdgeloof uit zijn benauwde angst en overtuiging gered wordt.” (Uit: toetssteen der ware en valse genade – Th. Van der Groe)