Selectie Luthercitaten

Posted by admin | | woensdag 29 december 2010 5:24 pm

   Aanvraag Luthercitaten per email: klik hier

 

Selectie – Luthercitaten per mail (2)

.

Selectie – Luthercitaten per mail (3)

.

Selectie – Luthercitaten per mail (4)

.

.

—————————————————————————————————-

.

1. Voor meester Peter Barbier, Luthers kapper

Beste meester Peter, goede vriend, ik zeg je zo goed als ik kan hoe ik zelf mijn gebed doe. Onze Heere God geve jou en een ieder om het beter te doen. Amen. Ten eerste wanneer ik door afleidende zaken of gedachten koud ben en geen zin heb om te bidden, zoals het vlees en de duivel altijd het gebed tegengaan en verhinderen, neem ik mijn psalmboekje,* ( voetnoot * : Duits: Pselterlein: dit is een gebedenboekje waarin o.m. het Onze Vader, de tien geboden, de geloofsbelijdenis en ook psalm, evangelie en epistel fragmenten opgenomen zijn.) loop wat op en neer door de kamer, of in de kerk onder het volk en begin met de tien geboden, de geloofsbelijdenis en daarna als ik tijd heb, verscheidene teksten van Christus, Paulus of de psalmen mondeling bij mij zelf te spreken, precies zoals de kleine kinderen doen*. (voetnoot* : Hier brengt Luther nog de oude klooster gewoonte in praktijk om al wandelend en lezend te mediteren en te bidden) Het is goed om ‘s morgens vroeg het gebed je eerste en ‘s avonds je laatste werk te laten zijn. En op te passen voor de onjuiste en verraderlijke gedachte die zegt: wacht maar even over een uur zal ik wel bidden, ik moet dit of dat eerst nog even doen. Want van zulke gedachten kom je in je gewone bezigheden, die houden je vast en nemen je zó in beslag dat die dag van het gebed niets terecht komt (…) , ook moet je weten dat ik niet wil dat alle woorden [van het Onze Vader, de geloofsbelijdenis en de tien geboden] in het gebed echt gesproken worden, want dan zou het tenslotte een gebrabbel en leeg gepraat uit een boekje worden, of het lezen van de lege letters, zoals vroeger het rozenkransbidden bij de leken en bij de geestelijken en monniken geweest is. Ik wil dat het hart levend is en onderwijs krijgt door de gedachten die het uit het onze Vader zal opnemen, zulke gedachten kan het hart, wanneer het warm en tot bidden gestemd is, wel met veel andere woorden, ook wel met minder of meer woorden uitspreken. Want ik zelf laat me ook niet aan zulke woorden of lettergrepen binden, maar vandaag zó en morgen weer anders. De woorden spreek ik naarmate mijn hart verwarmd of levend is, toch blijf ik zo dicht mogelijk bij de zelfde gedachten en betekenis [van het onze Vader, de geloofsbelijdenis en de tien geboden]. Het gebeurt wel vaak wanneer ik mijn gebed doe, dat ik in één stukje of bede uitwandelen ga, zo met rijke gedachten vervuld, dat ik mijzelf geheel verlies, zodat ik de andere zes beden vergeet, en wanneer dan zulke rijke en heerlijke overdenkingen komen moet je de andere beden maar laten gaan, aan je gedachten de ruimte geven en in stilte toehoren en vooral niet storen, want daar predikt de Heilige Geest zelf. Eén woord van Zijn prediking is beter dan duizend gebeden van ons. Ik heb ook dikwijls veel meer geleerd in één gebedje dan dat ik door veel lezen en denken zou ontvangen hebben. Wie man beten sol, für Meister Peter Balbierer, W.A. 38, 358, 1 – 359, 10 en W.A. 38, 362, 37 – 363, 17

 

 

2. U hebt mij gezien in de moederschoot

[Lieve Heere God], dat is zo veel gezegd: eer ik nog was , leefde, bewoog en iets kon doen, was Gij het Heere die op mij zag in het lichaam van mijn moeder. U nam mij als Uw schepsel genadig aan, zorgde teder voor mij en bewaarde mij op wonderlijke wijze. Veel meer doet U dit, o trouwe Mensenhoeder, aan mij, nu ik als een volwassen mens in deze wereld leef, loop, sta, werk en door Uw Woord U ken. Ofschoon het er soms wel heel anders uitziet, en anders schijnt te zijn, en mijn oude Adam, die mij tot aan het graf om de hals hangt, het tegendeel voelt. Het schijnt slechts zo, het mag zijn zoals het wil, ik stoor me er niet aan, ik laat mij ook niet in de war brengen, maar houd mij aan Uw Woord: dat U vanaf de moederschoot mijn Heere bent, dat bedriegt niet en kan niet missen, daarop verlaat ik mij. Maak mijn geloof levend en versterk het, zodat het niet op het zichtbare, wat tegenstrijdig is ziet, maar op het onzichtbare, wat ik door hoop en geduld verwacht. Geloofd zij U mijn Heere en mijn God in Eeuwigheid. [Amen]  Bibel- und Bucheinzeichnungen, W.A. 48, 55, 5 – 20

 

 

3. Gij zone Davids ontferm U mijner

De monniken en de bedelaars op straat en in de stegen kennen de kunst van het bedelen wél, maar de mensen houden er niet van, worden het gezeur zat en sturen zulke bedelaars met boze woorden weg. Maar onze Heere God heeft graag zulke bedelaars aan Zijn deur, die vol hoop aanhouden en zich niet laten wegsturen. Dat zijn de échte volhouders, de goede bedelaars, die onze Heere God graag heeft. Daarom zullen wij met opmerkzaamheid op dit voorbeeld van deze blinde man letten en ook zo tot Christus komen en zonder ophouden bidden. O Heere! Ik ben een arme zondaar, geef dat Uw Rijk ook tot mij kome, en vergeef mij mijn schulden, help hier en help daar! Heere het is Uw eer dat ik van U bedel. Daarom gedenk en zie niet aan dat ik onwaardig ben, maar dat ik Uw hulp nodig heb. De enige Die zondaren in noden kunt helpen bent U. Het is tot Uw eer dat ik U aanroep maar ik kan Uw hulp ook niet missen. E.A. 4, 325 – 326

 

 

4. Nochtans ziet Hij de nederigen aan

Ja, werkelijk God is een hoge Majesteit, maar u moet Die niet zo hoog voorstellen, dat u daarom niet tot Hem zou bidden. Als u deze Majesteit zo verheven acht, waarom acht u het dan helemaal niet dat deze Majesteit u zelf geboden heeft, dat u moet bidden?  U bent absoluut niet te gering of te onbeduidend dat u dit gebod van God niet aangaat. Zie naar dit gebod, en vraag genade aan Hem die u geboden heeft! Heere, ik heb zelf geen keuze of ik graag bid of niet, U hebt het geboden. Daarom weet ik, dat ik U moet gehoorzamen, wanneer ik het bidden onwaardig ben, zo is toch Uw gebod en wil waardig genoeg om te gehoorzamen, Uw belofte is waardig dat ik U vertrouw. Daarom bid ik niet op grond van mijn waardigheid, niet om de waardigheid van Maria, niet om die van Petrus, maar alleen om de waardigheid van de Naam Jezus en in de Naam van God, Die het geboden en bevolen heeft.[ Amen] Auslegung über die psalmen, 1531 – 1533, Psalm 120

 

 

5. Indien gij van ganser harte gelooft

Lieve Heere God, Ik geloof dat Jezus Christus, waarachtig God, van de Vader van eeuwigheid geboren, en ook waarachtig mens geboren uit de maagd Maria, mijn Heere en Zaligmaker is, Die mij, verloren en verdoemd mensenkind, verlost heeft met Zijn lijden en bittere dood. Hij heeft mij ook uit alle zonden, de dood en uit de macht van de duivel verlost, niet met goud of zilver, maar met het Zijn heilig en dierbaar bloed, en met Zijn onschuldig lijden en sterven, opdat ik Zijn eigendom zij, en in Zijn Rijk, voor Hem leef en Hem dien, in eeuwige gerechtigheid, onschuld en zaligheid. Hij Die opgestaan is uit de dood, leeft en regeert in eeuwigheid. Dat is gewisselijk waar! Amen. Gebets-Schatz 1895 (vergelijk: Kleine Katechismus, W.A. 30.1, 365 – 367)

 

 

6. Levensmoe ? 

Maar verlos ons van de boze. Ach lieve Heere, God en Vader, dit verdrietige leven is zo vol smart en ongeluk, zo vol gevaren en onzekerheid, zo vol ontrouw en boosheid (zoals Paulus zegt: De dagen zijn boos), dat wij terecht vermoeid van dit leven naar de dood zouden verlangen. Maar U lieve Vader kent onze zwakheid. Help ons door deze wereld met haar menigvuldig kwaad en verdorvenheid veilig heen. En wanneer Uw tijd komt geef ons een genadig doods-uurtje en een zalig vertrek uit dit tranendal. Dat de dood ons niet doet schrikken of de moed laat verliezen, maar dat wij met een vast geloof onze zielen in Uw handen bevelen. Amen. Wie man beten sol, für Meister Peter Balbierer, W.A. 38 , 362, 20 – 29

 

 

7. Luthers gebed om regen

Als er in lange tijd geen regen gevallen was, en alles droog en verdord en ieder in onzekerheid was, ging Dr. Maarten Luther de tuin in, hief zijn ogen naar de hemel, bad en sprak het volgende: Heere God, U heeft gezegd door de mond van David Uw knecht: De Heere is nabij allen die Hem in waarheid aanroepen; Hij zal de wil doen van die Hem vrezen, Hij hoort hun gebed en helpt hen uit * (* voetnoot: Psalm 145, 18 – 19, Luther Vert.). Hoe kan het dan dat U ons geen regen wilt geven, terwijl wij zo lang roepen en bidden. Welaan geeft U geen regen, dan zult U ons wat beters geven: een stil en gerust leven in vrede en eenheid. Nu we bidden zo zeer, en hebben het al zo vaak gedaan. Als U het niet doet lieve Vader zullen de goddelozen zeggen: Christus Uw lieve Zoon liegt wanneer Hij zegt: Amen, amen ik zeg U, wat u de Vader  bidden zult in Mijn Naam, zal Hij u geven. Zo zullen zij tegelijk U en Uw Zoon van leugen beschuldigen. Ik weet dat wij hartelijk tot U roepen en vol verlangen zuchten. Waarom verhoort U ons dan niet? [En hierna, zelfs in de zelfde nacht van  9 juni in het jaar 1532, viel er een zeer overvloedige en vruchtbare regen]. E.A. 65, 217

 

 

8. Bid en dank voor je eten

[O Heere God], laat ons dit gezegd zijn, wij die christenen heten en zijn, en daarvoor gehouden willen worden: dat wij Gods gaven met eerbied en dankzegging van God de Almachtige ontvangen, en niet aan tafel gaan als een varken naar de trog, en zó weer van tafel lopen, als wij gegeten hebben, zonder onze lieve God met het kleinste gebedje of zuchtje te danken, ja zelfs niet denken aan onze Heere God, die ons ondankbaren uit enkel barmhartigheid en milde goedheid, ons dagelijks voedsel geeft, en helaas onze lieve God vergeten, Die ons alles overvloedig geeft om te genieten. Bibel- und Bucheinzeichnungen, W.A. 48, 3, 3 – 11.

 

 

9. Nijd, twist en tweedracht

Ach, eeuwige barmhartige God, U bent de God van de vrede, van de liefde en de eenheid, maar niet van de tweedracht en de verdeeldheid, met welke oordelen U nu rechtvaardig deze wereld oordeelt. U doet dat daarom omdat zij U, die alleen de eenheid sticht en behouden kan, verlaten en door hun wijsheid van U afgevallen zijn, bijzonder in die stukken die Uw Goddelijke waarheid en de zaligheid van zielen betreffen, waarom U hen heeft toegelaten zich te verdelen en vaneen te scheiden, opdat zij met hun vermeende wijsheid, in hun verdeeldheid tot schande zouden worden, en tot U, Die de eenheid lief hebt, zouden wederkeren. Wij arme zondaren die U dat genadig gegeven hebt te erkennen, bidden en smeken U, dat U toch door uw Heilige Geest al wat verstrooid is tezamen brengt, wat gescheiden is verenigd en weer tezamen voegt. Geef ons dat wij ons tot U de enige God keren, Uw enige waarheid zoeken, alle verdeeldheid verlaten, dat wij in één zin, in één wil, in één kennis, in één gemoed, en in één geloof zijn, waarover onze Heere Jezus Christus eens oordelen zal. Dat wij dan U, hemelse Vader van onze Heere Jezus Christus eensgezind als met één mond prijzen en loven mogen, door onze Heere Jezus Christus in de Heilige Geest. Amen. W.A. 10.2, 477, 35 — 478, 15.

 

 

10. Kom en zie

Lieve Heere God, ik geloof dat ik niet door mijn eigen verstand of kracht in Jezus Christus mijn Heere geloven, of tot Hem komen kan, maar de Heilige Geest heeft mij door het evangelie geroepen en door Zijn gaven verlicht, in het ware geloof geheiligd en verlost, zoals Hij de hele Christenheid op aarde roept, vergaderd, verlicht, heiligt en bij Jezus Christus houdt, in het ware en enige geloof. In welke Christenheid Hij mij en alle gelovigen dagelijks alle zonden rijkelijk vergeeft en op de jongste dag mij en alle doden zal op wekken, en mij met alle gelovigen in Christus een eeuwig leven geven zal. Dat is gewisselijk waar. Amen. Gebets-Schatz,1895 (vergelijk: Kleine Katechismus, W.A. 31.1, 367 – 368).

 

 

11. God hoort het gebed

Wanneer u roept, zo antwoord de Heere en red u uit al uw nood.  Een grote zekerheid is het, als wij roepen wil Hij horen. En Hij wil liever en veel meer horen dan wij roepen kunnen. Hij verwijt ons hiermee dat wij te lui zijn om te roepen. O, roep en schreeuw wie kan, het ontbreekt aan horen niet. (…) Dat is zo veel gezegd als: lieve of beste mensen gaat het u kwaad, zit u midden in ellende en nood, of ontbreekt het u hier of daar aan, zo bid roep en schreeuw tot Mij om raad, hulp en troost. Ik wil toch graag horen en u zó wonderlijk uit uw nood verlossen dat u zult roepen: Dank moet U daarvoor hebben in eeuwigheid, U genadige trouwe God! [Amen]. Bibel- und Bucheinzeichnungen, W.A. 48, 42, 1 – 7 en W.A. 48, 51, 1 – 8.

 

 

12. Vergeef ons onze zonden

Vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven die ons schuldig zijn. Ach lieve Heere God en Vader, ga niet in het gericht met ons, want voor U is niemand rechtvaardig. Ach reken het ons niet aan als zonde, dat we helaas zo ondankbaar zijn voor al uw onzegbare weldaden, zowel geestelijk als lichamelijk. Wij struikelen en zondigen alle dagen meer dan we zelf wel weten of opmerken. Zie U toch niet aan hoe goed of hoe slecht we zijn. Schenk ons alleen Uw onpeilbare barmhartigheid in Christus Uw lieve Zoon. Vergeef ook al onze vijanden en allen die ons verdriet en onrecht aandoen, zoals ook wij hen van harte vergeven. Wij zijn met hun ondergang immers niet geholpen, want zij doen zichzelf het grootste kwaad door hun boosheid [waarmee zij U vertoornen]. Maar veel liever zoude wij hen met ons zien zalig worden. Amen. Wie man beten sol, für Meister Peter Balbierer, W.A. 38, 361, 36 – 362, 10

 

 

13. Een ander Evangelie?

Ach ja, Heere God, lieve Vader, heilig toch Uw naam, beide in ons en in de hele wereld, verwoest en roei uit de verschrikkelijke afgoderij en ketterij van de Turk*,  van de paus en van allerlei valse leraars en geestdrijvers die Uw Naam verkeerd gebruiken, en zo onbeschaamd misbruiken en vreselijk lasteren. Ze zeggen en snoeven dat hun leer Uw gebod en de leer van Uw kerk is, terwijl het niet anders is dan leugen en bedrog van de duivel, waarmee ze onder Uw naam, door de hele wereld zo veel zielen rampzalig verleiden. En bovendien ook Uw kinderen ter dood brengen, onschuldig bloed vergieten en vervolgen, alsof zij U daarmee een dienst zouden doen. Lieve Heere God, bekeer ze of weerhoudt ze, bekeer degenen, die nog bekeerd moeten worden, dat zij met ons en wij met hen, Uw Naam heiligen en roemen, beide met de ware reine leer en met een goed en heilig leven. Weerhoudt ze die zich niet bekeren willen, dat ze moeten ophouden Uw naam te misbruiken, te ontheiligen, te onteren en de arme mensen te verleiden. Amen. Wie man beten sol, für Meister Peter Balbierer, W.A. 38, 360, 12 – 28.

 

(voetnoot*: De Turk of het Ottomaanse rijk, tijdens Luthers leven steeds een grote bedreiging vanwege hun veroveringsdrift binnen het oude Europa. Luther doelt hier meer op hun religie: het mohammedanisme. Luther was goed geïnformeerd, in 1542 schrijft Luther een ‘voorrede en getrouwe waarschuwing’ in een Duitse vertaling van de koran uit het Latijn, waarin het volgende: Dit boek [een in het Latijn vertaalde koran uit het Arabisch] van broeder Richardi een Dominicaner monnik [ongeveer 1300] heb ik vroeger al meer gelezen…

 

 

14. In dagen van nood

Heere, almachtige God, U die het zuchten van de ellendigen niet verwerpt, en het verlangen van een bedroeft hart niet veracht, zie ons gebed toch aan, als wij onze zuchten en zorgen voor Uw aangezicht brengen. Verhoor ons genadig, zodat alles wat de duivel en de mensen tegen ons bedenken tot niets wordt, en door Uw raad en goedheid verhindert wordt, opdat wij in alle benauwdheid, onbevreesd, U in Uw gemeente danken en U altijd loven door Jezus Christus, Uw Zoon onze Heere. U weet dat wij in zo vele noden en zorgen, vanwege onze menselijke zwakheid niet overeind kunnen blijven. Geef ons beiden: lichaam en ziel de kracht, opdat wij alles wat ons om onze zonden overkomt, door Uw hulp overwinnen, om Jezus Christus wil. Amen. E.A. 56, 353.

 

 

15. Die Uw rijk tegen zijn 

Uw Koninkrijk kome.  Ach lieve Heere God en Vader, U ziet dat de wijzen en verstandigen van deze wereld Uw Naam beledigen en Uw eer aan de leugen en aan de duivel geven, en alle macht, autoriteit, rijkdom en eer die U ze op deze aarde gegeven hebt, om de wereld te regeren, en om U daarmee te dienen, nu tegen uw Rijk gebruiken om het te bedreigen. Zij zijn groot, machtig en talrijk, zij zijn welvarend, ze plagen, verstoren en hinderen de kleine kudde van Uw Rijk, die zwak en veracht, en gering in aantal is. Ze kunnen ze op aarde niet verdragen, en denken ook nog U hiermee een grote dienst te doen. Lieve Heere God en Vader, bekeer ze of sta ze tegen, bekeer die nog kinderen en onderdanen van Uw rijk moeten worden, dat zij met ons en wij met hen, U in Uw Rijk, in het ware geloof en de ware liefde dienen en van uit dit begonnen Rijk in het eeuwige Rijk komen. Sta ze tegen die hun macht en vermogen niet willen gebruiken om de afbraak van Uw Rijk tegen te staan. Dat zij van hun tronen gestoten en door U vernederd moeten ophouden. Amen. Wie man beten sol, für Meister Peter Balbierer, W.A. 38, 360, 29 – 361, 5.

 

 

16. Vervolgingen

Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde.  Ach lieve God en Vader, U weet dat de wereld, hoewel niet bij machte om Uw naam geheel uit te roeien en Uw rijk te vernietigen, toch dag en nacht in de weer is met list en geweld. Ze houden samen raad, komen samen, om aanslagen te smeden, komen vol woede tegen Uw Naam, Woord, rijk en kinderen, die zij willen vermoorden. Daarom lieve Heere God en Vader, bekeer of weerhoud ze, bekeer die uw goedheid nog erkennen moeten, dat zij met ons en wij met hen aan Uw wil gehoorzamen en daarvoor alle kwaad, kruis en tegenspoed graag, geduldig en vrolijk dragen en Uw goede, genadige, volmaakte wil hierin kennen, ondervinden en ervaren. Weerhoud ze, die met hun razen, hinderen, haten, dreigen en kwaadwilligheid om schade te doen niet willen ophouden en maak hun raad, aanslagen en praktijken tot niets en tot schande. Amen. Wie man beten sol, für Meister Peter Balbierer, W.A. 38, 361, 6 – 19.

 

 

17. Bewaar het pand

Christus onze Heere heeft ons door de dure prijs van Zijn bloed gekocht. Daarvan hebben wij een brief: de eeuwige, onwankelbare belofte van het evangelie, en het zegel, dat is, wij zijn gedoopt, en ontvangen naar Christus bevel, wanneer wij onze zwakheid en nood voelen, Zijn lichaam en bloed in het avondmaal. God, geef nu genade en hulp! Dat wij de brief goed bewaren, dat de duivel ze ons niet uit de hand scheurt. Dat is, dat wij in welvaart niet zelfverzekerd en in tegenspoed niet neerslachtig en moedeloos zijn. Maar steeds in godsvrucht leven, vast en onveranderlijk in het geloof en in de belijdenis van Jezus Christus blijven en het “heilige onze Vader” steeds met mond en hart uitspreken, en bidden dat God om Zijn lieve Zoon, ons en onze kinderen bij de zalige leer van het Evangelie wil bewaren. Amen. Bibel- und Bucheinzeichnungen, W.A. 48, 227, 10 – 22.

 

 

18. Ik hef mijn ogen op tot U

Lieve Heere, U weet dat ik toch niet van mijzelf of uit eigen vermetelheid, noch vanwege mijn waardigheid voor Uw aangezicht kom. Want als ik dat wilde aanzien, dan durfde ik de ogen niet tot U opheffen en wist niet waar ik beginnen moest met bidden. Maar daarom kom ik, omdat U het Zelf geboden hebt en het ook echt gebiedt, dat wij U zullen aanroepen, en ook beloften gedaan hebt aan hen die tot U bidden. Bovendien hebt U Uw eigen Zoon gezonden, Die ons geleerd heeft wat wij bidden moeten, en ons de woorden voorgesproken heeft. Daarom weet ik dat het gebed U lief is, en hoewel mijn vermetelheid, dat ik mij durf beroemen een kind van God te zijn, zo groot mag schijnen als het wil…, toch moet ik U gehoorzaam zijn, omdat U het zo hebben wilt. Ik maak U niet tot leugenaar door boven andere zonden nog zwaarder tegen U te zondigen, zowel met het verachten van Uw gebod als met het ongeloof aan Uw beloften. [Amen]. E.A. 50, 112,  Auslegung, Joh. 16.

 

 

19. Wonderlijk is Uw goedheid

Lieve God, U spreekt door Uw lieve Zoon hen zalig die Uw Woord horen. Veel redelijker zou het zijn, dat wij U, o eeuwige barmhartige Vader, zonder ophouden, zouden zalig noemen, en met vrolijke harten zouden prijzen en lofzangen toezingen, U loven en danken, dat U Zich zo vriendelijk, ja vaderlijk aan ons arme wormpjes bekend maakt, en met ons van de grootste en de hoogste zaak, namelijk van het eeuwige leven en de zaligheid spreekt. Toch houdt U niet op ons vriendelijk te lokken door Uw Zoon om Uw Woord te horen, alsof U ons luisteren niet missen kan, en wij die maar aarde en as zijn, niet vele duizenden malen meer Uw zalige woorden nodig hebben. O onuitsprekelijk groot en wonderlijk is Uw goedheid en geduld. Maar andersom, ach en wee over de ondankbaarheid en de stekeblindheid van hen die Uw Woord niet alleen niet willen horen, maar die het ook moedwillig verachten en lasteren. [Amen]. W.A. 48, 127, 2 – 15.

 

 

20. De kandelaar weggenomen

[Lieve Heere], wat is de ondankbaarheid van de wereld nu zeer groot, en zij wordt van dag tot dag groter, zodat, zo de jongste dag niet tussenbeide zou komen, wij zorgen hebben en nochtans zonder zorgen zijn, maar wel als zeker moeten voorspellen en verwachten, de vreselijke en verschrikkelijke oordelen en de toorn van U, o God, waarmee U Uw licht weer tot U trekt en de duisternis weer over alles laat komen. Zo’n oordeel begint reeds voor een groot deel zichtbaar te worden, omdat bijna alle mensen Gods Woord uit het hart hebben verloren en zo rampzalig verachten, daarentegen de afgod mammon zo ijverig volgen en nalopen, alsof iedereen graag alle goederen van de wereld naar zich toe wilde halen. Men ziet wel dat het lieve Woord alleen nog een beetje licht op de preekstoel geeft, door het gepredikte Woord, hoewel zulke preekstoelen ook weinig zijn. Omdat wij zien en tasten kunnen dat het Goddelijke Woord al buiten de harten gesloten is, zo is er zeker niet veel voor nodig om het ook op de preekstoel te verliezen. [Amen]. E.A. 64, 262 – 263.

 

 

21. Ik ben eenzaam

Lieve hemelse Vader, ik heb veel te lijden en het gaat slecht met mij, maar met mijn vijanden gaat het goed. Die leven, maar ik sterf zonder ophouden. Zij zijn machtig en sterk, maar ik word altijd ontmoedigd. Zij worden vereerd maar ik word gelasterd. Zij hebben vrede, maar ik vind geen rust. Hun aantal groeit, zij hebben veel vrienden die op hun hand zijn, die hen prijzen, die het met hen houden. Ik ben alleen, verlaten, en niemand geeft meer om mij, ook is niemand mij gunstig gezind, ik ben eenzaam, door iedereen verworpen en veracht. Daarom, lieve Heere God, neem mij aan, en verlaat mij niet, help mij nu spoedig, want alle anderen helpen alleen aan mijn ondergang. Ik zoek geen heil of zaligheid bij mijzelf of bij iemand anders, alleen bij U. Amen. Gebets-Schatz 1895.

 

 

22. God nochtans

Ach, mijn God, hoewel ik een arme zondaar ben, nochtans ben ik geen zondaar. Een zondaar ben ik in mijzelf en buiten Christus, maar in mijn Heere Christus en buiten mijzelf ben ik geen zondaar. Want Hij heeft door Zijn bloed al mijn zonden weggenomen, zoals ik vast geloof, waarvan ik ook verzekerd ben door het teken van de doop. Door Gods Woord heb ik vergeving van zonden ontvangen, en ben ik van mijn zonden verlost, bevrijd en vrij gesproken. Ik heb bij het Heilig Avondmaal, door deze zekere tekenen van genade het ware lichaam en bloed van mijn Heere Jezus Christus gegeten en gedronken. Vergeving van zonden heb ik gekregen. Mijn lieve Heere Jezus Christus heeft die voor mij door Zijn dierbaar bloed verdiend, verworven en ontvangen. Ik dank Hem in eeuwigheid daarvoor. Amen. Gebets-Schatz 1895.

 

 

23. Christus ons dagelijks Brood

[Lieve Vader], bewaar allen die zwak zijn in het geloof dat zij zich niet stoten aan het verkeerde voorbeeld van die over hen gesteld zijn. Behoed ons voor dwalende en afvallige leraars. Laat ons in één dagelijks brood, in één eendrachtelijke leer, in het Woord van Christus verenigd blijven. Leer ons door Uw genade Christus lijden recht betrachten, met ons hele hart ontvangen, en als ware christenen leven en U verheerlijken. Laat ons van het heilig avondmaal van Christus bij ons levenseinde niet beroofd worden.*(noot* : dit ziet op de gewoonte om bij het levenseinde de sacramenten aan de stervende nog eenmaal uit te reiken) Geef dat alle herders en leraars, het heilige sacrament waardig en godvruchtig tot betering van de hele christenheid bedienen en gebruiken. Geef dat wij en alle christenen dat heilige sacrament te zijner tijd met genade, gelukkig ontvangen. In één woord: Geef ons, ons dagelijks brood, dat is: Geef ons  Christus!  Dat Hij in ons en wij in Hem eeuwig blijven. Geef dat we de naam dat we Christenen zijn waardig dragen. [Amen]. Eine kurze Form des Vaterunsers. 1520, W.A. 226, 3 – 14.

 

 

24. Laatste gebed van Dr. Maarten Luther voor zijn sterven

( voetnoot*: Luther stierf 18 febr. 1546  ’s morgens om 3 uur in zijn geboorte plaats Eisleben; over de juiste chronologische volgorde van Luthers laatste woorden is onzekerheid. Een andere lezing van het laatste ogenblik: Zijn vrienden spraken hem toe: Eerwaarde Vader, wilt U volharden in het geloof in Christus en in de leer die u gepreekt hebt sterven? Luther sprak zodat men het duidelijk kon horen: Ja! Daarop ontsliep hij in de Naam van Jezus, zonder lichamelijke pijn, zonder moeite en in groot geduld. )

 

Toen hij merkte dat zijn uur gekomen was heeft hij het volgende gebeden: O, mijn hemelse Vader, God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Gij God van alle vertroosting, ik dank U, dat U mij Uw lieve Zoon Jezus Christus geopenbaard hebt, in Wie ik geloof, Die ik gepredikt en beleden heb, Die ik bemind en geloofd heb, Die de ellendige Paus en alle goddelozen onteren, vervolgen en lasteren. Ik bid U, mijn Heere Jezus Christus laat aan U mijn zieltje bevolen zijn. O, hemelse vader, al moet ik ook dit lichaam verlaten en uit dit leven weggerukt worden, zo weet ik toch zeker, dat ik bij U eeuwig blijven zal, en dat niemand mij uit Uw handen rukken kan. [Amen] Wij hebben een God Die helpt. De HEERE Heere, Die van de dood kan redden. Daarna heeft hij driemaal gezegd: In Uwe handen beveel ik mijn geest; Gij hebt mij verlost, Heere, Gij getrouwe God *(*voetnoot: Ps. 31, 6, Luther Vert.); en ook uit het Johannes evangelie: Want alzo heeft God de wereld liefgehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat allen, die in Hem geloven niet verloren gaan, maar het eeuwige leven hebben*(*voetnoot: Joh. 3, 16, Luther Vert.). En heeft zo zijn handen gevouwen, en in stilte zijn geest aan Christus overgegeven. Sämtliche Schriften, Walch 1880.

 

 

25. Verwondering

Lieve God, hoe zou ik mij zo hoog verheffen dat ik mij zelf zou noemen: ‘Gods bruid’, en Gods Zoon ‘mijn Bruidegom’? Wat moet ik arme, stinkende madezak, met deze grote eer die ook de engelen in de hemel niet ontvangen hebben: dat de eeuwige Majesteit zelfs zo met mij verenigd is dat Hij ook één lichaam met mij wil zijn? Ik ben toch zo geheel van het hoofd tot aan de voeten vol melaatsheid, drek, zweren, schurft, zonde en stank voor God, hoe moet ik dan door de eeuwige, hoge, heerlijke Majesteit van God: ‘bruid’, en met Hem ‘één lichaam’ genoemd worden? Maar omdat U, o God, het zo hebben wil, daarom zij U de lof, de eer en de dank in eeuwigheid. Amen. Gebets-Schatz 1895.

 

 

26. Uw wil geschiede

Lieve Vader, onze wil vergeleken bij Uw wil, is nooit goed, maar altijd verkeerd. Uw wil is altijd de beste en meer dan alles lief te hebben en naar te verlangen. Ontferm U over ons, o lieve Vader, en laat niets gebeuren naar onze wil. Geef en leer ons echt en werkelijk geduld te hebben wanneer onze wil gebroken of verhinderd wordt. Help wanneer iemand iets spreekt, zwijgt, doet of laat wat tegen onze wil is, dat wij daarom niet kwaad en boos worden, niet vloeken, niet klagen, niet schreeuwen, niet oordelen, niet veroordelen of schelden. Geef dat wij ootmoedig buigen onder degenen die ons in onze wil stuiten, of die verhinderen, en onze wil niet doen. Dat we hen prijzen en het goede wensen, weldoen, als degenen die Uw Goddelijke goede wil tegen onze wil in doen geschieden. [Amen]. Eine kurze Form des Vaterunsers. 1520, W.A. 7, 224, 4 – 15.

 

 

27. Waakt en bidt

En leidt ons niet in verzoeking. Ach lieve Heere God en Vader, doe ons waken en bidden, vurig en ijverig zijn in Uw Woord en dienst. Dat we niet in valse rust en zelfverzekerdheid, lui en onverschillig worden alsof we nu alles in overvloed zouden hebben. Help dat de woeste duivel ons niet met listen overvalt en verrast, om het lieve Woord weer van ons te nemen, door verdeeldheid en ketterijen onder ons aan te richten, of dat hij ons in zonde en opspraak zou brengen, zowel geestelijk als lichamelijk. Geef door Uw Geest wijsheid en kracht, dat wij hem geducht weerstand bieden en de overwinning behouden. Amen. Wie man beten sol, für Meister Peter Balbierer, W.A. 38, 362, 11 – 19.

 

 

28. Verzekering van de zaligheid

Lieve God, U hebt het mij beloofd en een zeker en vast teken van Uw genade in de sacramenten gegeven, dat Christus mijn dood met Zijn dood overwonnen heeft. Met Zijn gehoorzaamheid en door Zijn lijden, mijn zonden, vernietigd heeft. Dat Hij door Zijn liefde mijn hel in Zijn van-God-verlaten-zijn verwoest heeft. Dit teken en deze belofte van mijn zaligheid zal mij niet beliegen of bedriegen. U hebt het gezegd, U kunt niet liegen niet met woorden en ook niet met daden, daar sta ik op, daar sterf ik op. Amen. Gebets-Schatz 1895.

 

 

29. Het biechtgebed  van Luther

( voetnoot*: Biechtgebed van Luther, zoals in zijn handschrift gevonden op het achterste schutblad van een door hem zelf gebruikt gebedenboekje)

 

Ach mijn lieve Heere Jezus Christus. U kent mijn arme ziel, en mijn grote gebreken, die ik U klaag als ik alleen ben en mijn hart voor U open. Ik ondervind helaas dat ik niet zo’n goede wil en goede bedoelingen heb, als ik tegenover U wel moest hebben, en val dagelijks neer als een ziek en zondig mens. En U weet dat ik graag zo’n goede wil en zulke goede bedoelingen zou hebben, maar mijn vijand voert mij gevangen in zijn strikken. Verlos mij arme zondaar naar Uw Goddelijke wil van alle kwaad en aanvechtingen. Sterk en vermeerder U het ware goede christelijke geloof in mij, geef mij genade mijn naaste uit geheel mijn hart trouw en broederlijk, als mijzelf, lief te hebben. Verleen mij geduld in vervolging en alle tegenspoeden. U heeft tot Petrus gezegd dat zeven maal vergeven niet genoeg is, en ons gezegd dat wij getroost tot U zouden bidden. Zo kom ik in hoop en verwachting van deze belofte en op Uw bevel en klaag U als de ware Herder en Bisschop van mijn ziel, al mijn nood. Want U alleen weet hoe en wanneer U mij helpen zult. Uw wil geschiede en zij gezegend in eeuwigheid. Amen. Bibel- und Buchzeichnungen, W.A. 48, 275, 1 – 20.

 

 

30. Om de grootsheid van dit leven

Lieve Vader, bewaar ons voor de ingevingen van de duivel, dat we niet in eigenwaan alleen voor onszelf leven, om rijkdom, eer, macht, gaven, en om de  grootsheid van dit leven, of omwille van andere door U geschonken goederen. Geef dat wij niet in het verachten van anderen bewilligen. Bewaar ons dat we niet in haat en jaloersheid vallen om wat voor oorzaak dan ook. Geef dat we geen gehoor geven aan de bestrijding van ons geloof, en aan de twijfel toegeven, nu en als ons laatste uur gekomen is. Wij bidden U, Hemelse Vader, voor allen die met deze grote en vele verzoekingen worstelen en daaraan tegenstand bieden. Versterk die nog staande zijn gebleven, help weer overeind die gevallen zijn en die op de grond liggen. En geef ons allen Uw genade, omdat wij in dit bittere, onzekere leven met zoveel vijanden eindeloos te strijden hebben. Geef een dapper en vast geloof om standvastig te strijden, en de eeuwige kroon te ontvangen. Amen. Eine kurze Form des Vaterunsers. 1520, W.A. 7, 228, 20 – 229, 5.

 

 

31. Avondmaal zonder vrucht

Heere Christus, ik ga tot het avondmaal en blijf toch zoals ik was: zonder vrucht! Ik heb zo’n grote schat ontvangen, die blijft maar werkloos bij mij liggen en rusten, dat moet ik U klagen. Hebt U mij deze schat gegeven en geschonken, geef dan ook dat deze in mij vrucht voorbrengt en in mij een nieuw leven schept, dat zich in mij openbaart en liefde betoont tot mijn naaste, zoals ik schuldig ben. (…)   Ach, lieve Heere God, U, die ons bij dit wonderlijke sacrament bevolen hebt Uw lijden te gedenken en te verkondigen; geef ons dat wij dit sacrament van Uw lichaam en bloed zo mogen gebruiken dat wij Uw verlossing dagelijks met vruchten in ons mogen ondervinden. Amen. Gebets-Schatz 1895 en E.A. 56, 318.

 

 

32. In aanvechtingen

Lieve Heere, help alle mensen die in stervensnood en in verzoeking van twijfel angstig zijn, vergeef hen en ons al onze schulden. Troost U ons allen en neem ons in genade aan. Geef ons Uw goedheid voor het kwade dat wij U geven, zoals U ons geboden heeft te doen. Breng de duivel de verschrikkelijke lasteraar en aanklager die in de angsten van ons geweten, onze zonden – nu en in het uur van onze dood – voor U vergroot, tot zwijgen. Wij onthouden ons immers ook van lasteren, en om de zonden van andere mensen te vergroten. Veroordeel ons niet overeenkomstig de aanklacht van de duivel en ons arme geweten. Hoor niet naar de stem van onze vijanden, die ons dag en nacht voor U beschuldigen. Wij luisteren immers ook niet naar het kwaadspreken en het vergroten van de zonden van andere mensen. Neem de zware last van alle zonden van ons en ons geweten af, opdat wij met lichte en vrolijke harten, in zekere verwachting van Uw barmhartigheid, leven en sterven. [Amen]. Eine kurze Form des Vaterunsers. 1520, W.A. 7,227, 10 – 24.

 

 

33. De enige toevlucht

Ik ben een arme zondaar, dat weet U, mijn lieve Heere, maar U heeft mij laten prediken door Uw lieve Zoon Jezus Christus, dat U mij genadig wilt zijn en mijn zonden vergeven, en van geen toorn en verdoemenis meer wilt weten. U gebiedt mij dit zonder twijfel te geloven. Daarop wil ik mijn vertrouwen stellen en vrolijk van hier gaan. Heere, ik weet niemand in hemel of op aarde, tot wie ik toevlucht zou kunnen nemen, dan alleen tot U in Christus. Ik moet mij naakt uitkleden en alle vreemde werken en verdiensten afleggen. Heere, ik ken geen toevlucht dan alleen in Uw Goddelijke schoot omwille van Uw lieve Zoon. Wanneer ik deze hoop niet heb, is het zeker verloren. Amen. Gebets-Schatz 1895.

 

 

34. Want wij vergaan door Uw toorn

Lieve Vader, geef ons allen Uw genade, omdat wij in dit bittere, onzekere leven met zoveel vijanden eindeloos te strijden hebben. Geef een dapper en vast geloof om standvastig te strijden, en de eeuwige kroon te ontvangen. Verlos ons, o Vader, van Uw eeuwige toorn en de pijn van de hel. Verlos ons van Uw strenge oordeel bij de dood en op de jongste dag. Bewaar ons voor een snelle plotselinge dood. Behoedt ons voor water en vuur, voor bliksem en hagel. Behoed ons voor honger, schaarste en dure tijden. Behoedt ons voor oorlog en bloedvergieten. Behoed ons voor Uw grote en ontzaglijke plagen: de pest, zware ziekten, besmettingen door een onzedelijk leven en andere vreselijke ziekten. Behoed ons voor alle kwaad en nood van ons lichaam, op zo’n manier dat wij in dit alles Uw Naam eren, Uw rijk vergroot wordt en Uw goddelijke wil geschiedt. Amen. Eine kurze Form des Vaterunsers. 1520, W.A. 7, 229, 9 – 17.

 

 

35. Een nieuw hart

Heere, wek mij op, help mij en geef mij de kracht en de gave dat ik óók geloven mag. De profeet zucht in de Psalm: Schep in mij een rein hart en geef mij een nieuwe, vaste geest. Een nieuw en rein hart ben ik niet bij machte te maken, het is Uw schepping en werk. Zoals ik de zon en de maan niet kan doen opgaan zodat ze helder schijnen aan de hemel, zo min kan ik maken een rein hart te hebben en een vaste geest of een sterk vertrouwen dat niet onzeker en wankelmoedig is, of twijfelt aan Uw Woord. Dát is een nieuw, rein en zacht hart, dat zeggen kan: ik heb Uw Heilige Geest, een nieuw verstand, een nieuw gemoed en een nieuwe wil. Een hart dat daarop staat en niet twijfelt, maar vast gelooft, ja lichaam en ziel daarvoor wil overgeven: dat Christus voor mij gestorven is.[ Amen]. Joh. 6, W.A. 33, 285, 35 – 286, 15.

 

 

36. De vloek van de wet

Heere God, wie kan Uw geboden houden? Hoe meer U gebiedt, hoe minder wij doen. Wij zouden U moeten vertrouwen en Uw geboden doen. Helaas dat doen wij echter niet. Wij zien alleen door Uw wet dat er niets goeds in ons is. Daarom heeft Mozes de wet  gegeven, opdat de wet de vloek zou openbaren. Als wij de vloek zien en voelen, dat we dan beginnen te bidden: kom nu, Heere, en geef ons de zegen, verlos ons van deze vloek! De wet helpt niet om het geweten tot rust te brengen, alleen de zegen moet het doen. De wet werkt enkel en alleen de dood en de toorn van God. Daarom houd ik mij zeker aan het Woord van het evangelie, wat U gesproken hebt: in u, en in uw Zaad zullen alle geslachten op de aarde gezegend worden, dat is: In Christus, Die ons de zegen geeft en verlost door Zijn dood tot het leven, en door Zijn gerechtigheid verlost van de zonde. Amen. Gebets-Schatz 1895.

 

 

37. Kom Heere Jezus, ja kom spoedig

Lieve Heere Jezus Christus, versterk en voleindig Uw werk dat U in ons begonnen bent, en haast U tot ons met de heerlijke dag van onze verlossing, waarnaar wij vurig verlangen. Daarom zuchten en daarop wachten wij, in een waar geloof en een goed geweten, waarmee we deze ondankbare wereld proberen te dienen. Van de wereld is geen verbetering te hopen, maar zij is een vijand tegelijk van haar eigen en onze zaligheid. Kom, lieve Heere Jezus, en die U liefheeft zegge: kom, lieve Heere Jezus! maak toch haast en breng tot ons de zalige dag, waarin de hoop van onze verlossing vervuld zal worden. Want juist daarom hebt U ons gezegd te bidden in het ‘Onze Vader’: Uw Koninkrijk kome! Omdat U ons dan dit bevolen hebt te bidden, geef ons dan genade en geef dat wij dat doen en daarbij vast geloven dat wij eenmaal tot deze zaligheid zullen komen. Geef ook dat deze vrolijke, heerlijke dag van onze verlossing en zaligheid spoedig komt, en dat wij dat alles zo mogen meemaken zoals wij nu uit Uw Woord horen en geloven. Amen. Gebets-Schatz 1895.

 

 

38. Onze vrijmoedigheid is uit God  

Ik weet heel goed, o genadige God, dat ik niets waard ben bij U, maar verdiend heb een broeder van de duivel, maar niet een broeder van Christus te zijn. Christus heeft echter gezegd dat Hij voor mij is opgestaan, net zo goed als voor de heilige Petrus, die net als ik een zondaar geweest is, maar toch ook Zijn broeder is. Hij wil met ernst van mij hebben dat ik dit zonder twijfelen of wankelen geloof, zonder dat ik denken mag dat ik dit onwaardig en vol zonden ben. Hij wil mijn zonden Zelf ook niet meer zien of er aan denken. Met recht zou Hij dat wel kunnen doen, en heeft oorzaken genoeg Zich op mij te wreken en mij te straffen. Hij heeft al mijn zonden vergeten en uit Zijn hart verbannen, ja die zijn dood, weggeworpen en begraven; waarom zou ik het dan niet zo laten blijven, en mijn lieve Heere daarvoor niet hartelijk danken, loven en liefhebben dat Hij zo genadig en barmhartig is? Amen. Gebets-Schatz 1895.

 

 

39. Gelooft en gij zult ontvangen

En al wat gij zult begeren in het gebed, gelovende, zult gij ontvangen *(*Matth. 21, 22, S.V.). Dat zelfde Woord moet men voor God ook neerwerpen en zeggen: Mijn God van hemel en aarde, U heeft ons geboden te geloven, de bede wordt verhoord zo die in Naam van Christus Uw lieve Zoon geschiedt, daarop wil ik bidden en vertrouwen. U zult mij niet verlaten maar een waar geloof geven, dat alles wat ik bid omwille van Uw Zoon, zeker en gewis komt.  Ook bid ik U mijn hele leven om een zalig sterf-uurtje. Amen. Bibel- und Buchzeichnungen, W.A. 48, 118, 1 – 8.

 

 

40. Bewaar Uw kerk

Wij echter die het Woord van God hebben, en ons daaraan houden, kennen het gevaar, waarmee de satan de arme kerk bedreigt en zien de macht van zijn rijk in deze wereld. Wij  roepen daarom: Uw Naam worde geheiligd, Dat is: [O God], geef ons vrome godvruchtige leraren in de kerk, die Uw Naam aan de wereld openbaren en bekend maken, namelijk: dat U genadig en barmhartig bent en ons omwille van Uw lieve Zoon, Die voor ons gekruisigd en gestorven is, onze zonde wilt vergeven en het eeuwig leven schenken. Dat zo alle mensen op Uw barmhartigheid hopen en vertrouwen en U aanroepen, U prijzen en danken, want dat betekend Gods naam heiligen. Uw Rijk kome, dat is: Geef ons de Heilige Geest Die ons regeert en bewaart, dat wij niet weer terug vallen in het rijk van de satan, die zich voorgenomen heeft het Woord, het geloof en de ware godsdient uit te roeien. [Amen]. W.A. 43, 136, 26 – 34, über 1. Mose, Ausl. 1535 – 1545.

 

 

41. Wie tot mij komt

O Heere, Ik geloof in Christus, Die uit de maagd Maria geboren is, geleden heeft en gestorven is, en steun en vertrouw hierop dat Hij zelf zegt: Wie tot Mij komt zal Ik niet uitwerpen. Op deze woorden verlaat ik mij, en op grond van deze woorden kom ik tot U, lieve Heere Christus, want het is Uw hartelijke wil, en Uw eigen mond die ze spreekt. Die woorden zijn voor mij zeker genoeg. Ik weet dat U mij niet beliegt. Uw woorden zullen volbracht worden. Al ben ik ook slecht en niet heilig en vroom genoeg, dat ik voor U zou kunnen bestaan, zo bent U toch waarachtig, en wilt dat ik op de jongste dag uit de dood zal opgewekt worden. Ofschoon ik nu door mijzelf niet voor U bestaan kan, zo zult U dan toch genadig zijn en mij niet uitwerpen. Joh. 6, W.A. 33, 95, 35 – 96, 13.                                 

 

 

42. Hoger, breder, dieper, en ook krachtiger

Daarom bidden wij, o Vader: troost ons geweten, nu en in het uur van onze dood. Ons geweten is vanwege onze zonden en Uw oordeel zeer bevreesd en verschrikt. Geef Uw vrede in onze harten, zodat wij Uw gericht met blijdschap mogen verwachten. Ga niet in het gericht met ons, want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn. Leer ons lieve Vader niet op onze goede werken of verdiensten te steunen of onszelf daarmee te troosten. Geef dat wij alleen en geheel, zeker en vast, op Uw onpeilbare barmhartigheid zullen staan en daarop vertrouwen. Laat ons ook niet wanhopen om ons strafwaardig en zondig bestaan. Uw barmhartigheid is hoger, breder, dieper, en ook krachtiger, dan ons hele zondige leven. Help alle mensen die in stervensnood en in verzoeking van twijfel angstig zijn, vergeef hen en ons al onze schulden, troost ons allen en neem ons in genade aan. [Amen]. Eine kurze Form des Vaterunsers. 1520, W.A. 7, 227, 1 – 11.

 

 

43. Aardse goederen

Lieve Vader, bewaar ons toch voor de grote zonde van de gierigheid en de begeerte naar de rijkdommen van deze wereld. Bewaar ons dat wij niet de eer en de macht van deze wereld zoeken, of aan hun verzoeking toegeven. Bewaar ons dat de wereld met haar bedrog, haar valse schijn en verleiding ons niet dit vergankelijk aardse leven doen volgen. Bewaar ons dat wij niet door het kwade en de tegenspoeden hier op aarde tot ongeduld, vergelding, toorn, of andere boosheden verleidt worden. Geef toch dat wij de leugens, het bedrog, de beloften, ontrouw van de mensen met al hun bezittingen en kwaad verlaten en laten varen. Dat wij [in een nieuw leven wandelen], zoals ook bij onze doop gesproken is, daar vast bij blijven, en alle dagen meer en meer in toenemen. Bewaar ons voor de ingevingen van de duivel. Dat we niet in eigenwaan alleen voor onszelf leven, om rijkdom, eer, macht, gaven, en om de  grootsheid van dit leven, of omwille van andere door U geschonken goederen. Amen. Eine kurze Form des Vaterunsers. 1520, W.A. 7, 228, 12 – 20.

 

 

44. In alles gelijk maar zonder zonde

O goede Heiland, hoe wijs bent U begonnen, U bent immers mijn Broeder, dat weet ik, zoals in de  Brief aan de Hebreën staat: Ik zal Uw Naam Mijn broederen verkondigen. Hoewel U tegelijk ook God bent, mijn Heere Christus, Koning van hemel en aarde, zo ben ik toch niet bevreesd voor U, want U bent mijn Vriend, mijn Broeder, van mijn vlees en bloed. Ik laat me niet in de war brengen doordat ik een zondaar ben en U heilig. Was ik geen zondaar geweest dan had U ook niet voor mij behoeven te lijden, daarom ben ik getroost. Ik zie ook in Uw stamboom, de namen van goede en slechte mensen, waaruit U geboren wilde worden, om te troosten de bevreesde en angstige gewetens, opdat zij opnieuw op U zouden vertrouwen, omdat U onze zonde hebt weg genomen. Amen. W.A. 17.2, 471, 37 – 472, 10.

 

 

45. Kon ik het maar geloven

Dank zij U, o mijn God, heb ik geleerd, dat ik mijn zonde niet moet bestrijden met het zelf doen van boete, of het geloof beginnen, door eerst met eigen goede werken voor mijn zonden te betalen. Voor de mensen zou ik dat wel kunnen doen, voor de wereld en de rechter mijn straf dragen en zo voldoen zou wel mogelijk zijn. Maar bij U, o God, is de eeuwige toorn, dáár kan ik onmogelijk voor bestaan, dáár moet ik wanhopen. Daarom dank ik U, dat een ander in mijn plaats mijn zonden op Zich genomen heeft, die gedragen en daarvoor betaald en boete gedaan heeft. Dat wil ik graag geloven en in mijn gedachten is het ook heerlijk en goed, heilig en vol troost, maar ik kan het voor mijzelf niet aannemen, het is buiten mijn kracht dat ik dit zou kunnen geloven, ik weet niet hoe dat zou moeten gebeuren. Heere, wek mij op, help mij en geef mij de kracht en de gave dat ik óók geloven mag. [Amen]. Joh. 6, W.A. 33, 285, 15 – 38.

 

 

46. In Christus volmaakt

O Heere, wanneer U met mij in het recht zou treden over mijn doen en laten, dan kan ik niet bestaan, al zou ik Johannes de Doper zelf zijn. Maar daarom beroem ik mij godvrezend en Uw dienaar te zijn, omdat U mij zonder ophouden belooft, dat U mij door Uw Christus wilt barmhartig zijn. Ik ben zelf niet godvrezend, maar Hij is het wel, als ik niet heilig ben, zo is Hij wel heilig, ben ik Gods dienaar niet, zo is Hij toch Gods dienaar wel, als ik vol zorgen en vrezen ben, zo is Hij echter vrij van alle zorg en vrees. Dat ik dan zo boven mijzelf uitstijg, dat ik mij beroem dat ik in en door Christus godvrezend ben! Amen. W.A. 17.1, 312, 17 – 30.

 

 

47. Alleen Christus

Lieve Heere, maar wat moet ik dan doen opdat ik zalig worde? Ik moet de Zoon aanzien en aan Hem hangen, mij aan Hem houden, Hem liefhebben en in Hem geloven, dat Hij het is die mij zaligmaken en behouden zal, Die mij niet verliest. Dit heeft God besloten: dat ik door Hem het eeuwige leven heb, indien ik slechts alleen aan Hem hang. Maar indien niet…, al was mijn leven nog heiliger als dat van de heilige Hieronymus, zo ben ik verloren. Heere Christus, ik blijf bij U, ik hang aan U, ik geloof in U, dat is het voornaamste, door U is mij het leven geschonken. Ik wil graag beginnen God en mijn naaste lief te hebben zoveel ik kan, en allerlei goed te doen, maar het blijft voor mij vaststaan, dat mijn goede werken mij niets helpen. Want U bent het alleen, mijn leven is te gering en mijn werken zijn te weinig, dat ik daardoor de dood zou kunnen verslinden, de hel toesluiten, de zonde zou kunnen wegnemen en de hemel opendoen. Wij kunnen de wet niet houden! Vergl. W.A. 33, 109, 3 – 39.

 

 

48. Onze Vader die in de hemelen zijt.

Ach almachtige, genadige en goede Vader, die overal, om ons en bij ons is, werkt, voedt, onderhoudt en beschermt.

 

Uw Naam worde geheiligd

Uw naam worde recht gekend, door de zuiver leer en het ware geloof, en zo geloofd en geprezen.

 

Uw koninkrijk kome

Regeer U ons door Uw Heilige Geest, want als wij door U verlaten worden, vallen wij in allerlei zonden, ondeugd en ongeluk, zoals geschreven staat: Zonder Mij kunt Gij niets doen.

Uw wil geschiede in de hemel en op de aarde

Wij wilden wel dat alles naar onze wil ging, zo dat we zonder kruis waren. Maar, Heere God, doe met ons wat U wilt en geef ons onderwerping en geduld.

 

Geef ons elke dag ons dagelijks brood

O, Heere verzorg ook het tijdelijke. Geef ons, voedsel, verstand, goede moed, gezondheid, en alles wat nodig is voor ons lichaam, zoals U beloofd hebt: Zoek eerst het Koningrijk Gods en alle andere dingen zullen U toegeworpen worden.

 

Vergeef ons onze schulden gelijk wij onze schuldenaren

Omdat U, o Heere ons leert en gebied om vergeving van zonden te bidden, zo zullen wij niet twijfelen dat U ook vergeven wilt. Daartegenover eist U dat wij ook onze naaste vergeven en vreedzaam zijn, zoals Gij spreekt: Vergeef en U zal vergeven worden.

 

Leidt ons niet in de verzoeking

Laat ons niet vallen als wij verzocht worden. Want zonder twijfel wil de duivel ons in allerlei opspraak en zonde te werpen; zoals Petrus spreekt: De duivel gaat rond als een briesende leeuw. Onze krachten schieten hier tekort om onszelf te beschermen.

 

Verlos ons van de boze

Verlos ons van allerlei nood en tegenspoed, en wel bijzonder van de dood. Amen

Betbüchlein 1522, W.A. 10.2, 457, 10 – 458, 13

 

 

 

49. Doe uw mond wijd open                 

Wie niets ontvangt en ook niet vindt, die heeft zeker niet gebeden en ook niet gezocht. Wie niet opengedaan wordt die heeft zeker niet aangeklopt. Daarom moet het zonder twijfel aan ons liggen zo ons iets ontbreekt, aan God kan het niet liggen, Die is gewillig en genegen genoeg om te geven. Hij belooft niet alleen verhoring aan degenen die tot Hem bidden, Hem ijverig zoeken en vol vertrouwen aankloppen, maar Hij zweert het ook met een dure eed door Zijn eniggeboren Zoon, Die Hij ons als Middelaar en Voorbidder aangewezen heeft, als Hij zegt: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Dewelke Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem !* (* voetnoot :Matth.17, 5, S.V.). Wel, hoor Hem! De Zoon van God spreekt: Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: Al wat gij de Vader zult bidden in Mijn Naam, dat zal Hij u geven * (* voetnoot: Joh. 16, 23, S.V.). O, God geef geen voorspoed aan luie handen die hier niets aangrijpen! Amen. Bibel- und Bucheinzeichnungen, W.A. 48, 108, 3 – 15.

 

 

50. Die zal wederkomen

O Heere God, hoor naar ons zuchten en roepen, en laat die zalige dag van Uw wederkomst spoedig aanbreken, want dan zal al onze hoop vervuld worden. Want U hebt Zelf daarom tot ons gesproken te bidden in het ‘Onze Vader’: Uw Rijk kome. Daarom geef ons genade, en help dat wij dat van harte bidden en daarbij vast geloven dat wij aan het einde tot deze heerlijkheid zullen komen. Want ons geloof moet niet daartoe dienen dat we geld of goed in dit leven ontvangen zouden, maar dat wij tot dat andere Leven komen. Voor geld en goed zijn wij niet gedoopt en horen daarom ook uw evangelie niet, maar het gaat alles om dat andere leven. God geef dat die vrolijke en heerlijke dag van onze verlossing spoedig komt en wij dat alles zo meemaken zoals wij het nu in het Woord lezen en horen. Amen. Gebets-Schatz 1895.

 

 

51. Die niets goeds in zich kan vinden

Wie nu een bedroefd en bezwaard geweten heeft, vreest vanwege de zonde, verschrikt is voor de dood, of niets goeds in zich kan vinden, die komt hier tot deze Man. Belijdt wat uw gebrek is, en roep Hem aan, Hij zal u zeker helpen, ‘stort uw hart voor Hem uit’, zoals de psalm spreekt en zeg tot Hem: Zie Heere, hier is een leeg vat, dat nodig heeft gevuld te worden. Mijn Heere vul het, ik ben zwak in het geloof, versterk mijn geloof, ik ben koud in de liefde verwarm me en maak me brandende, dat mijn liefde uitgaat tot mijn naaste. Ik heb geen sterk en vast geloof, ik twijfel bij tijden en kan U niet geheel vertrouwen. Ach Heere help mij, geef mij meer geloof en vertrouwen. In U zijn al mijn schatten en goederen verborgen, ik ben arm maar U bent rijk, U bent gekomen om zich over de armen te ontfermen. Ik ben een zondaar, U bent rechtvaardig, mijn ziekte heet: de zonde. Alle volheid van gerechtigheid is bij U, daarom zal ik spreken: Die moet ik hebben van Wie ik ontvangen kan, maar niet aan wie ik geven moet. Amen. Sommerpostille 1526, W.A. 10.1.2, 438, 13 – 25.

 

 

52. Vader in de hemel

O almachtige God, omdat U in Uw grondeloze barmhartigheid ons niet alleen hebt toegelaten, maar ook hebt geboden en geleerd, dat wij door de verdienste en het middelaarschap van Uw enige lieve Zoon onze Heere Jezus Christus, U als Vader zullen aanzien en Vader zullen noemen, ondanks dat U terecht met alle rechtvaardigheid een strenge Rechter zou kunnen zijn over ons zondaren. Om de zonden die wij zoveel en zo zwaar tegen Uw Goddelijke en goede wil gedaan, en waardoor wij U vertoornd hebben. Geef ons door Uw barmhartigheid in onze harten een troostvol vertrouwen op Uw vaderlijke liefde. En laat ons ondervinden de allerliefste smaak en zoetheid van die kinderlijke zekerheid, zodat wij met vreugde U een Vader noemen, en als Vader kennen. U in al onze noden liefhebben en aanroepen mogen. Bewaar ons zodat wij Uw kinderen blijven en ons niet zó met schulden beladen, dat wij van U, allerliefste Vader, een strenge rechter maken en ons zelf van kinderen tot  vijanden maken. Amen. Eine kurze Form des Vaterunsers. 1520, W.A. 7, 220, 10 – 24.

 

 

53. Broederlijke liefde

Onze Vader, U wilt dat wij U aanroepen, niet alleen als ‘Vader’ maar gemeenschappelijk als ‘Onze Vader’, en dat zo de één voor de ander, en allen voor elkaar, eendrachtig bidden. Wil ons daarom geven een eensgezinde broederlijke liefde, dat wij allen elkaar als ware broeders en zusters erkennen en aanzien, en allen tot U, als met één stem een ‘Onze lieve Vader’ voor allen en ieder bidden, zoals het ene kind dat bij zijn vader doet voor het andere. Laat niemand onder ons het zijne zoeken of de anderen bij U vergeten. Laat ons alle haat, afgunst en onenigheid terzijde leggen, opdat wij als ware gelovige Gods-kinderen elkaar liefhebben en zo met en voor elkaar mogen bidden, niet:  ‘mijn Vader’ maar ‘onze Vader’. [Amen]. Eine kurze Form des Vaterunsers, 1520, W.A. 7, 220, 25 – 221, 3.

 

 

54. Heb uw naaste lief als uzelf

Zie mijn Heere Christus, daar heeft mijn naaste mij een beetje beschadigd. Mijn naaste, hij heeft mij gekrenkt in mijn eer. Hij heeft mij benadeeld in mijn goederen. Dat kan ik niet verdragen, daarom wilde ik wel dat hij dood was. Ach mijn God, laat het tot u geklaagd zijn, ik wilde graag goed voor hem zijn, maar dat kan ik helaas niet. Zie hoe ik helemaal koud, ja, hoe volkomen dood ik ben. Ach Heere, ik kan mijzelf niet helpen; hier ben ik, verander U mij, zo ben ik godvrezend, anders blijf ik zoals ik hiervoor geweest ben. Amen. W.A. 12, 623, 23 – 624, 5.

 

 

55. Zoals een moeder op haar kindje ziet

De ogen des Heeren zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep.  Lieve hemelse Vader, Ik weet toch dat U, onze Heere God mij hartelijk lief heeft, ofschoon ik nu op dit ogenblik in deze grote nood verkeer en niet meer weet hoe ik geholpen kan worden. Ik leg het in de handen van mijn lieve God, Die in deze ellende op mij neerziet zoals een moeder op haar kindje dat ze onder haar hart heeft gedragen, Hij zal het wel goed met mij maken. Tot Hem zal ik bidden en zeker geloven dat Hij mij horen en redden zal. [Amen]. Bibel- und Bucheinzeichnungen, W.A. 48, 40, 5 – 10 (2).

 

 

56. Uw naam is Wonderlijk 

Bent U niet een wonderlijk lieve God die ons vol wonderen en vriendelijk regeert? U verhoogt ons wanneer U ons vernedert. U maakt ons rechtvaardig wanneer U ons zondaren doet zijn. U voert ons ten hemel wanneer U ons in de hel stoot. U geeft ons de overwinning wanneer U ons de strijd doet verliezen. U maakt ons levend wanneer U ons laat doden. U vertroost ons wanneer U ons laat treuren. U maakt ons vrolijk wanneer wij moeten huilen. U laat ons zingen wanneer U ons laat wenen. U maakt ons sterk wanneer wij lijden. U maakt ons wijs wanneer U ons tot zotten maakt. U maakt ons rijk wanneer U ons armoede toebedeelt. U maakt ons heren wanneer U ons laat dienen. En dergelijke ontelbare wonderen meer. Ik dank U dat U mij verootmoedigt, maar mij ook steeds weer helpt. Amen. Confitemini 1530, W.A. 31.1, 171, 13 – 25.

 

 

57. Onderzoek de schriften

Dit boekje is een kostbaar goed * (* voetnoot : geschreven door Luther in een exemplaar van het N.T.)  Ten eerste: De hele Bijbel doet niet anders, dan de mens te kennen geven, wat hij geweest is, wat hij is, wat hem toebehoort en wat zijn werken zijn en dat dit alles met hem verloren is. Ten tweede: wat God is, wat Hij heeft, wat Zijn werken zijn, en wel bijzonder Zijn barmhartigheid in Christus, die Hij ons openbaart, en dat Hij ons door Zijn menswording, van deze aarde ten hemel doet varen tot de Godheid. Dat God de hemelse Vader ons allen, genadig en barmhartig zij, door Christus onze lieve Heere en Heiland. Amen, Amen, Amen.  Bibel- und Bucheinzeichnungen, W.A. 48, 272, 1 – 10.

 

 

58. Het armzalige lantaarntje van God

Wanneer ik nog honderd jaar zou leven, en alle vorige en tegenwoordige geestdrijverijen en stormwinden zouden door God genade gestild zijn, maar ook alle spoedig daarna komende stormen stilliggen, zo zie ik toch wel dat er ook dan voor onze nakomelingen geen rust zal zijn. Omdat de duivel leeft en regeert. Daarom bid ik ook om een genadig doodsuurtje en begeer dit leven niet meer. U, die na ons komt, bid met ernst en onderhoudt Gods Woord vlijtig. Bewaar het armzalige lantarentje van God, zijt gewaarschuwd en gewapend. Alle uren moet u wachthouden, waar u de  duivel een ruit of vensterglas zal ingooien, deur en dak openrukken, het licht uitdoven. Daarom zijt nuchter en waakt, de duivel slaapt niet en neemt geen rust. Ook sterft hij niet voor de jongste dag. Ik en u moeten sterven, en wanneer we gestorven zijn, zo blijft hij evenwel de zelfde die hij altijd geweest is en zal zijn verwoestende stormwinden zenden. Christus onze lieve Heere die hem de kop vertreden heeft, kome en verlosse ons eindelijk van zijn stormen, Amen. Bibel- und Bucheinzeichnungen, W.A. 48, 226, 1 – 18.

 

 

59. Bid, en u zal gegeven worden 

Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden * (* voetnoot Matth.7, 7, S.V.). Dat is toch duidelijk gesproken: ons bidden, zoeken en aankloppen zal niet te vergeefs zijn, maar gewis en zeker alleen – ja –  als antwoord krijgen. O wie dat kon geloven, en in dit geloof kon bidden, hoe zalig zou die mens zijn aan wie zich God met zo’n dure eed verbindt dat Hij zijn gebed wil horen en doen wat hij bidt. O Heere kom onze ongelovigheid te hulp. Amen (…) Het zou geen wonder zijn, en het moest ook zo wezen, dat een Christen alle uren God in gebed aanroept, en Hem niet laat gaan. Hij spreekt zo heel vriendelijk tot ons en roept ons ook zonder ophouden toe: bidt, zoekt, klopt. O dat wij zo ijverig waren met bidden –  al was het maar met zuchten van ons hart –  als God bezig is met bemoedigen, aanzetten, gebieden, beloven en nodigen tot het gebed. Ach we zijn zo lui en ondankbaar, dat vergeve ons God en versterke ons het geloof. Amen. Bibel- und Bucheinzeichnungen, W.A. 48, 108, 1-10 (2) en 109, 1-10 (1).

 

 

60. Luthers gebed te Worms, vóór hij verschijnen moest op de rijksdag

O God! O God! O Gij mijn God, Gij mijn God, sta mij bij, tegen alle verstand en wijsheid van de hele wereld. Doe U het, U moet het doen, U alleen. Het is toch niet mijn –  maar Uw zaak. Ik heb toch voor mijzelf hier niets te zoeken of met deze grote heren van de wereld van doen. Ik wil toch ook liever goede, rustige dagen hebben en zonder onrust zijn. Maar het is Uw zaak, Die rechtvaardig en eeuwig bent. Sta mij bij, Gij trouwe, eeuwige God! ik verlaat mij op geen mensen, het is alles voor niets en tevergeefs, het is kreupel alles wat vlees is en naar vlees smaakt. God, o God! Hoort U niet, mijn God? bent U dood? Nee U kunt niet sterven, U verbergt Zich alleen. Hebt U mij hiertoe voorbestemd? Ik vraag U, hoe ik dat dan zeker weet; wel, zó beschikt het God! want ik had mijn  levenlang niet gedacht tegenover zulke grote heren te staan, ik heb mij dat ook nooit voorgenomen. Ach God, sta mij bij in de Naam van Uw lieve Zoon Jezus Christus, die mijn Schutsheer en Beschermer moet zijn, ja mijn Burcht door de kracht en sterkte van Uw Heilige Geest. Heere waar blijft U? Gij mijn God waar bent U? Kom, kom toch, ik ben bereid ook mijn leven erom te laten, geduldig als een lammetje. Want rechtvaardig is de zaak en Gij. Zo wil ik mijzelf van U niet afkeren in eeuwigheid. Dat zij besloten in Uw Naam. Amen. (* voetnoot: Op 17 en 18 April 1521 moet Luther voor de Rijksdag in Worms verschijnen, ook de keizer is aanwezig, velen hoopten dat Luther in deze vergadering zou herroepen, en zo de grote onrust rond de religieuze en politieke vraagstukken zou beëindigd zijn. Luther heeft niet herroepen, en zou ongeveer dit gezegd hebben: ‘Hier sta ik, ik kan niet anders, God moge mij helpen’ of ‘Herroepen kan en wil ik niets, want het is gevaarlijk en heilloos om tegen het geweten te handelen’)  E.A. 64, 289 – 290.

 

 

61. Luthers troost gebed voor ons laatste uur

Almachtige, eeuwige, barmhartige Heere en God, Gij die zijt de Vader van onze Heere Jezus Christus. Ik weet zeker dat alles wat U gesproken hebt, U ook volbrengen kunt en zult, want U kunt niet liegen, Uw Woord is de Waarheid. U hebt mij vanaf het begin Uw lieve Zoon Christus beloofd, Hij is gekomen, en heeft mij van duivel, dood, hel en zonde verlost. Daarna hebt U tot meerdere zekerheid van het geloof, door Uw genadige wil, mij de doop en het avondmaal geschonken, waarin U mij vergeving van zonden, eeuwig leven en alle hemelse goederen aangeboden hebt. Op deze aanbieding heb ik ze ook gebruikt en die ontvangen, en in het geloof op Uw Woord mijn vertrouwen gesteld. Waarom ik geheel niet twijfel, dat ik wél, zeker en gerust ben tegen duivel, dood, hel en zonde. Is dit mijn doods-uurtje, en Uw goddelijke wil, dan wil ik in vrede met blijdschap op Uw Woord graag van hier heengaan. Amen. Trostgebet in unserer letzten Stunde, 1534,  E.A. 64, 288 – 289.

 

 

62. In deze Naam kom ik tot U en bid

Deze woorden moeten wij met aandacht lezen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Al wat gij den Vader zult bidden in mijn Naam, dat zal Hij u geven* (* voetnoot: joh. 16, 23, S.V.) en dit: Want de Vader Zelf heeft U lief, dewijl gij Mij liefgehad hebt, en hebt geloofd, dat ik van God ben uitgegaan * (* voetnoot Joh.16, 27, S.V.).Onze lieve Heere Christus spreekt: Wie mij liefheeft, die moet zeker zijn dat mijn Vader hem ook liefheeft en wel zó, dat Hij hem verhoort als hij bid, want dat heb Ik door mijn dood verworven, dat mijn Vader U net zo goed hoort als Mij. Christus heeft ons door zijn sterven en heengaan uit deze wereld een toegang tot God de Vader gegeven, dat waar we ook zijn: in de kerk, in huis, in de kelder, in de keuken, op het veld of in de werkplaats, en we komen tot Hem met een biddend hart, Hij ons zal horen. Lieve God en Vader in de hemel, ik weet zeker dat U mij lief hebt, want ik heb Uw Zoon, mijn Verlosser Jezus Christus lief. In rust en vertrouwen wil ik U nu en altijd getroost bidden. U wilt mij verhoren en mij geven wat ik bid, niet omdat ik zo heilig en vroom ben, maar omdat ik weet dat U om Uw Zoon Jezus Christus, ons graag alles wilt geven en schenken. In deze Naam kom ik nu tot U en bid. Ik twijfel in het geheel niet dat dit gebed – ik zij wat mijn persoon betreft wat ik wil – ja, ik ben gewis en zeker verhoord. Amen. E.A. 5 (2) 125 – 126.

 

 

63. Belijdenis van zonden

Ik arm zondig mensenkind, belijd voor U, de almachtige God, door Jezus Christus mijn zonden en de zeer vele overtredingen van Uw heilig gebod en Uw Goddelijke Wil, die in mij toegenomen en nu ontelbaar geworden zijn als het zand aan de zee, of zoals de psalm zegt: als een ondragelijke last zijn zij mij veel te zwaar geworden. Tot nu toe heb ik – ach God! – naar de wil van de overste van deze wereld geleefd en gedaan wat mijn lichaam en boze begeerten verlangden, in onbeduidende gedachten, met nutteloze woorden, dwaze daden, in blindheid van mijn hart, met door eigenliefde alleen mijzelf te bedoelen, onder een denkbeeldige schijn van vroomheid en een dood verzonnen geloof. Waarbij ik de listen en ingevingen van de Satan en mijn vlees niet tegenstond, maar die tot duizendmaal en meer, tegen de waarschuwingen en het spreken van mijn lieve Heere God de Heilige Geest in, gehoorzaamd en gevolgd ben. Zo heb ik de goede raad van God veracht, Zijn heilige Naam onteerd en God vertoornd. Dit is mij nu van harte leed en het berouwd mij. [Amen]. Betbüchlein 1522, W.A. 10.2, 470, 10 – 24.

 

 

64. Mijn Vader en Uw Vader

O hemelse Vader, U bent niet een natuurlijke vader, hier op aarde, maar  een geestelijke Vader in de hemel, Die niet sterft. Er bestaat geen twijfel over of U zichzelf wel zou kunnen helpen, zoals met aardse en sterfelijke vaders het geval is. U laat ons hiermee zien dat U een oneindig betere Vader bent, en leert ons het tijdelijke vaderschap, vaderland, vrienden, bezittingen, vlees en bloed niet lief te hebben boven U. Geef ons, o Vader, dat wij ook Uw hemelse kinderen mogen zijn, leer ons onze zielen en de hemelse erfenis alleen te behartigen, opdat dit tijdelijke vaderland en het aardse erfgoed ons niet bedriegt, volkomen in beslag neemt en in de weg staat, en ons tenslotte geheel tot aardse kinderen zou maken. Dat wij op goede en vaste grond mogen zeggen: ‘O onze hemelse Vader’, en dat wij in waarheid Uw hemelse kinderen zijn.[Amen]. Eine kurze Form des Vaterunsers. 1520, W.A. 7, 221, 4 – 13.

 

 

65. Vergeef mij al mijn zonden

Paulus spreekt: Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods; en worden om niet gerechtvaardigd door Zijne genade door de verlossing die in Christus Jezus is; Welke God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van zijne rechtvaardigheid, door de vergeving der zonden, die tevoren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods. (Rom. 3, 23 – 25) O God, vergeef mij om Christus wil al mijn zonden. Geef mij zekerheid daarvan, en wil van dag tot dag het binnenste van mijn hart vernieuwen, dat ik steeds alle goddeloze en wereldse begeerten zal verlaten en matig, eenvoudig, rechtvaardig, godvrezend, rein, gehoorzaam, mild, eerzaam en nederig leef. Dat ik naar de wil van God, in Zijn vreze hier in dit tranendal woon, dat ik de wereld, alle zonden en mijzelf afsterf, terwijl ik de toekomst van mijn Heere en Heiland Jezus Christus met een goed geweten en vrolijk hart verwacht. Amen. Betbüchlein 1522, W.A. 10.2, 470, 25 – 471, 6.

 

 

66. De enige arts

Heere Jezus Christus, U bent de enige arts van het verwonde geweten. Wij arme ongelukkig zondaren, hopen op Uw goedheid en genade en belijden U van de kwade boom van ons hart, met al zijn wortels, takken en vruchten, ook met al zijn krommingen en grillige vormen. Die U al weet en kent, hetzij met onze geheimste begeerten en gedachten of met uiterlijke woorden en werken. We bidden zo goed we kunnen – als het tenminste bidden mag heten –  dat U genadig ons harde hart wilt zacht maken, voor het oude een nieuw geven, daarbij een nieuwe Geest schenken. Ons hart met het water van uw hemelse genade, vanuit de waterbron van Uw Geest begieten en nat maken. O geef dat het inwendige gif en sap van het vlees er aan onttrokken wordt, dat de oude mens zijn gang niet meer kan gaan, en onze harten niet eeuwig doornen en distellen voor de hel zouden voortbrengen, maar geestelijke vruchten in gerechtigheid en heiligheid tot het eeuwige leven. Amen. Betbüchlein 1522, W.A.10.2, 471, 7 – 20.

 

 

67. Uw Schepper en Uw Formeerder

Almachtige God hemelse Vader, Schepper van hemel en aarde hoewel we het bidden tot U niet waard zijn, toch maakt Uw grote genade en onze nood, dat we steeds meer redenen hebben dat we zonder ophouden tot U  bidden. Wij scheppen moed uit Uw almacht en goedheid, waardoor er niets is dat U ons niet zou kunnen geven. Het is U nooit te moeilijk of te veel de gelovigen Uw goedheid te bewijzen. Daarom almachtige Schepper, eeuwige goede God, hemelse Vader maak ons levend in U en geef ons Uw lieve Zoon Jezus Christus, onze Heiland, door de Heilige Geest, in een waar geloof van harte te belijden, waardoor wij het eeuwige leven hebben. Uw Zoon Jezus Christus onze Heere is om ons mens geworden, opdat Hij ons tot God de Vader zou brengen. Zelf is Hij ook tot de Vader heengegaan, en is gezeten aan Zijn rechterhand. Verleen ons dat wij door het geloof in de Vader, de Zoon en de Heilige Geest bij U in de hemelse heerlijkheid komen en na deze ontberingen met Uw licht omgeven, bij U eeuwig blijven mogen, bij U lieve Heere Jezus Christus, Die met God de Vader en de Heilige Geest leeft en regeert: Eén ware God, tot in alle eeuwigheid. Amen. Betbüchlein 1522, W.A. 10.2, 471, 21 – 472, 3.

 

 

68. Wees ons genadig

Heere God, zo komen wij arme mensen nu voor Uw aangezicht, wij klagen U, zoveel we maar kunnen, niet alleen ons grote ongeloof, de ongelukkige blindheid en grove onwetendheid van ons verdorven hart, maar ook dat wij dit alles geheel niet ter harte nemen of willen erkennen, ja veel meer, dat wij ons ongeloof voor geloof houden, onze blindheid licht denken te zijn, de activiteiten van het vlees voor de wind van de Heilige Geestes houden en samengevat: wat nauwelijks de minste schijn heeft van Goddelijke zaken voor het allerhoogste en voor Uw Waarheid uitgeven. Ook dat wij zo zeker voortwandelen zonder de minste angst, als of we met de dood een verbond en met de hel een verdrag gemaakt hebben, ja, als of de hemel al in ons bezit is en wij in Uw ogen de allerbeste mensen zijn, daar toch – ach God ! –  onze vruchten, ondeugden, eigenliefde, lust om kwaad te vergelden, afgunst, haatdragendheid, hoogmoed en de gierigheid en onze gemene streken wel uitwijzen wat voor soort boom wij zijn. [Ach Heere God erbarm U over ons]. Betbüchlein 1522, W.A. 10.2, 473, 12 – 24.

 

 

69. Die zal Mij verheerlijken

U zij de lof, de prijs, dank en eer, o Heere Jezus Christus, die al onze zonden gedragen hebt, die de bittere dood voor ons geleden heeft en gestorven is aan het kruis. Die opgestaan is uit de doden, ten hemel gevaren, om ons arme zondige mensen met Uw hemelse Vader te verzoenen en met U, in de hemelse heerlijkheid eeuwig te leven. Tijdens Uw omwandeling op aarde hebt ons bevolen de Vader in Uw Naam te bidden daarom komen we nu tot U met onze smeekbede, hoewel ons hart koud is, onze gedachten verstrooid zijn en wij met lichaam en ziel – Ach God ! – nog meer aan de tijdelijke bezittingen vastzitten dan dat wij naar de hemelse heerlijkheid verlangen. Wilt U vandaag  – o goede Jezus— vanwege onze zwakheid onze Voorbidder zijn en voor ons, onwaardige schepselen de Vader bidden dat wij Uw Heilige Geest en genade ontvangen, welke ons hart vernieuwt, door Uw liefde ontvlamt en in de kennis van de Zoon en de Vader leidt. Dat wij altijd in Gods liefde en vreze leven en U in alles wat we doen als onze genadige God en Heere, steeds bedoelen. U Die leeft en regeert met de Vader in de gemeenschap met de Heilige Geest, nu en eeuwig, zonder einde. Amen. Betbüchlein 1522, W.A. 10.2, 475, 35 – 476, 12.

 

 

70. Gelijk schapen die geen herder hebben

Heere Jezus Christus, wij zijn verlaten en verstrooid als schapen die geen herder hebben. Wil U, die een Heere van de oogst bent, omdat de oogst zo groot is en de goede arbeiders maar weinig zijn, door Uw barmhartigheid bewogen, velen van Uw trouwe arbeiders in Uw oogst uitstoten, en die Gij uitzendt op hun weg met Uw genade doen voortgaan en daarbij door Uw Heilige Geest toerusten, vervullen en leiden. Opdat ze veel vruchten voor U voortbrengen, en tot Uw eer, het zuivere graan – de garven van gelovigen – bij hopen in Uw schuur verzameld mogen worden. U die met God de Vader in gemeenschap met de Heilige Geest leeft en regeert, één ware God tot in eeuwigheid. Amen. W.A. 10.2, 477, 22—34.

 

 

71. O wee mij dat ik een vreemdeling ben

Ach lieve God en Heere, ik leef, maar ik weet niet hoe lang nog. Ik moet sterven en weet niet wanneer. U echter, mijn hemelse Vader, weet dat alleen. Al zou deze dag de laatste dag van mijn leven zijn, Heere, Uw wil geschiede, want Uw wil is alleen de beste, daarom ben ik bereid met het ware geloof in Christus, mijn Verlosser, te leven en te sterven. (…)

O, Onze Vader die in de hemelen zijt, wij Uw kinderen zijn op aarde, en van U gescheiden in deze ellende, hoe groot is afstand tussen U en ons, hoe zullen we ooit thuiskomen in Uw en ons Vaderland ? [Amen]. Gebets-Schatz 1895 en W.A. 10.2, 429, 10 – 13.

 

 

72. Laat mijn ziel leven

Ach God, mijn ellende is zo groot dat geen mens of schepsel mij kan helpen of troosten, want mijn ongeluk is niet lichamelijk of tijdelijk. Daarom, omdat U God bent en alleen mij voor eeuwig kunt helpen, ontferm U over mij! Zonder deze ontferming zijn alle dingen vol verschrikking en bitterheid. Ik bid nu om Uw barmhartigheid niet voor kleine dingen zoals U voor deze tijd bij lichamelijke noden helpt, maar naar Uw grote barmhartigheid dat U Zich over mijn ziel ontfermt. Wees mij genadig en vergeef mijn zonde. Amen. Gebets-Schatz 1895.

 

 

73. Wat is de mens dat Gij zijner gedenkt

O God, wie geloofd dat? Het is waar ik hoor het Woord, maar wanneer ik zou kunnen geloven, dat het God zelf is die het me zegt en met me spreekt, o mensen zeg me, waar zou ik vanwege grote ootmoed en grote hoogmoed blijven moeten? Van ootmoed dat ik me ontzetten moet, dat met zo’n wormpje, ja, zoals Abraham zegt met stof en as, de hemelse majesteit zelf spreekt. Van hoogmoed dat zo’n hoge majesteit mij – arm vuil en stank –  niet veracht aan te zien, ja ook met me spreken wil, ja zo vriendelijk en vol troost tot me spreekt! O, vervloekt ben je, ongeloof door alle schepselen! Amen. Bibel- und Bucheinzeichnungen, W.A. 48, 181, 4 – 11 (2).

 

 

74. Zalig zijn zij die horen

Lieve Heere God, dat kan geen ander boek! Geen andere leer of woord, kan troosten in noden, in ellende, dood en sterven, ja zelfs onder de aanvallen van de duivelen en in helse benauwdheden, alleen en niets anders dan dit boek, dat ons het Woord van God predikt en onderwijst. God spreekt in dit boek zelf met ons, zoals iemand spreekt met zijn vrienden. Andere leringen mogen rijk, machtig of achtenswaardig maken en dit leven hoog verheffen. Als echter nood en dood er aan komen stormen, vluchten ze als trouweloze schurken met hun eer, goederen, macht en vriendschap. Zij laten ons allemaal schandelijk en verraderlijk in de steek, want ze weten niets, kunnen niets, en doen niets in Goddelijke en eeuwige zaken. Nog steeds is de wereld dwaas en uitzinnig, houdt dit boek voor niets, vervolgt en lastert het, alsof het een duivels-boek is, voor welke troep God ons behoede. Amen. Bibel- und Bucheinzeichnungen, W.A. 48, 72, 1 – 73, 16.

                                                                                                                      

 

75. Genees mij, Heere

Ach God, wie dat kon geloven, hoe hartelijk lief zou hij de Heilige Schrift hebben! Kijk maar eens hoe hoog men de geneeskunde houdt en hoe lief men de dokter heeft die de koorts of een ziekte kan genezen, hoe snel loopt en rijt een ieder erheen, en wat wil men er wel voor geven, doen en lijden. Maar de schat en het juweel [dat is Gods Woord] daar geeft niemand om, niemand of helaas maar zeer weinigen. En toch is het de hoge eeuwige Waarheid van God zelf, geprezen tot in eeuwigheid. De dood doet ondertussen onder alle ziekten, gejammer en nood rustig zijn werk. O God, wees ons genadig. Amen. Bibel- und Bucheinzeichnungen, W.A. 48, 155, 1-10 (2).

 

 

76. Die zal de dood niet zien

Voorwaar, voorwaar zeg ik u: Zoo iemand Mijn Woord zal bewaard hebben, die zal de dood niet zien in der eeuwigheid * (* voetnoot Joh. 8, 51, S.V.). Als dat waar is, zo moet zeker Gods Woord een onuitsprekelijk, kostbaar medicijn en geneesmiddel zijn. Als het de kracht heeft de dood uit te werpen uit lichaam en ziel. De dood verslindt toch de hele wereld!  Maar die dit medicijn veracht of er van walgt – zoals de wereld doet – kan niet geholpen worden maar moet eeuwig van de dood blijven. Daar behoede ons God voor door Zijn Heilig Woord. Amen. Bibel- und Bucheinzeichnungen, W.A. 48, 159, 1 – 10 (1).

 

 

 

77. Ik zal u tot Mij nemen

In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden * (* voetnoot (Joh. 14, 2, S.V.). Dat is: de Vader Zelf heeft U een herberg besteld, daarom wees niet bevreesd, als Hij die niet besteld zou hebben, zo zal Ik die zelf spoedig bestellen en weder tot U komen. Hij wil daarmee zoveel te verstaan geven – zoals Hij in dit hoofdstuk verder en meermalen in het evangelie van Johannes doet – : dat Hij in alles de Vader gelijk is, en dat de Vader niets doet, wat Hij, de Zoon Zelf ook niet doet. Daarom zegt Hij ook: … gijlieden gelooft in God gelooft ook in Mij * (* voetnoot (Joh.14, 1, S.V.). Het is toch zeer vertroostend dat Hij niet alleen over de woningen spreekt, die reeds bereid zijn, maar dat Hij ook belooft: … zoo kome Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben * (* voetnoot (Joh. 14, 3, S.V.). Zijn waar Hij is ! Laat dat uw troost zijn in allerlei aanvechtingen, en vergeet niet, het is maar om een kleine tijd te doen, dan zal Hij komen en u verlossen en tot Zich nemen. Ja lieve Heere kom spoedig en vertraag niet. Amen. Bibel- und Bucheinzeichnungen, W.A. 48, 172, 1 – 15.

 

 

78. Ik vaar op tot Mijn Vader en tot uw Vader

Almachtige God, U die door de dood van Uw Zoon de zonde en de dood tot niets gemaakt en door Uw opstanding de onschuld en het eeuwige leven terug gebracht hebt, opdat wij, uit de macht van de duivel verlost, in Uw rijk leven. Geef ons dat wij dit met geheel ons hart geloven, en in zulk een vast geloof U altijd loven en danken. Geef aan ons, die geloven, dat Uw enige Zoon, onze Heiland op deze dag opgevaren is naar de hemel, dat wij ook met Hem geestelijk in een geestelijk leven in de hemel wandelen en wonen zullen. Door  Uw Zoon Jezus Christus, onze Heere. Amen. E.A. 56, 320.

 

 

79. Ja, niettegenstaande alles

Daarom is deze geschiedenis [van de Kananeesche vrouw] omwille van ons geschreven, opdat wij er ons niet aan stoten dat de duivel ons voorhouden wil en zeggen: u bent geen christen, uw gebeden helpen toch niet… Nee, om de dood niet, luister er niet naar!  maar spreek: ik mag zo slecht zijn als ik ben, toch vraag ik daarna niet. Hoewel ik ook nu een zondaar ben, toch weet ik dat mijn Heere Christus geen zondaar is, maar rechtvaardig en genadig blijft. Daarom wil ik getroost tot Hem roepen en schreeuwen, en mij verder tot niemand of niets keren. Ik heb nu geen tijd om te redetwisten of ik uitverkoren ben, ja of nee…, maar ik voel dat ik hulp nodig heb, en daarom kom ik en zoek ik die in alle nederigheid bij U alleen. [Amen]. E.A. 4 (2) 339 – 340.

 

 

80. De goede herder 

Wanneer we nu beginnen te vertrouwen en wij gesterkt en getroost willen worden, zo is het nodig om de stem van onze Herder te kennen en alle andere stemmen te laten varen, die ons slechts laten dwalen en heen en weer jagen en drijven, en alleen die woorden horen en bewaren, die ons op het aller vriendelijks en troostrijkst Christus in ons hart afschilderen, zo schoon als men Hem maar schilderen kan! zodat het hart met een volkomen vertrouwen kan zeggen: Mijn Heere Jezus Christus, U bent immers de enige Herder en helaas ben ik het verloren schaap dat ongelukkig verdwaald is. Daarom ben ik angstig en bang, en zou graag een genadige God en vrede in mijn geweten hebben. Nu hoor ik dat het U zo bang is om mij als het mij bang is om U. Ik heb angsten en zorgen, hoe ik tot U kom, opdat ik behouden wordt en U bent vol angsten en zorgen, en U begeert niet anders dan dat U mij weer tot U brengt, en U lof en eer bewijs tot in eeuwigheid. W.A. 36, 292, 34 – 40.

 

 

81. Niet in Uw toorn

Ach God, Straf mij niet in Uw toorn, laat het in genade zijn en tijdelijk, wees een Vader en niet een rechter. Zoals ook de heilige Augustinus spreekt: Ach God, houw hier maar, sla hier maar, maar verschoon ons daar [voor Uw rechterstoel]. Walch 1880, Psalm Auslegungen, Ps. 6. O God, het berouwd ons dat wij Uw heilzame hand niet begrijpen of verdragen. O Vader geef en help, dat wij Uw Goddelijke wil in ons laten geschieden; ja ook als dat pijn doet, zo ver het gaan mag: straffen, steken, hakken of branden. Doe alles maar wat U wilt, dat alleen Uw wil en niet de onze geschiedt. Weersta ons maar lieve Vader en laat ons niet toe dat wij naar ons goeddunken, onze wil en onze mening uitvoeren, want onze wil en Uw wil staan tegenover elkaar. Uw wil is alleen goed, ofschoon dat niet zo schijnt, onze wil is verkeerd hoewel die schijnt goed te zijn. Betbüchlein 1522, W.A. 10.2, 430, 11 – 18. 

 

 

82. U heeft Hij mede levend gemaakt

Almachtige eeuwige goede God en Heere, wij die ooit afvalligen en Uw vijanden waren in ons hart en verstand, in verdorvenheid en boze werken voor U, welke U nu verzoend heeft in het menselijk lichaam van Uw Zoon. Om ons door Zijn dood van de duisternis tot het wonderlijk licht van Uw heerlijkheid te roepen. Opdat U ons eenmaal door het geloof als kinderen des lichts, heilig, standvastig, en onschuldig voor Uw aangezicht brengen en zou doen staan. Wij smeken U als bedelaars, dat U ons meer genade geven wilt, en dat U het kleine aangestoken kaarsje van het geloof hoe langer hoe meer door Uw Goddelijke kracht aanblaast. Geef dat het tot een schijnend licht wordt, opdat wij in een waar geloof behouden, daarin groeien en opwassen. Geef dat wij standvastig en onbeweeglijk zijn. Geef dat wij in de hoop van het eeuwige leven zoals ons door Uw evangelie verkondigt is, volharden en eenmaal gevonden worden. Geef dat door Uw Zoon en onze Heere Jezus Christus. Amen. Betbüchlein 1522, W.A. 10.2, 474, 25 – 40.

 

 

83. Voedsel en deksel

Ofschoon U, o God, ons voor een tijd gebrek kan laten lijden, dat al onze arbeid te vergeefs is, toch zult U ons op Uw tijd zegenen en ons helpen. U geeft ons Uw Woord, en troost ons, dat we zeker zullen geloven dat we Uw kinderen zijn, dat wij door Christus een genadige God en Vader in de hemel hebben. Ja, dat wij zelf het visje zijn dat in Uw Woord, als in Uw net gevangen en bewaard zal worden voor alle ongeluk. (…) O hemelse Vader, ofschoon ik hier ook arm ben, het zal mij niet schaden; toch weet ik dat U, mijn lieve God, mij geen nood zal laten lijden, want U hebt mij Christus gegeven en alle zaligheid in Hem. U zult mij ook zoveel toewerpen, dat mijn lichaam in de korte tijd van mijn leven het nodige zal hebben. [ Amen]. E.A. 5 (2) 340 – 341.

 

 

84. Hij luistert naar U

Hier hoort u, dat God geneigd en bereid is ons te horen, te helpen, te doen of te geven alles wat wij overeenkomstig Zijn wil van Hem bidden en begeren. Dat ons dat echter niet gebeurt, is onze schuld, omdat wij onze noden, ellende en gebreken, die groot en menigvuldig zijn, niet zien noch voelen. Vandaar is het dat wij dan ook niet in een waar geloof en vertrouwen op Zijn beloften – die in Christus “ja en amen” zijn – gelovig schreeuwen en roepen, noch Zijn hulp ernstig begeren. Dat hebben wij te danken aan onze oude Adam en het ellendige ongeloof. O God versterk ons geloof! (…) Heere, omdat U het wilt en beveelt dat ik moet bidden en tot u komen, zo wil ik komen en genoeg meebrengen om te bidden, ook zelfs dát wat mij het meeste hindert en mij van U terug drijft, dat zijn mijn zonden die mij aan de hals hangen en mij omlaag trekken. Dat U die zelf van me af neemt en vergeeft. [Amen]. W.A. 48, 85, 4 – 13 en W.A. 37, 432, 20 – 24.

 

 

85. Van de dienst der engelen

Lieve hemelse Vader, ik dank en loof U daarom, dat ik arm mensenkind, al zou ik zelfs met honderdduizenden zijn, niet in staat ben één duivel te weerstaan. Wij weerstaan hen evenwel toch, door de hulp van Uw heilige engelen. Daarom zal Ik, die niet één druppeltje wijsheid heb – mijn vijand heeft een zee van wijsheid – toch door hem niet geschaad kunnen worden. Mijn onverstand maakt zijn grote verstand toch tot schande, waarvoor ik mijn barmhartige God en Vader van onze Heere Jezus Christus alleen te danken heb. Want dat is de eer van onze Heere God, dat Hij Zijn wijsheid en macht in onze vernedering, dwaasheid en zwakheid bewijst. Hij alleen moet de eer hebben, dat Hij een machtige, wijze en genadige God is, omdat Hij ons door de dienst van Zijn lieve engelen helpt, dat wij de duivel verslaan. O God geef dat aan ons allen, Amen. Am Feste Michaelis, 20 Sept. , 1531.

 

 

86. De eerstelingen des Geestes

Zo spreekt hij [Paulus] verder: Maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, verlangen naar het kindschap en wachten op de verlossing van ons lichaam * (* voetnoot Rom. 8, 23, Luth. Vert.). Wij bidden en zuchten met groot verlangen in het ‘Onze Vader’: Uw Rijk kome. Dat is: Geef lieve Heere dat de zalige dag van Uw heerlijke toekomst spoedig komt, dat wij uit deze boosaardige wereld, het rijk van de duivel verlost, en van de verschrikkelijke plaag die wij uit– en inwendig beide door boze mensen en ons eigen geweten lijden, verlost worden. Doodt altijd het lichaam der zonde en des doods, zodat wij eenmaal een nieuw lichaam krijgen dat niet – zoals het nu is –  vol zonde en tot alle boosheid en ongehoorzaamheid geneigd is. Een lichaam dat niet meer ziek hoeft te zijn, geen vervolgingen meer hoeft te lijden en ook niet meer hoeft te sterven. Maar van alle ongeluk van lichaam en ziel verlost, gelijkvormig is aan Uw verheerlijkt lichaam. Lieve Heere Jezus Christus dat wij zo eindelijk mogen komen tot onze heerlijke verlossing. Amen. E.A. 9, 117 – 118.

 

 

87. Die in U een goed werk begonnen is

O, God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die het goede werk in ons begonnen is, wil dat ook voleinden, zodat wij voortdurend mogen blijven bij Uw Woord en Evangelie, dat wij gehoord, aangenomen en geloofd hebben. (…) Lieve Vader, U moge ons bewaren voor alle valse leer. Dat wij bij Uw heilig Woord en het reine en loutere Evangelie blijven, waardoor wij zelf ook rein en heilig worden. Dat we niet van dit Woord afvallen, noch terechtkomen in een valse, schoonschijnende heiligheid. Want dan is alles verder verloren, omdat dat zeker niet voor U bestaan kan. Want de duivel is zó slim en de schijn en bedrieglijke schoonheid van de valse leer is zó groot, dat het onmogelijk is die met al ons verstand en al onze kracht te overwinnen, zodat zelfs de uitverkorenen hier nauwelijks ontkomen, dat zij niet door deze dwalingen verleid zouden worden. Amen. Sämtliche Schriften, Walch 1880, Ausl. Joh. 17.

 

 

88. Dankzegging voor de genade van God

Ach, barmhartige God, wat een barmhartige, allerliefste Vader bent U toch, Die zo vaderlijk en vriendelijk met ons arme verdoemde zondaren handelt. U werpt uw enige Zoon, het hoogste en beste wat U heeft, de duivel en dood  in hun kaken en legt Hem de straf op dat Hij nederdaalt in de afgrond [van de hel], opdat Hij weer op-zal-varen in de hoogte, en de gevangenis die ons gevangen hield gevangen neemt. (…) Ik dank U eeuwige barmhartige God en vader, dat U, Uw lieve en enige Zoon aan ons arme zondaren geschonken heeft. Dat Hij de menselijke natuur heeft aangenomen, voor ons geleden en gestorven, en weer opgestaan is uit de dood, ten hemel gevaren is en onze gevangenis, die ons gevangen hield, gevangen heeft. Opdat Hij daardoor ons, Uw lieve kinderen, Zijn broeders en mede erfgenamen zou maken van al Zijn eeuwige, hemelse bezittingen. Geef ons genade en Uw Heilige Geest, dat Hij ons doet volharden in dit geloof tot aan ons einde. Amen. Sämtliche Schriften, Walch 1880, Serm. über Ps. 68.

 

 

89. Om een nieuw leven

Heere, U heeft mij uit de gevangenis verlost, verlos me nog meer. U heeft mij mijn zonde vergeven, vergeef ze nog meer. U heeft de duivel vermorzeld, vermorzel hem nog meer. U heeft de wet opgeheven, hef die nog meer op. (…) Heere, wendt onze gevangenis, dat is: verlos ons, wij die begonnen zijn een nieuwe schepping te zijn. Dat, zoals de verlossing door Christus volkomen geschied is, wij daarmee ook geheel en volkomen vervuld zijn, en die [verlossing] in ons mogen ondervinden. Sämtliche Schriften, Walch 1880, Ausl. b. 15 lieder im höh. Chor, 126 Ps.

 

 

90. Vóór het Avondmaal

Heere, Ik ben een arme zondaar, ik heb hulp en troost nodig. Ik wil aangaan aan des Heeren Avondmaal, en mij met het Lichaam en Bloed van mijn Heere Jezus Christus spijzen, want daarom heeft Hij dit sacrament ingesteld, dat alle hongerige en dorstige zielen gespijsd en gelaafd worden. Hij zal mij niet vervloeken, en nog minder doden, wanneer ik alleen in Zijn Naam kom, opdat ik gezegend zal zijn en hulp en troost ontvang. (…) Ik wil heengaan tot het ware Paaslam, en het Lichaam en Bloed van mijn Heere Jezus Christus eten en drinken. Zijn gedachtenis houden en Hem voor Zijn verlossing danken, zodat ik niet gevonden wordt onder de verachters en ondankbaren, die deze dierbare verlossing in de wind slaan en vergeten. E.A. 4 (2)  486, Pr. Am Grünen Donnerstag.

 

 

91. Het Koninkrijk Gods

Lieve Vader, geef dat dit in ons begonnen Koninkrijk dagelijks toeneemt en krachtiger wordt, dat de verleiding tot luiheid in Uw dienst, ons niet overvalt, opdat we niet weer terugkeren, maar geef ons een ernstige voornemen en kracht niet alleen te beginnen met Uw dienst, maar moedig daarin voort te gaan en te eindigen. De profeet zegt :  Heere mijn God, verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslaap, opdat mijn vijand zich niet beroemt dat hij machtig geworden is, en mijn tegenstanders zich niet verheugen, dat ik nederlig * (* voetnoot ( Psalm 13, 4, Luth. Vert.). Dat betekend: inslaapval of lui word in het nu aangevangen nieuwe leven en de vijand mij weer onderwerpt. Geef dat wij zo volharden en dat Uw toekomstig Koninkrijk dit begonnen Koninkrijk vervult en volmaakt. Verlos ons uit dit zondige gevaarlijke leven. Geef ons naar het andere leven te verlangen en dit leven om U gering te achten. Geef ons de dood niet te vrezen maar er naar te verlangen. Verlos ons van de liefde tot –  en het vasthouden aan dit leven, opdat zo Uw Rijk in ons op alle manier vervult wordt. Amen. Eine kurze Form des Vaterunsers. 1520, W.A. 7, 223, 16 – 30.

 

 

92. Klacht over de huichelaars

Heere, ’s morgens komen zij, niet om te bidden, zij hebben U ook niet nodig, vragen er niet naar of U hen wel of niet verhoort, ze zijn voldaan, ze zijn vol zonden en ongerechtigheid, dat is : vol met hun eigen gerechtigheid, zij komen ook niet tot U opdat U hen goed zou maken, dat zij verlicht mogen worden en mogen zien. Veelmeer komen zij en willen U met zichzelf blij maken, vergelijken U met de afgod die zij in hun hart hebben. Zoals Jesaja ook zegt: Zij oordelen naar hun eigen inbeelding en droom, opdat zij niet zien maar nog meer verblind worden. Geef daarom dat ik tot U kom en tot U ga om U zelf, opdat U mij Uw genade en gunst schenkt; dat ik door U geleerd, verstandig en wijs wordt; om U te verstaan, opdat ik zie en verlicht worde. Dat ik niet kom om U mijn werken en verdiensten te brengen, opdat ik ze niet met mijn zonde en overtredingen – nu noch groter – weer van U weg moet dragen. Ik kom tot U en begeer U en Uw genade en belijdt mijn zonden en kwaad. Anderen zijn gezond en hebben geen arts nodig, ik ben ziek en zwak en zoek een dokter. Sämtliche Schriften, Walch, Ausl. Psalm 5.

 

 

93. Valse religie

O almachtige God, lieve hemelse Vader, Uw heilige Naam wordt in dit ongelukkige tranendal, helaas, zo dikwijls ontheiligd, beledigd en veracht. Aan Uw Naam wordt veel toegeschreven, wat niet tot Uw eer is. Uw Naam wordt ook in veel aangelegenheden tot zonde misbruikt. Ook door een goddeloos leven dat wel een lasteren en veronteren van Uw heilige Naam mocht genoemd worden. Daarom, geef ons Uw Goddelijke genade, dat wij ons voor alles wachten, wat niet tot de eer en de lof van Uw heilige Naam bijdraagt, dat alle toverij en bijgelovige inzegeningen ophouden, dat allerlei bezweringen van duivels of schepselen door de kracht van Uw Naam geen voortgang meer hebben. Geef dat alle waangeloof en bijgeloof uitgeroeid worden; dat alle ketterij en valse leer die onder de schijn van Uw Naam worden verkondigd, tot niets worden. Geef dat alle valse schijn van waarheid, vroomheid of heiligheid niemand bedriegt. Geef dat niemand bij Uw Naam bedrieglijk zweert of liegt. Bewaar ons voor alle ongegronde troost onder Uw Naam verzonnen. Amen. Eine kurze Form des Vaterunsers. 1520, W.A.7, 221, 18 – 222, 2.

 

 

94. De Naam des Heeren zij geprezen

Lieve Vader, bewaar ons voor alle geestelijke hoogmoed en de nietige eer van tijdelijke roem en naam. Geef ons dat wij in al onze noden en gebreken Uw heilige Naam mogen aanroepen. Geef ons dat wij in de angst van ons geweten en als wij tenslotte sterven, Uw Naam niet vergeten. Geef ons dat wij met al onze bezittingen, woorden en werken Uw Naam alleen loven en eren, dat wij daarmee geen naam zoeken te maken voor onszelf, maar Uw Naam, van Wie alle dingen zijn, alleen zoeken. Bewaar ons voor de onbetamelijke zonde van de ondankbaarheid, dat door onze goede werken en ons leven anderen mogen worden opgewekt, niet om ons, maar om U in ons te loven en Uw Naam te eren. Geef dat door onze zondige werken of gebreken niemand geërgerd wordt tot oneer van Uw Naam en dat daardoor Uw lof stilzwijgt. Bewaar ons dat wij niets begeren, voor tijd noch eeuwigheid, dat niet tot de eer van Uw Naam en tot Uw lof is. En als wij zoiets zouden bidden, wil onze dwaasheid dan niet verhoren. Geef ons dat ons leven zó is, dat het eenmaal duidelijk zal zijn dat wij ware kinderen Gods zijn, en dat Uw Vader Naam niet voor niets of zonder rede over ons genoemd wordt. Amen. Eine kurze Form des Vaterunsers. 1520, W.A. 7, 222, 3 – 18

 

 

95. Geestelijke boosheden

Lieve Vader, dit ongelukkige leven is een rijk van zonde en ongerechtigheid, waarin de satan heer is, die boze geest, de vorst der duisternis, die het begin is van alle zonden en verdorvenheid. Uw Rijk echter is een Rijk van alle genade en goedheid, waarin Jezus Christus de Heere is. Uw lieve Zoon, die de oorzaak en het begin is van alle genade en goedheid. Daarom help ons en geef ons genade, lieve Vader. Geef ons vóór alle dingen een waar en onveranderlijk geloof in Christus. Geef ons een vaste hoop op Uw barmhartigheid tegen alle vrees van ons zondige geweten en een hartelijke liefde tot U en tot alle mensen. Bewaar ons voor ongeloof en wanhoop en een einde vol wroeging.  Amen. Eine kurze Form des Vaterunsers. 1520, W.A. 7, 222, 24 – 223, 3.

 

 

96. Vruchten van de Geest

[Lieve Vader], verlos ons van de twist, de strijd en de onvrede en laat de goedheid van Uw Rijk komen: de vrede, de eenheid en de rust. Geef dat er geen toorn of andere bitterheid in ons – Uw Rijk – regeren, maar door Uw genade eenvoudige vreugde, broederlijke trouw en allerlei vriendschap, mildadigheid en zachtmoedigheid in ons wonen. Help dat geen overdreven droefheid en zwaarmoedigheid in ons zij, maar laat door Uw genade en barmhartigheid, vreugde en blijdschap komen. En eindelijk: dat alle zonden van ons weggenomen worden en wij vol van Uw genade, deugden en goede werken, zelf Uw rijk zullen zijn. Dat wij met hart en ziel, met alle kracht, inwendig en uitwendig, U naar Uw geboden en wil nederig dienen. Dat wij ons alleen door U laten regeren en onszelf, het vlees, de wereld en de duivel niet volgen. Geef dat dit in ons begonnen Rijk dagelijks in ons toeneemt en krachtiger wordt. Amen. Eine kurze Form des Vaterunsers. 1520, W.A. 7, 223, 5 – 16.

 

 

97. In dit alles zondigde Job niet

Lieve Vader, geef ons genade dat wij allerlei ziekte, gebrek, verachting, lijden en tegenspoed gewillig dragen, en erkennen, dat deze alle Uw Goddelijke wil zijn, om onze wil te kruisigen. Geef ons dat wij ook graag onrecht lijden, en bewaar ons, zodat we geen wraak nemen. Laat ons niet kwaad voor kwaad vergelden, geweld met geweld beantwoorden, maar vreugde hebben in Uw wil die U ons oplegt en U loven en danken. Laat ons het de duivel of kwaadwillige mensen niet toerekenen, wanneer ons iets tegen onze wil overkomt, maar het alleen aan Uw Goddelijke wil toeschrijven. U bestuurt en beschikt dit alles om onze wil te verhinderen, tot meerdere zaligheid in Uw koninkrijk. Geef ons dat wij gewillig en vrolijk sterven en de dood naar Uw wil graag aanvaarden. [Amen]. Eine kurze Form des Vaterunsers. 1520, W.A. 7, 224, 15 – 24.

 

 

98. Gewillig sterven

Lieve Vader, geef ons dat wij gewillig en vrolijk sterven en de dood naar Uw wil graag aanvaarden. Geef dat wij bij het sterven niet door ongeduld of wanhoop U ongehoorzaam zijn. Maak dat al onze ledematen, ogen, tongen, harten, handen en voeten niet hun begeerte en wil zullen volbrengen, maar in Uw wil gevangen, gebonden en gebroken worden. Bewaar ons voor alle kwaadwilligheid, weerspannigheid, onbarmhartigheid, onbuigzaamheid, eigenzinnigheid, koppigheid en voor onze eigen wil. Geef ons ware gehoorzaamheid en een volkomen onderworpenheid in alle dingen zowel geestelijk als maatschappelijk, eeuwig en tijdelijk. Amen. Eine kurze Form des Vaterunsers. 1520, W.A. 7, 224, 24 – 30.

 

 

99. En die voorbij gingen lasterden Hem

Lieve Vader, bewaar ons voor de verschrikkelijke zonde van het lasteren, achter iemands rug praten, roddelen, kwaadspreken, verkeert beoordelen, veroordelen, en naar het kletsen over andere mensen luisteren. O, dat grote ongeluk en die zware plaag van zulke tongen! Weer die verre van ons. Daarentegen, leer ons wanneer wij iets verkeerds zien of horen, iets kwaads of lelijks van anderen, dat wij dat stilzwijgend bedekken, het U alleen klagen en aan Uw wil overlaten; en ook allen die ons schuldig zijn van harte vergeven en medelijden met hen hebben. Amen. Eine kurze Form des Vaterunsers. 1520, W.A. 7, 225, 1 –  8

 

 

100. Wraak nemen               

Lieve Vader, leer ons in te zien dat niemand ons schade kan toebrengen, of hij doet zichzelf van te voren in Uw ogen duizendmaal meer schade [doordat Hij met wraak te nemen Uw toorn opwekt]. Maak dat wij daarom meer tot barmhartigheid dan tot boosheid over hen gezind zijn, meer hen beklagen dan het hen toerekenen. Geef dat wij ons niet verheugen wanneer het kwaad gaat met degenen die onze zin niet deden of ons verdriet gedaan hebben of omdat hun doen en laten ons om één of andere rede niet bevalt. Geef dat wij niet teleurgesteld zijn als het hen goed gaat. Amen. Eine kurze Form des Vaterunsers. 1520, W.A. 7, 225, 9 – 15.

 

 

101. Het levende Brood       

Lieve Vader, dat Brood is onze Heere Jezus Christus, Die onze ziel voedt en troost. Daarom, o hemelse Vader geef genade dat Christus leven, Woord, werk en lijden aan ons en in de hele wereld gepredikt en bekend wordt en in ere blijven. Geef dat Zijn Woord en werk in ons hele leven een sprekend voorbeeld en heldere spiegel van al het goede zijn. Geef dat wij in lijden en tegenspoed ons door en in Zijn lijden en kruis versterken en vertroosten mogen. Geef dat wij onze dood door Zijn dood in een vast geloof overwinnen en zo dapper de lieve Voorganger in het andere leven volgen. Geef genade dat alle predikers, Christus en Zijn Woord en in de hele wereld met vrucht en tot zaligheid prediken. Geef dat allen die Uw Woord horen prediken, door Christus geleerd worden en zich daardoor oprecht en trouw beteren. Geef dat U ook genadig alle vreemde prediking en leer, waarin Christus niet geleerd wordt buiten Uw heilige kerk werpt. Heb medelijden met alle herders, leraars, predikanten, en de overheid opdat zij door Uw genade verlicht, ons onderwijzen en leiden met woorden en een goed voorbeeld. Amen. Eine kurze Form des Vaterunsers. 1520, W.A. 7, 225, 20  – 226, 3.

 

 

102. De liefde is de bron

Het water komt uit de bron, maar niet de bron uit het water. De liefde is de bron, en de werken die daaruit vloeien zijn het water. Het is ook niet mogelijk dat een boom goede vruchten draagt tenzij het van tevoren al een goede  boom is. Hoe kan dan een mens iets goed doen of goede werken beoefenen zonder eerst zelf goed gemaakt te zijn? Zal u nu godvrezend en goed zijn, dan moet alles uit en door de liefde gedaan zijn. Tenslotte moet nog opgemerkt worden: waar de liefde met de werken, en de werken met het geloof vermengd worden – daar is nog maar één uitkomst en raad – dat we dan wanhopen en vertwijfelen aan al onze hoop en verwachting, aan al onze werken en aan al onze krachten, ons vernederen voor onze Heere Christus, en in een waar geloof ons alleen aan Hem onderwerpen. En zeggen en roepen: O God, ontferm U over mij naar de grootheid van Uw barmhartigheid! Hierop willen wij al ons geloof en vertrouwen alleen vestigen, en wij bidden U, [o God], dat U onze aangeboren vreesachtigheid wilt wegnemen, ons in het geloof versterken en in de broederlijke liefde wilt doen voortgaan. Dat geve ons Christus! Amen. Betbüchlein, 1522, W.A. 10.2, 434, 1 – 15.

 

 

103. Van Christus doop

Lieve Vader, wij loven en prijzen U, dat Christus in onze plaats treedt, ja onze persoon vertegenwoordigt [voor God], dat is: voor ons een zondaar geworden is en alle zonden die Hij Zelf niet gedaan had op Zich genomen heeft. Hij waste ze af, en verdronk en begroef die door Zijn heilige doop in het water. Hij heeft dat alles gedaan naar Uw Goddelijke wil, hemelse Vader. U hebt Zelf al onze zonden op Hem geworpen, opdat Hij ze droeg en ons door Zijn doop niet alleen van de zonden zou reinigen, maar ook aan het kruis daarvoor genoeg zou doen, en ons ook met Zijn heiligheid en onschuld zou bedekken en bekleden. Amen. Is dit niet een schone en heerlijke verwisseling dat Christus – Die geheel onschuldig en heilig is – niet alleen op Zich neemt vreemde, dat is mijn zonde en schuld, maar dat Hij mij – ik die enkel zonde ben – kleedt en versiert, met Zijn onschuld en reinheid. Hij sterft de verachtelijke dood aan het kruis omwille van mijn zonden – waardoor ik de eeuwige dood en verdoemenis verdient had – en schenkt mij Zijn gerechtigheid opdat ik met Hem eeuwig zal leven in heerlijke en onuitsprekelijke vreugde. Gebets-Schatz, verg. E.A. 19, 72 – 73.

 

 

104. De wonderlijkste ruil

Heere Jezus Christus, U bent mijn gerechtigheid, maar ik ben Uw zonde. U hebt op U genomen wat van mij is en mij gegeven wat van U is. U bent geworden wat U niet was en hebt mij gegeven wat ik niet was. Verg. W.A. Br. 1, 35, 25 – 27. Ik ben Uw zonde en U bent mijn gerechtigheid. Daarom ben ik veilig en buiten gevaar. Want mijn zonde zal Uw gerechtigheid niet te boven gaan en Uw gerechtigheid zal niet één van mijn zonden doen overblijven. Geloofd zij God mijn Ontfermer en mijn Verlosser. Op U wil ik vertrouwen, zo zal ik nooit te schande worden. Amen. Walch, Sämtliche Schriften XXII, 48, 35.

 

 

105. Die voor de overtreders gebeden heeft (goede vrijdag)

Zo zegt Lucas: dat toen Christus tussen de overtreders aan het kruis geslagen is, dat Hij heeft gebeden: Vader vergeef het hun want ze weten niet wat ze doen. Het zijn korte woorden, maar vol troost. Wij moeten Hem in Zijn bidden zien – ook als Hij aan het kruis verhoogt is – dat Hij daar Zijn ware priesterambt en priesterwerk uitoefent. Johannes 10 vers 15 zegt: dat Hij Zijn leven geeft voor Zijn schapen. Dergelijke uitspraken getuigen dat zijn lijden niet voor Zichzelf of om Zichzelf is, maar dat Hij daar lijdt in onze plaats. Dit werk en offer richt Hij met grote ernst en aandacht uit. Hij bid ook dat de Vader hen die Hem kruisigen, die zonde wil vergeven. (…) Aaron onder de wet had een prachtig en heerlijk  priesterlijke kleed. Maar de priesterlijke heerlijkheid en schoonheid van Hém is, dat Hij daar hangt zonder kleed. Ook stond er boven Zijn hoofd de titel : KONING DER JODEN. Wie wil weten wat voor koning Hij is, die moet maar goed kijken, dan kan hij het zien. In plaats dat Hij gekleed is met een purperen mantel, is Zijn gehele lichaam bedekt met bloed, wonden en striemen. Von dem gebett Christi am Creutz, Luce 23, verkort, Verg. W.A.52, 237, 20 – 238, 13.

 

 

106. HEERE! Gij zijt rechtvaardig

O mijn God, U bent toch niet een Vader van de rijken, maar van de armen, de weduwen en wezen, de rijken hebt Gij ledig weggezonden. “O God, mijns Heils”, dat betekent dat ik geen heil of zaligheid, noch in mijzelf noch bij iemand anders zal zoeken, maar alleen bij U! “Verhoor mij, o God mijner Gerechtigheid”. U bent een God, Die geeft en schenkt [gerechtigheid en zaligheid]. De hoogmoedige hebben echter voorspoed en zaligheid, gerechtigheid en vrede van zichzelf.  Hun zaligheid is niet de Zaligheid van God; zij hebben dat voor zichzelf klaargemaakt, omdat ze niet verdoemd zijn, noch verdoemd willen worden. God echter maakt alleen de verdoemden zalig; niet zoals enige zeggen, dat zij alleen maar denken en menen dat ze verdoemd zijn, maar dat ze toch [op het zelfde moment] zalig zijn. Er bestaat niet zoiets als “menen of denken” bij God, maar zij zijn verdoemd! Met God kan men geen spiegelgevechten houden. Alles is zoals Hij het acht te zijn, en zal niet anders zijn en anders geacht worden; want dat zou in het oog van God niets dan huichelen en liegen zijn. Auslegung der 7 Busspsalmen, 1517 u. 1525 Ps. 38, mit Bucheinzeignung.

 

 

 

 

107. De bruiloft te Kana

 

Water wordt wijn 

Bruiloft te Kana in Galiléa, Joh. 2, 1 – 12

In dit evangelie zien wij ook een mooi voorbeeld van de liefde van Christus en Zijn moeder. De moeder dient en helpt op de bruiloft en Christus vereert het gezelschap met Zijn aanwezigheid en met een wonderlijk geschenk. Dit doet Hij allemaal om de bruidgom, de bruid en de gasten wel te doen, zoals de aard en het werk van Christus liefde is. Christus neemt alle harten voor Zich in, om Hem te vertrouwen als Iemand die ook met tijdelijke dingen gewillig is om te helpen, en niet wil toelaten dat degenen die in Hem geloven nood zouden lijden. Het moge gaan om tijdelijk of eeuwig goed. Eerder moet er water in wijn…, en alle schepselen in iets anders veranderen, en datgene worden wat Zijn gelovigen nodig hebben, dan dat zij door Christus niet geholpen zouden worden. Die in Hem gelooft moet genoeg hebben, en niemand in de wereld kan dat verhinderen! Fastenpostille 1525, Verg. W.A. 17.2, 64, 30 – 65, 2.

 

Hongerige worden verzadigd

Bruiloft te Kana in Galiléa, Joh. 2, 1 – 12

In dit evangelie is het voorbeeld van het geloof wel zeer wonderlijk. Want Christus laat de nood tot het uiterste komen, tot dat iedereen het gebrek en de armoede voelt en geen raad meer weet of hulp te verwachten heeft. Dit is een voorbeeld en bewijs van de natuur van de genade van God. Er is niemand die genade ontvangt, of er deel aan krijgt, die zelf nog genoeg heeft, en zijn gebrek nog niet ondervindt. Want genade is geen spijs voor degene die verzadigd zijn en genoeg hebben, maar voor arme en hongerige, zoals wij u al zo dikwijls gezegd hebben. Wie nog steeds verstandig, sterk en godzalig is, en iets goeds bij zichzelf vindt…, en niet arm, ellendig, ziek, zondig en dwaas geworden is, die kan tot de Heere Christus niet komen noch genade ontvangen. Fastenpostille 1525, Verg. W.A. 17.2, 65, 3 – 11

 

Beproefd geloof

Bruiloft te Kana in Galiléa, Joh. 2, 1 – 12

Waar het gebrek echt gevoeld wordt komt Hij er niet gelijk aan lopen om te geven wat nodig is en verlangd wordt, maar Christus stelt het uit en beproeft het geloof en het vertrouwen, zoals Hij hier ook doet. Ja, wat nog erger is: Hij houdt Zich alsof Hij helemaal niet helpen wil, maar spreekt hart en streng. Dat kun je zien bij het gesprek met Zijn moeder. Zij voelt en klaagt Hem het tekort, vraagt met nederige en gepaste woorden om hulp en raad. Want zij zegt niet: Lieve Zoon maak wijn voor ons…, maar zij zegt: Ze hebben geen wijn meer. Hiermee doet ze alleen een beroep op de goedheid, die zij zeker en vast van Hem verwacht, alsof ze ermee wilde zeggen: Hij is zo goed en genadig dat ik helemaal niet hoef te bidden. Ik wil Hem alleen maar aanwijzen waaraan het ontbreekt, zo zal Hij uit Zichzelf meer doen dan ik bid. Zó is het geloof gezind en heeft zulke goede gedachten van God, dat het er niet aan twijfelt of het zal alles goed komen, daarom waagt zij ook te bidden en haar nood aan Hem voor-te-leggen. Fastenpostille 1525, Verg. W.A. 17.2, 65, 12 – 24.

 

Afgewezen

Bruiloft te Kana in Galiléa, Joh. 2, 1 – 12. Zie eens hoe onvriendelijk Christus de nederige begeerte van Zijn moeder, die vol vertrouwen over de ontbrekende wijn spreekt, nu afwijst. Let op deze geloofsbeproeving! Wat is Hij nu van plan? Voor Maria is er niets dan duisternis, zij voelt het gebrek en ziet nergens hulp, daarbij wordt God voor haar ook vreemd en onbegrijpelijk en zij kent Hem niet meer, zodat alles verloren schijnt te zijn. Zo gaat het ook in het geweten, als we alleen zonde, en geen gerechtigheid meer hebben, of in doodnoden, als we moeten sterven, of in helleangst, als we eeuwige zaligheid verliezen moeten. Dan is er wel een ootmoedig verlangen en aankloppen, bidden en zoeken of we de zonde, dood en angst mogen kwijtraken…, maar Hij houdt Zich als een vreemde, alsof het met de zonde eerst goed moet komen…, de dood blijven moet, en de hel niet mag ophouden. Zoals Hij hier ook tegen Zijn moeder spreekt, want door Zijn weigeren is het gebrek nog groter en zwaarder te dragen, dan voordat zij er met Hem over gesproken had. Want nu lijkt het erop dat alles verloren en haar enige hoop vervlogen is. Fastenpostille 1525, Verg. W.A. 17.2, 65, 24 – 38.

 

De goede strijd van het geloof

Bruiloft te Kana in Galiléa, Joh. 2, 1 – 12

Zie hier het geloof in haar echte strijd! Kijk goed hoe Zijn moeder zich gedraagt en leer ervan. Hoe hart Zijn woorden [vrouw, wat heb ik met u te doen…] voor haar geklonken mogen hebben, hoe onvriendelijk Hij zich houdt…, toch betekent dat voor haar niet dat Hij toornig is of dat dit in strijd is met Zijn goedheid, maar zij houdt het erbij, dat Hij goed is en laat zich niet in de war brengen door deze vernedering, zodat zij daarop in haar hart Hem het onrecht zou aandoen, om Hem niet voor goed en genadig te houden, zoals zij doen die geen geloof hebben en na de eerste klap terugkeren en niet méér goed van God geloven als dat zij bij zichzelf gewaar worden, zoals de paarden en muilezels doen [Ps. 32, 9]. Want wanneer Zijn moeder zich door deze harde woorden had laten afschrikken…, zou ze stil en boos zijn weggegaan. Maar nu zij de knechten bevel geeft dat ze alles moeten doen wat Hij hun opdraagt, laat ze duidelijk zien dat zij ondanks Zijn afwijzen niet anders dan enkel goedheid van Hem verwacht. Fastenpostille 1525, Verg. W.A. 17.2, 66, 1 – 13.

 

Wat heb ik met U te doen?

Bruiloft te Kana in Galiléa, Joh. 2, 1 – 12

Wat denkt je, hoe diep dat moet verwonden, als een mens in zijn nood, maar wel bijzonder in de hoge nood van het geweten, deze slag in zijn hart voelt dat God tot hem spreekt: Quid mihi et tibi? Wat heb ik met U te doen? Wanhopen en vertwijfelen moet hij…, die niet door het geloof, in de natuur en deze wijs van het werk van God geoefend is. Want hij die niet gelooft, denkt dat alles is zoals hij het zelf voelt, en denk niet anders van God, dan dat deze woorden klinken. Hij voelt niet anders dan toorn en hoort niet anders dan ongenade, daarom houdt hij God altijd voor zijn vijand en een toornige rechter. Zoals hij zich God voorstelt, zo zal hij Hem ook eenmaal ontmoeten en daarom heeft hij niets goeds van Hem te verwachten. Dit is niet anders dan God met al Zijn goedheid en genade voor leugenaar uitmaken. Daarna komt het dat hij van God wegvlucht en Hem haat en wel wilde, dat God geen God was, en nog veel meer godslasteringen die de vrucht zijn van zijn ongeloof. Fastenpostille 1525, Verg. W.A. 17.2, 66, 14 – 25.

 

Onoverwinnelijk geloof

Bruiloft te Kana in Galiléa, Joh. 2, 1 – 12

Daarom is dit deel van het evangelie het hoogste en het heerlijkste, en moeten wij er goed naar luisteren! Wij moeten God de eer gunnen dat Hij alleen goed en genadig is, zelfs als Hij Zich anders voordoet en genadeloos tot ons spreekt. Want daardoor wordt al ons voelen en ervaren gedood en gaat de oude mens ten onder, opdat er alleen het zuivere geloof in Gods goedheid, en geen voelen en ervaren meer, in ons overblijft. Hier zien wij dat Zijn moeder Maria een onoverwinnelijk geloof overhoud, dat ons tot voorbeeld mag dienen. Zij is zeker dat Hij genadig zal zijn, ofschoon zij daar niets van voelt, en het is ook zeker dat zij geheel anders gevoeld dan dat zij gelooft. Daarom geeft zij zich geheel over aan Zijn goedheid en stelt Hem geen tijd of plaats, noch wijze of maat, noch persoon of naam. Hij helpt wanneer het Hem behaagt, midden onder de maaltijd, of aan het einde daarvan, of geheel na de maaltijd. Die klap wil ik graag van Hem ontvangen dat Hij mij beledigt en mij beschaamd maakt voor alle gasten, en mij zo onvriendelijk toespreekt, dat een ieder bloost die het hoort. Zijn aangezicht ziet mij zuur aan, maar Zijn hart is enkel zuivere zoetheid…, dat weet ik. Laten wij zo geloven dan zijn wij ook ware christenen. Fastenpostille 1525, Verg. W.A. 17.2, 66, 26 – 67, 4.

 

 

 

108. Heere, ik ben niet waardig…

De hoofdman van Kapernaum. Het grootste van het geloof van deze heiden is wel, dat hij weet dat de zaligheid niet aan de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus gelegen is…, maar aan Zijn Woord! Want Zijn tegenwoordigheid helpt niet, tenzij wij het Woord horen en geloven. Dat wisten zelfs de apostelen nog niet, maar zij hielden zich geheel vast aan Zijn lichamelijke tegenwoordigheid. Zij lieten Hem niet graag gaan, want zij konden zich niet geheel en alleen aan Zijn Woord houden [Joh.16, 6]. Deze heidense hoofdman echter, is zó geheel verheugd en tevreden met Christus Woord, dat hij – ook vanwege zijn ootmoed – Christus komst naar zijn huis niet nodig vindt. Met een gelijkenis bewijst hij zijn machtige geloof, want hij zegt: Ik ben maar een mens, en toch gebeurt er wat ik zeg, en doen mijn knechten wat ik wil…, zou U dan niet met één woord te spreken, laten gebeuren wat U wilt? Want ik weet zeker – en het bewijs is er – dat gezondheid en ziekte, dood en leven, en alle schepselen naar U moeten luisteren, net zoals mijn knechten mij gehoorzamen. Eén woord van Christus maakte de knecht op het zelfde ogenblik gezond door de kracht van dit geloof. Fastenpostille 1525, Verg. W.A. 17.2, 78, 17 – 29.

 

 

109. Het woord van de engel Gabriel

Als je bidt moet je zeker weten, dat je het lieve Woord hebt, want dat is de enige goede grond waarop wij ons vertrouwen stellen. God belooft en wij horen. Twijfel daar niet aan, want wie dit nog niet weet en verstaat, zal van zijn gebed een lang gewauwel en geleuter maken, zoals huichelaars doen. Maar echt bidden kunnen zij niet. Waar echter de grond van Gods Woord gelegd is, daar is het gebed onze toevlucht. Zoals Gods Woord Zelf spreekt: …roep Mij aan in de dag van de benauwdheid, Ik zal helpen, en u zult Mij eren; of wat Jesaja zegt: …eer zij roepen zal Ik antwoorden. Want waar het hart oprecht en krachtig bidt, zal het zeker zijn dat het gebed – al bij het begin – door God verhoord is. Dat kan ik zelf in waarheid verklaren en bevestigen. Ik hoef werkelijk van mijn gebeden niet hoog op te geven of ermee te pronken, maar het woord van de engel Gabriel: In het begin van uw smekingen is het woord uitgegaan…, is een Goddelijke Waarheid! daaraan hoef ik niet te twijfelen; alhoewel we niet altijd met zo’n geestelijk verlangen en warmte bidden kunnen, want dat hebben wij zelf niet in onze macht. Verg. W.A. 44, Vorlesungen über 1. Mose von 1535 – 1545, Cap. 44, 18 – 24.

 

 

110. Koningen en priesters

Mijn kracht wordt door zwakheid volbracht. Met deze woorden toont Hij ons wat het eigenlijke ambt en werk is van een christen, en hoe noodzakelijk dat voor de christenheid is, waarvan de profeet Zacharia spreekt: dat Christus zal uitgieten of uitstorten, de Geest der genade en der gebeden [ Zach. 12, 10]. Want deze twee zaken moet Hij werken en scheppen in alle christenen. Eerst: de Geest der genade, zodat hun harten verzekert en gewis zullen zijn, dat zij een genadige God hebben; en ten tweede: de Geest der gebeden, dat zij nu kunnen bidden en ook anderen dienen door hun gebeden. Het eerste stuk maakt dat zij met God verzoend zijn en daardoor voor zichzelf alles wat nodig is hebben; het tweede dat zij koningen en priesters worden en deze wereld dienen door weldoen, en als kinderen van God voor hun naaste bidden, en andere dienen en helpen. Dat wij ook daartoe mogen komen. Amen. Auslegung des XIV. XV. und XVI. Kap, St. Johannis, 1538, Verg. Erl. Ausg. 2, 49, 112.

 

 

111. Och of al dat volk des HEEREN profeten waren

Als een christen begint Christus te belijden als zijn Heere en Heiland door wie hij verlost is uit de dood, en in Gods Koninkrijk en de eeuwige erfenis gebracht is, dan wordt zijn hart ook helemaal vol van de liefde van God, zodat hij graag iedereen dat ook zou gunnen. Deze schat dat hij Christus kent is zijn hoogste vreugde, daarom begint hij met anderen er over te spreken, roemt en belijdt Hem voor iedereen, bid en zucht, dat zo ook anderen mogen komen tot deze genade. Dat geeft een onrustig hart…, in de allerhoogste rust. Dan kan hij door Gods genade en vrede niet meer doelloos en nutteloos zijn, maar begeert en verlangt altijd dat hij met al zijn krachten – alsof hij alleen daarom leeft – de lof en eer van God, onder de mensen te mogen verbreiden, zodat anderen deze Geest der genade ook ontvangen en daardoor hem ook helpen bidden, want waar de Geest der genade is, daar maakt Hij dat we ook kunnen en willen bidden, ja…, beginnen te bidden. Auslegung des XIV. XV. und XVI. Kap, St. Johannis, 1538, Verg. Erl. Ausg. 2, 49, 113.

 

 

112. God dacht ook aan Rachel

Hier wordt van Rachel gezegd: De Heere gedacht ook aan Rachel [Gen. 30, 22 – 24]; alsof Mozes wilde zeggen: Rachel heeft in haar hart niet anders gevoeld dan dat al haar gebeden en wenen tevergeefs en voor niets waren geweest en dat God haar naam had uitgedelgd, en aan haar niet meer denken zou. Maar, mijn lieve Rachel, zo mag je niet denken, want het is heel anders…, deze gedachten zijn vleselijk maar niet naar de Geest, Die in je zucht met onuitsprekelijk zuchten, het is alleen maar het vlees wat dat zo voelt, omdat het zwak is. God heeft je nog nooit vergeten, maar gelijk al in het begin, toen jij begonnen bent met bidden om kinderen, heeft Hij al je woorden gehoord, en in Zijn boek geschreven. Het gebed was toen nog niet vurig en hartelijk genoeg, daarom moest het eerst nog groeien en groot worden. Hij heeft het alleen maar wat uitgesteld, tot het volgende, of derde, vierde of zelfs vijfde jaar. Daarom zegt Mozes: God heeft aan haar gedacht…, ofschoon hij haar eigenlijk geen moment vergeten was. De goede tijd was echter nog niet gekomen dat God je zuchten verhoren zou; toen jij dacht dat je zuchten helemaal begraven, afgesneden en vergeten waren toen was het wél Zijn tijd. Verg. W.A. 43, Vorlesungen über 1. Mose von 1535 – 1545, C. 30, 22 – 24.

 

 

113. In Mijn Naam

En wat U bidden zal in Mijn Naam, dat zal Hij u geven. Christus voegt er Zelf duidelijk deze woordjes – in Mijn Naam – bij, om ons te leren, dat er zonder geloof geen goed gebed gedaan kan worden en dat er buiten Christus niemand één letter kan bidden die voor God waarde heeft, of Hem aangenaam is. De  ongelovigen en de geveinsden bidden allemaal met de gedachte, dat God hun verdienste en heiligheid zal aanzien en hen daarom verhogen en kronen moet. De huichelaar bidt: Ik dank U Heere dat ik niet ben als de andere mensen…, net alsof hij zeggen wilde: ik heb Uw genade en barmhartigheid niet nodig, maar heb die wel verdiend. Hij wil niets van God ontvangen, maar wel wat aan Hem geven! Hij denkt dat God hem zou moeten belonen, en blij zijn dat Hij zo’n heilige man tot vriend krijgt. Maar in de hemel spreek God Zijn NEE over dit gebed uit. Hij wil het gebed van niemand horen en aannemen, dan alleen van degenen die uit louter genade en barmhartigheid tot Hem komen, in de Naam van Christus, en met de tollenaar zeggen: O God wees mij zondaar genadig! Auslegung des XIV. XV. und XVI. Kap, St. Johannis, 1538. Verg. Erl. Ausg. 2, 49, 114.

 

 

114. Maar de Geest Zelf bidt…

Dr. Maarten Luther sprak het volgende: Onze Heere God geeft altijd meer dan wij vragen; wanneer we op de goede manier om een stuk brood bidden, geeft hij ons een hele graanakker. Toen mijn vrouw zeer ernstig ziek was en nabij de dood gekomen, heeft God toen ik bad haar voor ons te sparen…, ook nog het landgoed Zülsdorf erbij gegeven, en beschikt ons een rijk en vruchtbaar jaar. Ik vrees echter dat we niettegenstaande dit alles wel een ernstige epidemie van de pest mogen verwachten, want we zijn zo boos en verkeerd dat er zelfs onder ons ketterijen aangericht worden. Dr. Luthers vrouw vroeg hem toen: Heer Doctor hoe komt het toch dat wij onder het pausdom zo vurig, ijverig, en zo veel gebeden hebben? nu echter is ons gebed koud en het is nog maar zelden dat we bidden. Toen antwoordde de Doctor daarop en sprak: De duivel drijft en jaagt zijn dienaars altijd voort, die zijn belast en beladen met hun godsdienst; maar de Heilige Geest leert en vermaand ons van het ware gebed; helaas wij zijn zó ijskoud en zó nalatig in het bidden, dat er niets van terecht komt…, tenzij dat de Geest ons Zelf ondersteunt en bijstaat. Tischreden, Von der Kraft des Gebets.

 

 

115. Onheilige heilige

Een Christen is op het zelfde moment een zondaar en een heilige. Want wat betreft ons zelf zijn we vol zonden en wat onze naam betreft zijn we zondaren. Maar Christus geef ons een nieuwe naam, Hij noemt ons: “Uw-zonden-zijn-u-vergeven”, als omwille van Christus al onze zonden vergeten en vergeven zijn. Dan is het beiden waar: de zonden zijn er, en zijn er tóch niet, want God wil ze om Christus wil niet zien. Maar voor mijn ogen zijn ze er, ik zie en voel ze wel! Christus laat mij prediken, dat boete*) en vergeving van zonden gegeven worden in Zijn Naam [Hand. 5, 31]. Boete – ofschoon het niet gemist kan worden – is niet de oorzaak van de vergeving van zonden, maar het moet zovér komen, dat je gelooft in de Naam van Christus en zó voor je zelf de vergeving van zonden ontvangt. Waar dat geloof is, dáár ziet God geen zonden meer. Want daar sta je voor God niet in je eigen naam, maar in de Naam van Christus; Hij kleedt je met Zijn genade en gerechtigheid. Hoewel je in eigen ogen en voor jezelf nog een arme zondaar blijf, vol zwakheid en ongeloof, toch hoef je daarvan niet te schrikken, maar bidt: Ach Heere, ik ben een arme zondaar maar U zegt: Zo zal het niet met je blijven, want Ik heb bevel gegeven dat vergeving van zonden in Mijn Naam gepredikt moeten worden. [Amen]. Über das Evangelium Lucä 24, Anno 1533, Verg. E.A. 2, 5, 53. (* Een woord dat door Luther vaak gebruikt wordt, vergelijkbaar met “bekering” of “berouw”

 

 

116. Kunt gij niet één uur met Mij waken?

Wanneer ik echter zelf tot God spreken en bidden wil dan zijn er – al voordat ik er toe kom – spoedig honderdduizend verhinderingen. De duivel kan van alles in de weg plaatsen en van alle kanten toesluiten en hindernissen opwerpen; wel zó dat je zou vluchten en nooit meer aan bidden wilde denken. Probeer het maar – als je het nog niet meegemaakt heb – en neem je nu maar eens voor om een ernstig gebed te doen! dan zal je wel zien hoe veel verschillende gedachten je overvallen en je ervan wegtrekken, zodat je zelfs niet eens weet te beginnen. Eén van de verhinderingen en ophouders – die ik hier maar even noem – is dat de duivel je ingeeft: ‘Wel, je bent nog niet klaar om te bidden, wacht nog een halfuurtje totdat je eerst het een of ander even afgemaakt heb’. Gelijk is hijzelf erbij en neemt je dat ‘halfuurtje’ zo in beslag, dat je de hele dag niet meer aan bidden denkt. Zo gaat het dan door – van de ene dag in de andere – dat de duivel je met allerlei zaken overvalt en hindert. Dit is zeker de meest voorkomende list, een gemene streek en slimme zet van de duivel, die hij mij en anderen al genoeg geleverd heeft. Daarbij komt nog dat hij ons vlees en bloed meeheeft, dat zelfs zonder hem al lui en koud genoeg is, zodat we niet kunnen bidden zoals we dat wel zouden willen. En of we er ook mee beginnen…, toch halverwege zelf weer wegvladderen met allerlei vreemde en nutteloze gedachten en zo het hele gebed weer verliezen. Auslegung des XIV. XV. und XVI. Kap, St. Johannis, 1538, Verg. E.A. 50, 108 – 109.

 

 

117. De kunst van alle kunsten

‘Je bent elke dag weer zo onwaardig en zondig! Je kan beter wachten tot je vromer bent, dat je niet alleen een goede begeerte en gestalte heb, maar ook een vurig gebed kan doen, en een vast vertrouwen in God mag hebben, om zó het ‘Onze Vader’ met hart en ziel te bidden!’ Dit is een echte zware strijd, waaronder het hart moet wringen en worstelen, totdat het deze grote steen van zich afgewenteld heeft en kan beginnen om – tegen alle gevoel van onwaardigheid in – voor God te komen en tot Hem te roepen. Laat iedereen het maar proberen en mij vertellen hoe makkelijk het is om deze gedachten weg te slaan en met je hart te bidden: ‘Mijn lieve Vader in de hemel’. In het openbaar en onder het volk gaat het beter, omdat we dan met en voor elkaar bidden; maar het is niet zo gemakkelijk als je alleen bent en voor jezelf moet bidden; als de duivel zulke gedachten als een vuur inblaast: ‘Je bent maar een goddeloos mens en niet waard dat de aarde je draagt, hoe durf je dan voor God te komen en Hem Vader te noemen?’ Daarom is het een grote en moeilijke zaak – de kunst van alle kunsten! – om met het hart te bidden, echt te bidden! niet alleen met woorden in de mond maar met geloof in het hart om vol vertrouwen tot God te naderen en te zeggen: ‘mijn en onze Vader’. Auslegung des XIV. XV. und XVI. Kap, St. Johannis, 1538, Verg. E.A. 50, 109 – 110.

 

 

118. Hij hoort de jonge raven als zij roepen

Er is niemand op aarde die instaat zou zijn de onkosten te betalen welke onze Heere God dagelijks maakt, alleen al om de nutteloze vogeltjes te voeden en ik geloof vast dat de koning van Frankrijk met al zijn rijkdom en inkomsten niet instaat zou zijn één dag te betalen, wat alleen al voor de mussen nodig is; wat zal ik dan van het voer van de andere vogels, zoals de raven, eksters, kraaien, sijsjes, puttertjes, vinken en dergelijke meer zeggen? Hoewel de mussen de brutaalste vogels zijn, toch hebben ze het hele jaar door een overvloed van eten, terwijl zij overal de grootste schade doen! In de winter zwermen ze naar de schuren en graanzolders; in de lente eten zij het gezaaide graan op; in de zomer pikken ze het beste uit de korenaren; in de herfst zijn ze weer in de wijnbergen en verdienen om dit alles dat ze uitgeroeid zouden worden. Maar dit is allemaal nog maar een onschuldig kwaad! want als ze óók nog in de kerk komen, dan hinderen ze God en die het Woord horen, en dat is nog veel erger! Indien dan nu God deze ondeugende en schadelijke vogels zo rijk en overvloedig hun voeder geeft…, wie zou voor de mensen moeten wanhopen? Zou God hun dan geen onderhoud, voedsel, deksel en alle nooddruft schenken? Luther Tischreden, Cordatus Sammlung.

 

 

119. De lieve vogeltjes

Nu vliegen de lieve vogeltjes in de lucht, ‘s zomers en ‘s winters. Zij zingen en zijn vrolijk. Zij bekommeren zich nergens om en hebben geen zorgen, terwijl zij toch niet weten waar zij morgen hun voedsel zullen vinden, en wij – ellendige geldduivels  – kunnen het zorgen niet laten. Ofschoon we zolders en schuren vol hebben, en het koren zo overvloedig op het veld zien staan. Zie zó maakt Christus de vogeltjes tot onze meesters en onderwijzers, zodat de kleine musjes tot onze grote en eeuwige schande in het Evangelie staan als leraren en predikanten van de allerwijste mens. Die moeten ons Gods trouw dagelijks voor ogen en oren houden, alsof ze zeggen: ‘kijk jij ellendige mens, je hebt huis en hof, geld en goed en elk jaar een akker vol koren of ander gewas, meer dan je nodig hebt, toch kan je geen rust vinden en je maakt je altijd zorgen dat je van honger zal sterven. Als je geen voorraad ziet of weet, kan je God niet vertrouwen dat Hij je één dag eten zal geven, terwijl wij vogeltjes met zovelen zijn en nog geen dag van ons leven bezorgd geweest zijn en God ons toch alle dagen ons voedsel gegeven heeft. Kortom, daarom hebben wij mensen zoveel meesters en onderwijzers als dat er vogeltjes zijn in de lucht, die met hun levend voorbeeld ons beschaamd maken. Wochenpredigten über Matth. 5 – 7, 1530 / 32, Verg. W.A. 32, 461, 35 – 462, 10.

 

 

120. Een tekst gekregen

O, dat God mij geve dat ik de woorden van mijn gebed met tranen zou kunnen nat maken; dat God mij geve dat ik Hem met een brandend hart zou kunnen aanroepen, zo dikwijls als ik maar wil. Want toen ik eens op deze wijze gebeden heb, heb ik gedacht dat mij duidelijk en verstaanbaar dit antwoord gegeven werd: ‘u geschiede gelijk gij wilt; het zal ‘ja’ en ‘amen’ zijn. Er is toch zelfs geen mens die zo’n hartverscheurend gebed zou kunnen verachten? Veel minder zal zo’n gebed bij God tevergeefs en voor niets zijn, want dit getuigt de Heilige Schrift waar gezegd wordt: Het gebed van de ellendigen dringt door de wolken [Sir. 35, 21].* Of waar de engel Gabriël tot Daniël zegt: Toen gij begon met bidden ging dit bevel uit… [Dan. 9, 23]. Als Daniël bidt moest Gabriël vlug naar hem toe. Ga er snel naartoe – zegt onze Heere God – en geef Daniël antwoord! Ach, dat wij zo bidden en geloven konden, dan zouden wij alles ontvangen wat wij nodig hebben voor lichaam en ziel. Al zou God ons toch iets ontzeggen…, dan zal Hij er ons iets veel beters en groters voor in de plaats geven. Ja, het zal aan horen niet ontbreken wanneer zo’n krachtig gebed voor Gods oren komt. Vorlesungen über 1. Mose von 1535 – 1535, Verg. W.A. 44, 579, 20 – 580, 10. *Wijsheid van Jezus Sirach, een van de O.T. Apocriefe Boeken.

 

 

121. Weldoen en bidden

Je naaste weldoen en ondersteuning* geven, daar hoort ook bij voor je naaste bidden, want de nood van dit leven vordert dat we onze naaste goeddoen én voor hem bidden. We leven immers in deze wereld om elkaar te helpen en elkanders lasten te dragen. In deze wereld ondervinden wij dagelijks allerlei gevaren en noden die wij niet veranderen of afwenden kunnen, daarom behoren we ook altijd tot God te roepen zowel voor onszelf als voor iedereen. Op de goede manier iets weggeven is een zeldzaam werk in deze wereld, al was het alleen maar vanwege al de hebzucht en de gierigheid waar de wereld mee vervuld is, zodat niemand zijn naaste wil weldoen, maar iedereen alleen aan zichzelf denkt en er niets om geeft hoe het met zijn naaste gaat en als het anders zou zijn…, toch nóg zichzelf ermee bedoelt, omdat de wereld uit niets anders bestaat dan uit louter rovers en dieven, zowel aan de linker- als aan de rechterkant, beide lichamelijk en geestelijk, beide in boze en in goede werken.  Wochenpredigten über Matth. 5 – 7, 1530 /  32, Verg. W.A. 32, 413, 18 – 33.   *Aalmoezen.

 

 

122. Bidden is een zeldzaam werk

Bidden is een zeldzaam werk, dat niemand doet dan alleen een christen, en toch is het altijd zeer algemeen beoefend geweest en wel zeer veel bij de joden – waarvan Christus hier spreekt – die in de synagogen en op de hoeken van de straten en de stegen stonden te bidden. De mensen doen dat nu nog in zoveel kerken, samenkomsten, kloosters en op nog meer plaatsen waar ze zich dag en nacht bezighouden met mompelen, opdreunen, zingen en lezen van gebeden. De hele wereld is ermee vervuld zodat het aan werken niet ontbreekt, maar als het ondertussen alles bij elkaar op één hoop gegooid wordt…, niet één penning waard is! Want Christus bestraft hen en verwerpt al hun gebed – hoewel zij zich daar zeer vlijtig in oefenden! – alleen daarom omdat zij door de mensen wilden gezien en bewonderd worden. Hoeveel meer is dan het gebed van onze geestelijken verdoemelijk, die er niets anders mee bedoelen dan om hun buik te vullen? Niemand van hen wil een ‘Onze Vader’ opzeggen wanneer het geen geld oplevert, en wanneer zij het op het allerbeste gedaan hebben, dan hebben ze alleen maar een zak vol woorden uitgesproken of opgedreund, helemaal zonder verstand, hart en geloof, net alsof ze maar klokken of orgels waren. Ze hebben de eer dat zíj de enige zijn die bidden kunnen, de anderen echter – die met tijdelijke dingen omgaan – kunnen niet bidden of God dienen, maar de geestelijken moeten altijd in onze plaats bidden zodat ze van ons geld een mooi herenleventje kunnen leiden.  Wochenpredigten über Matth. 5 – 7, 1530 / 32, Verg. W.A. 32, 413, 33 – 414, 11.

 

 

123. Altijd bidden en niet vertragen

Hoe nodig het gebed is kan niemand uitspreken maar wij zullen het echter wél gewaarworden omdat we hier nog vlees en bloed zijn en vol zitten met allerlei boosheid en ongerechtigheid, daarbij ook de wereld in ons en tegen ons hebben, die ons genoeg ellende en verdriet aandoet. Daarbij komt de duivel die ons overal omringt en talloze sekten, opstand en dwaling verwekt en ons drijft tot ongeloof, bijgeloof en wanhoop. Dit alles neemt toch nooit een einde en rust niet omdat wij door vijanden omringt zijn die niet ophouden voordat wij op de grond liggen. Wij zijn toch als enkele arme mensen tegen zoveel vijanden veel te zwak. God spreekt daarom door de profeet Zacharia [12, 10] dat Hij ons de Geest van de genade en de gebeden zal geven, zodat wij in de strijd staande blijven en ons verdedigen en beschermen kunnen tegen deze boze en schadelijke geest. Daarom is het eigenlijke werk van de christenen – door de Geest van God – niet nalatig en lui te zijn maar altijd te bidden en niet te vertragen, zoals Christus ergens anders leert [Luk. 18, 1]. Wochenpredigten über Matth. 5 – 7, 1530 / 32, Verg. W.A. 32, 414, 11 – 26.

 

 

124. Omwille van de mensen

Maar het voornaamste is dat ons bidden oprecht en niet geveinsd is – zoals uw en ons gebed vroeger geveinsd was – daarom begint Christus om hen bidden te leren en laat ze zien hoe zij dat doen moeten; dat ze niet openlijk op de straten moeten staan om te bidden, maar dat ze thuis in een kamertje in het verborgen moeten bidden; dat ze moeten ophouden om te bidden met het verkeerde oogmerk om daarmee aanzien en eer of dergelijke dingen te ontvangen. Het is helemaal niet verboden om op straat of in het openbaar te bidden, want een christen is aan geen enkele plaats gebonden en mag overal bidden…, op straat, op de akker, in huis of in de kerk. Het gaat er hier alleen over dat het niet gebeurt omwille van de mensen of om eer en voordeel, daarom verbied Christus ook het trompetten niet, maar alleen het oogmerk en de verkeerde gedachte bestraft Hij met deze woorden: … opdat zij door de mensen zouden gezien worden. Het is ook niet als noodzakelijk geboden om altijd in een kamertje te gaan en de deur op slot te doen; hoewel het goed is als iemand bidden wil dat hij dan alleen is, vrij en ongehinderd zijn gebed voor God uitstort en dat met eigen woorden en gebaren, wat hij voor de mensen niet doen kan. Wochenpredigten über Matth. 5 – 7, 1530 / 32, Verg. W.A. 32, 414, 26 – 415, 4.

 

 

125. Openbare gebeden

Want hoewel het gebed in het hart wel zonder woorden gedaan kan worden, toch helpt het gesproken gebed mee dat het hart opgewekt en verwarmd wordt. Anders kon je wel alleen met het hart bidden, want een christen heeft altijd – zoals al meer gezegd – de Geest van de gebeden in zijn hart, zodat zijn hart onder alle omstandigheden tot God zucht en bidt, ook als hij eet, drinkt, werkt of wat anders doet. Want het hele leven van een christen is er op gericht dat Gods Naam worde geheiligd, Gods Koninkrijk kome en Gods wil geschiede en wat hij verder ook doet is aan deze bede onderworpen. Maar toch – zeg ik – dat het gesproken gebed niet mag verzuimd worden – ’s morgens, ’s avonds en bij de maaltijden – ook als de gemeente samenkomt, Gods woord hoort en Hem daarna dankt en aanroept vanwege de algemene nood; wat openlijk moet gebeuren op een daarvoor bestemde tijd en plaats. Dit gebed is heerlijk en een sterk verweer tegen de duivel en zijn aanslagen, omdat dan de hele christenheid overal eendrachtig tezamen komt met één krachtig gebed en geroep dat door God verhoort wordt. Het brengt veel goed en veel boze listen van de duivel – die hij anders door zijn handlangers zou uitvoeren – worden verijdelt en verhindert. Het is zeker dat alles wat we nog hebben in geestelijk en maatschappelijk opzicht door het gebed moet staande gehouden worden. Wochenpredigten über Matth. 5 – 7, 1530 / 32, Verg. W.A. 32, 415, 4 – 25.

 

 

126. Kenmerken en eigenschappen

Al dikwijls heb ik u gezegd wat de kenmerken en eigenschappen van een waar gebed zijn. Eerst: dat wij ons ertoe verplicht weten omdat bidden een gebod van God is, Die ons ernstig bevolen heeft dat wij moeten bidden. Daarna als tweede: dat wij Zijn beloften ontvangen hebben waarin Hij belooft ons te verhoren. Als derde: dat wij onze nood en ellende zien, die ons neerdrukken en aan de hals hangen, zodat wij die voor God brengen en die voor Hem uitstorten. Ten vierde: dat wij op grond van Gods Woord en beloften in een waar geloof bidden – zeker en zonder twijfel! – dat Hij ons verhoren en helpen wil, alleen in de Naam van Christus, door Wie ons gebed de Vader aangenaam is en allerlei genade en goedheid geschonken zijn. Dit toont Christus hier aan met het woordje dat hij spreekt: …bidt uw Vader in het verborgen… Want dat is zoveel gezegd: dat ons gebed in het geloof tot God gericht moet zijn als tot een genadige, vriendelijke vader en niet tot een toornige rechter of dwingeland. Hij heeft beloofd dat ons gebed zeker verhoord is als wij dit geloof ons hart hebben en vrolijk God onze Vader durven te noemen en met een hartelijk vertrouwen bidden. Wochenpredigten über Matth. 5 – 7, 1530 / 32, Verg. W.A. 32, 415, 25 – 416, 6.

 

 

127. Waardig of onwaardig

Daarom moeten wij nu leren dat er zonder geloof geen goed gebed gedaan kan worden. Voel je jezelf zwak en bevreesd, doordat vlees en bloed het geloof hinderen, en zeggen dat je niet waardig, geschikt en niet in een goede gestalte bent om te bidden? Als je omdat je een zondaar bent eraan twijfelt of God je verhoort heeft, houd je dan toch aan het Woord en zeg: ofschoon ik een zondaar en onwaardig ben, dan heb ik hier toch Gods gebod, dat mij zegt dat ik bidden moet en Zijn belofte dat Hij mij genadig verhoren wil, niet om mijn waardigheid maar omwille van de Heere Christus. Daarmee kan je de ongelovige gedachten wegslaan en vrolijk neerknielen en bidden zonder er aan te denken hoe waardig of onwaardig je bent. Bidt maar vanwege je nood en om zijn Woord waarop Hij je zegt te vertrouwen. Hij heeft je ook de woorden voorgezegd en in de mond gelegd, hoe en wat je bidden moet. Je mag zo’n gebed vrolijk tot Hem opheffen en in Zijn schoot leggen omdat Hij het om Zijn waardigheid voor de Vader brengt. Wochenpredigten über Matth. 5 – 7, 1530 / 32, Verg. W.A. 32, 416, 16 – 29.                                                                                                        

                      

128. Lang bidden

In het voorgaande heeft Christus hun verkeerde oogmerk bestraft dat zij door hun bidden – dat alleen tot Gods eer moet zijn –  zelf wilden gezien en geprezen worden. Maar nu veroordeelt Hij ook de misvatting dat zij denken dat het dan pas echt bidden is wanneer men lang praat en veel woorden gebruikt. Hij noemt het heidens en een leeg geklets van hen die denken dat zij anders niet verhoort zullen worden. Hij waarschuwt, want Hij had al gezien dat het zo door zou gaan en dit misbruik – zoals het toen al was! – altijd onder het christenvolk zou blijven, zodat ze van het gebed slechts een werk zouden maken wat lang en uitgebreid moest zijn…; en inplaats van een écht gebed niets anders dan een gezwets en geklets dat geheel buiten het hart om gaat. We zien hoe het gegaan is in de kerken en kloosters en met de hele geestelijkheid, die hun leven lang niets anders gedaan hebben dan zichzelf dag en nacht vermoeien met bidden, lezen en zingen; hoe meer ze dat deden hoe heiliger en beter hun godsdienst genoemd werd; terwijl er onder hen allen niet één geweest is die een waar gebed van harte gedaan heeft, maar zij hebben alleen in een heidens zelfbedrog geleefd, dat zij beide zichzelf en God moesten vermoeien.  Wochenpredigten über Matth. 5 – 7, 1530 / 32, Verg. W.A. 32, 417, 1 –19.

 

 

129. Veertig jaar gebeden

Men heeft van bidden een zwaar werk gemaakt en zichzelf opgelegd om lange uren achter elkaar te lezen of te zingen. Er is geen dagloner die niet liever zou kiezen om een dag te dorsen, dan om zoveel uren achter elkaar alleen de mond te bewegen en in een boek te kijken. Hun gebeden zijn niet het verlangen of begeren van hun hart geweest, maar niets anders dan een gedwongen werk van de mond en de tong, zodat sommigen veertig jaar lang hun gebeden gemompeld hebben zonder ook maar één uurtje met het hart te bidden, want ze dachten er nooit aan om God hun nood voor te leggen maar dachten niet anders dan dat het zo hoorde en dat God dit werk en deze moeite wel zou aanzien. Maar het gebed van de Christenen – als het in geloof gedaan wordt en van harte de noden aan God voorlegt – is makkelijk en zonder moeite. Want het geloof heeft spoedig gezegd wat het begeert, ja, met één zucht uit het hart, wat alle woorden niet kunnen uitspreken! Paulus zegt hiervan: de Geest bidt…, en omdat de gelovige weet dat God verhoort behoeft hij er niet een eindeloos gepraat van te maken. Wochenpredigten über Matth. 5 – 7, 1530 / 32, Verg. W.A. 32, 417, 23 – 40.

 

 

130. Met één zucht

Maar het gebed van de Christenen – als het in geloof gedaan wordt en van harte de noden aan God voorlegt – is makkelijk en niet moeilijk om te doen. Want het geloof heeft spoedig gezegd wat het begeert, ja, met één zucht uit het hart, wat alle woorden niet kunnen uitspreken. Paulus zegt hiervan: de Geest bidt…, en omdat de gelovige weet dat God verhoort hoeft hij er geen eindeloos gepraat van te maken. Zó hebben de heiligen in de Schrift gebeden, bijvoorbeeld Elia, Elisa, David en anderen, met korte maar machtige en geweldige woorden hebben zij tot God geroepen, zoals je in de Psalmen leest, waarbij zelden een psalm is wat een gebed heeft van vijf of zes verzen lang. Daarom hebben de oude vaderen het goed gezegd: ‘Het gebeurt niet door vele en lange gebeden, maar door een kort en krachtig roepen tot God.’  Dat is wanneer je je nood met een of twee woorden opzucht naar de hemel, wat iemand veel en dikwijls doen kan, ook als hij bezig is in zijn werk of beroep. Wochenpredigten über Matth. 5 – 7, 1530 / 32, Verg. W.A. 32, 417, 35 – 418, 8.

 

 

131. Verplicht gebed

Zij die slechts het gebed doen alsof het paardewerk is, kunnen nooit met blijdschap en ernst bidden maar ze zijn blij als hun plicht maar weer gedaan is. Zo moet het dan ook wel gaan als je zonder geloof en zonder nood wilt bidden, dan kán je hart niet meedoen! Wanneer nu het hart er niet bij is en het lichaam zich moet inspannen, wordt dat wel erg moeilijk en verdrietig. Je ziet dat ook bij lichamelijke arbeid, hoe moeilijk en zuur het tenslotte wordt om iets tegen je zin te doen; echter als je hart gewillig is en er zin in heeft bemerk je nieteens dat je bezig bent. Zo is het hiermee ook, als je het oprecht en ernstig meent en begeert om te bidden dan ken en voel je geen arbeid of moeite, maar je ziet slechts op je tekort en gemis en hebt de woorden naar het schijnt in een oogwenk gebeden of gezongen. Met één woord gezegd: Je moet kort bidden, maar wel dikwijls en krachtig; want God vraagt er niet naar, hoe uitgebreid en lang ons gebed is, maar alleen of het goed is en of het recht uit het hart komt. Wochenpredigten über Matth. 5 – 7, 1530 / 32, Verg. W.A. 32, 418, 9 – 21.

 

 

132. Niet preken

Christus zegt hier: Uw hemelse Vader weet wat u nodig hebt al voordat u erom bidt…, alsof hij vragen en zeggen wil: waarom denk je Hem met een lang verhaal over te halen om te geven wat je nodig hebt? Je hoeft Hem niet om te praten of te vertellen wat Hij doen moet, want dat wist Hij al eerder en beter dan jij! Precies zoals het gebeurt als je voor een vorst of rechter moet verschijnen, die jouw zaak al beter kent en begrijpt dan dat jezelf met een lang verhaal zou kunnen vertellen of uitleggen; misschien zal hij je wel uitlachen of zelfs boos worden! Ja, wij weten ook niet – zegt Paulus – hoe en wat we bidden zullen, want, als Hij ons verhoort en ons iets geeft, dan is het boven bidden en denken. Daarom gebeurt het soms wel, dat wij ergens om bidden en ons gebed niet dadelijk of zelfs helemaal niet verhoord wordt. God weet beter wat nodig en nuttig voor ons is dan wij, want zelf weten we dat niet! maar moeten tenslotte weleens toegeven dat het helemaal niet goed voor ons geweest zou zijn als Hij ons gebed verhoord had. Daarom mogen wij als wij bidden niet preken* of met een lang verhaal uitleggen hoe en wat Hij ons geven of doen moet. Want Hij wil zó geven, dat Zijn Naam geheiligd wordt, Zijn Koninkrijk komt en Zijn wil geschiedt, bevordert en volbracht wordt. Wochenpredigten über Matth. 5 – 7, 1530 / 32, Verg. W.A. 32, 418, 21 – 40.  (*Duits: Leren

 

 

133. Voor niets gaat de zon op

Als je echter vraagt: Waarom laat Hij ons dan bidden en onze nood bij Hem brengen en wil zonder bidden niet geven terwijl Hij alle nood beter weet en ziet dan wijzelf? Hij geeft toch – zonder dat iemand Hem daarvoor bidt of dankt –  alle mensen dagelijks zoveel! zoals zon, regen, koren, geld, lichaam, leven en veel meer, want Hij weet wel dat we geen dag het zonlicht of ons eten en drinken kunnen missen. Waarom zegt Hij dan nog dat wij Hem daarvoor moeten bidden? Antwoord: Zeker niet dat wij met ons bidden Hem zullen onderrichten wat Hij ons geven moet, maar daarom, dat wij Hem loven en danken voor alles wat Hij ons dagelijks geeft en voor wat Hij geven wil en kan. Door ons gebed onderwijzen wij onszelf meer dan Hem, zodat wij daardoor tot inkeer komen en niet doorgaan als de goddelozen die Gods goedheid niet erkennen noch Hem ervoor danken. En zó wordt mijn hart tot Hem gekeerd en opgewekt dat ik Hem loof en dank en in noden tot Hem de toevlucht neem en Zijn hulp verwacht. En dit alles daartoe, dat ik hoe langer hoe meer weet wat voor goede en trouwe God Hij is! en als ik bij Hem zoek en klop…, dan wil Hij ook graag nog meer en overvloediger geven dan ik bidden of denken kan. Wochenpredigten über Matth. 5 – 7, 1530 / 32, Verg. W.A. 32, 419, 1 – 20.

 

 

134. Berusting

Heere, ik weet dat ik van mijzelf niet één kruimel van mijn dagelijks brood maken of bewaren kan, en dat ik mijzelf ook niet voor het één of andere ongeluk kan behoeden, daarom wil ik – zoals U mij bevolen hebt – op U wachten en U  bidden  om wat U mij belooft hebt te geven. U bent zonder dat ik er aan denk mij altijd vóór en hebt mijn noden al lang gezien. [Amen].

Dit gebed en deze erkentenis behaagt God en is de ware, hoogste en beste godsdienst die wij tot Hem brengen kunnen, want daarmee wordt Hem de eer en dank gegeven die Hem toekomt. Zo bidden de meesten niet, maar trekken al Gods goederen naar zich toe en slobben en slikken als een varken alles door…, voedsel en kleding, land, huis en stad, het ene na het andere, en denken er niet één keer aan om tot God op te zien, willen ondertussen wel heilig zijn met al hun gebeden opdreunen en uitgalmen in de kerk…, maar een christelijk hart, als het uit Gods Woord leert dat we alles alleen van God en niets van onszelf hebben, neemt dit Woord aan in geloof en oefent zich om alles Hem in handen te geven en van Hem te verwachten. Wochenpredigten über Matth. 5 – 7, 1530 / 32, Verg. W.A. 32, 419, 20 – 35

 

 

135. Gij zijt mijn God; daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen [Ps. 118, 28, S.V.]

Woord en dienst van God acht men nu wel duivels woord en duivels dienst te zijn en ik moet daar veel schande en gevaar om uitstaan; laat het maar komen! nochtans zult U mijn God zijn, nochtans wil ik U geloven en ben verzekerd, dat U mijn God bent. Daarom weg met wet, tempel, altaar en de hele eredienst in Jeruzalem; ga weg vriend en vijand, weg met alle wijsheid, heiligheid, sterkte, goed, eer en wat geen stand kan of zal houden. U alleen wil ik hebben! U zult mij inplaats van dat alles meer dan genoeg zijn. Ik wil Uw arm paapje en priestertje zijn en U het ware offer brengt en de ware eredienst voor U. Mijn priesterambt zal zijn één dankoffer en lofgezang, één palmen- of Loofhuttenfeest, zodat ik niets anders weet te prediken noch te roemen dan U, de verworpen Hoeksteen en gekruisigde God! Daar houd ik mij aan. Dat moet het einde van alle dingen zijn. Dat heb ik met deze psalm willen zeggen en iets anders verlang ik ook niet te horen, men bespare het mij. Sint Paulus zegt: ‘Ik wil de littekens van mijn Heere Jezus Christus in mijn lichaam dragen.’*  Amen, Hosianna, Amen! Confitemini, 1530, Verg. W.A. 31.1, 180, 30 – 181, 15.

 

 

136. Varkenskot

O, dat God zou geven dat er ergens nog een plaats was waar men samenkomt en bidt, waar een algemeen gebed van de hele gemeente tot God opgaat, hoe grote bijstand en hulp zou er op dat gebed volgen! Wat zou er méér alle boze geesten kunnen treffen? Hoe zou er groter werk op aarde bestaan, waardoor zoveel vromen bewaard en zoveel zondaren bekeerd werden? Dat weet de duivel heel goed, daarom doet hij ook alles wat hij kan om dit gebed te verhinderen. Dan laat hij ons liever prachtige kerken bouwen, geld bijdragen, orgelspelen en muziek maken, lezen en zingen, veel kerkdiensten beleggen en alles met pracht en praal versieren. Dat doet hem helemaal geen verdriet, ja, hij help erbij, zodat wij deze dingen de beste denken te zijn en menen dat we het allemaal goed voor elkaar hebben. Maar dat dit algemene, machtige, vruchtbare gebed ondertussen verdwijnt en door dit gehuichel bijna onmerkbaar nagelaten wordt heeft niemand door…; en dan heeft de duivel zijn zin! Want als het gebed verstomt zal niemand de duivel meer iets ontnemen of hem weerstaan, wanneer hij echter gewaar wordt dat wij dit gebed willen beoefenen, al was het maar onder een strodak of in een varkenskot, dan zou hij dat zeker niet zomaar laten gaan, maar zich meer zorgen maken over dat varkenskotje dan over alle hoge, grote, mooie kerken, torens, klokken die er ergens in de wereld zouden mogen zijn, ja, als dat gebed daar binnen niet gevonden wordt. Von den guten Werken, 1520, Verg. W.A. 6, 238, 35 – 339, 20.

 

 

137. Ik stel Mijn leven voor de schapen

Hier staat het! Christus kent Zijn schapen en de schapen kennen Christus. Daaruit volgt dat je de gelovige schaapjes van Christus, van niets anders spreken zal, dan van Christus alléén, dat Hij Zijn leven voor de schapen gegeven heeft, en ook van Zijn voorbeeld om na te volgen in liefde. Daarom zal een goede predikant de mensen niets anders leren, dan alléén Christus, opdat ze Hem leren kennen; wat Hij is en geeft! Zodat niemand Christus veracht als Hij zegt: Ik ben de goede Herder en geef Mijn leven voor de schapen. Dat Hij alleen de enige Herder en Bisschop van onze zielen is, dat moet je prediken opdat ze de Herder leren kennen. (…) Wie dit alles nu hoort, verstaat, gelooft en navolgt, dat zijn de schapen van Christus, die zeggen: Ik hoor en ken de stem van mijn Herder Jezus Christus, Hij zegt tot mij: Ik ben voor je gestorven en heb je door Mijn bloed en dood van de wolf gered, zó spreekt Christus, dat geloof ik en wil van geen andere herder weten. Daarna begin ik ook mijn naaste te doen zoals Christus mij gedaan heeft, en als het nodig is, dan zal ik ook voor hem lijden, wordt om hem geslagen en gedenk dat Christus ook voor mij geslagen is. Zijn stem ken ik en ik blijf bij Hem. [Amen]. Ueber das Evangelium Johann. 10, 12 – 16, Anno 1534, Verg. E.A., 2, 5, 101 – 102.

 

 

138. De stem van de Herder

Wanneer het schaapje de stem van zijn herder hoort is het gevonden, hoort het echter een vreemde dan volgt het niet, maar loopt net zo lang te dwalen totdat het de stem van de herder weer hoort. Zijn hele karakter en natuur is horen. Zó zullen wij christenen ook zijn en blijven, want door het horen van Gods Woord en door het geloof moet het gebeuren! Een schaap kent de stem van zijn herder en de herder kent zijn schaap. Waardoor? Dat het naar zijn stem hoort! Wij kennen Christus ook door de stem van Zijn evangelie en Christus kent ons door het horen ernaar. Daardoor zijn de schapen van Christus gescheiden van al de anderen en waar Christus stem klinkt daar is de Schaapstal van het eeuwige leven, waarbinnen de mensen van zonde en dood zalig worden. Dit moet gepredikt en geleerd worden! Maar ook dat men vluchten en mijden moet alles wat buiten Christus tot zaligheid geleerd wordt, en dat je versta dat Hij het alleen gedaan heeft, en verder niemand. Blijf bij deze belijdenis dat is de stem! Wie Mijn stem graag hoort die is mijn schaapje, en wie Mij kent die ken ik ook. Ik geef Mijn schapen het eeuwige leven en niemand zal ze uit mijn hand rukken. Dat geve ons God door Christus onze enige Herder. Amen. Ueber das Evangelium Johann. 10, 12 – 16, Anno 1534, Verg. E.A., 2, 5, 103 – 104.

 

 

139. Stamelen

Als wij dus eens goed willen weten wat ons gebed is…, dan is het niets anders dan het stamelen van een kind, dat bij een tafel met eten staat, en niet weet of het om brood of om vlees vraagt. Want wij weten niet wat we bidden zullen. De dingen en gaven waarom wij bidden, zijn ver boven ons begrip en verstand…, en Hij Die hoort is nog veel hoger. Zo zijn ook de goederen en gaven hoger en groter dan wij met ons kleine hart zouden kunnen bevatten. (…) Dit zeg ik allemaal, om jullie en mijzelf te bemoedigen, zodat we niet zouden twijfelen vanwege onze onwaardigheid, of anders wel vanwege Gods hoge majesteit.  De dingen waar wij Hem om bidden – zoals ik zeg – zijn te groot en worden vanwege hun grootheid door onszelf niet verstaan of begrepen. Abraham heeft meer ontvangen, dan hij ooit heeft gebeden. Dat moet ons tot voorbeeld dienen, zodat wij het gebed niet zullen opgeven, of denken dat het allemaal nutteloos en vruchteloos is. God ziet het binnenste van het hart en verstaat het onuitsprekelijk zuchten dat in ons is. Wij zijn gelijk aan de kinderen, die voor de tafel staan te stamelen en nog niet goed uit hun woorden kunnen komen. Verg., Auslegung von 1 Mose 17, 19 – 22, 1536 / 1545.

 

 

140. O God, straf mij niet…

Eerste boetpsalm, Psalm 6. Als God nu de mens aantast, dan is de menselijke natuur zwak en angstig; zij kan aanvankelijk niet weten of God haar uit toorn of uit genade aangrijpt. En omdat zij vreest voor de toorn begint zij te roepen: Ach God, straf mij niet in Uw toorn, laat Uw straf in genade zijn en tijdelijk, wees Vader en geen Rechter. Zoals ook de heilige Augustinus spreekt: ‘Ach God, brandt hier maar, hak hier maar, sla hier maar, maar verschoon ons dáár [voor Uw rechterstoel]’. Hij bidt niet om geheel ongestraft te blijven, want dat zou immers geen goed teken zijn, maar hij vraagt om als kind door Vader gestraft te worden. Dat hier [in de psalm] door een zondaar, of tenminste door Christus in naam van een zondaar gesproken wordt, blijkt wel als Hij ook over straf spreekt, want Gods straf is niet om onze rechtvaardigheid. Alle heiligen en christenen moeten belijden dat zij zondaren zijn en vrezen voor Gods rechterstoel; want deze psalm bedoelt allen en zondert niemand uit. Daarom wee over allen die niet vrezen, hun zonden niet voelen en zelfverzekerd door het leven gaan, het vreselijke gericht van God tegemoet; God voor Wie geen goed werk voldoende kan zijn. Ausl. d. Sieben Busspsalmen, 1517, Verg. W.A. 1, 159, 24 – 160, 2.

 

 

141. De schrik des Heeren

Eerste boetpsalm, Psalm 6. Want al mijn beenderen zijn verschrikt. Dat wil zeggen: ‘al mijn sterkte en kracht zinkt ineen vanwege verschrikking voor Uw straf. En omdat mijn kracht mij verlaat, zo geef mij Uw sterkte.’ Hierbij kunnen wij opmerken, dat deze psalm – en die er gelijk aan zijn – nooit volledig wordt verstaan of gebeden, tenzij de mens de werkelijkheid onder ogen ziet, zoals dat gebeurt bij het sterven en het heengaan uit deze wereld. Zalig wie dit reeds tijdens het leven mag ervaren, want het moet naar de ondergang toe met ieder mens. Wanneer nu de mens zo ondergaat en tot niets wordt met al zijn kracht, werk en hele bestaan…, als er niets meer als een ellendige, verdoemde, verlaten zondaar overblijft, dan komt de Goddelijke hulp en kracht. Zo staat het ook in Job [11, 17]: Dan eerst, als gij meent dat gij verloren zijt, zult gij te voorschijn breken als de Morgenster.*  Ausl. d. Sieben Busspsalmen, 1517, Verg. W.A. 1, 160, 5 – 20.  (* Bijbelcitaten volgens luthers vertaling, die rond 1517 nog sterk op de Vulgaat gebaseerd was.

 

 

142. En mijn ziel is zeer verschrikt…

Eerste boetpsalm, Psalm 6. En mijn ziel is zeer verschrikt; Gods sterkte en troost wordt aan niemand gegeven tenzij hij daarom uit de grond van zijn hart bidt. Niemand zal echter uit de grond van zijn hart kunnen bidden als hij zich niet eerst volkomen verschrikt en verlaten voelt. Zolang hem namelijk dit niet overkomt, weet hij niet wat hem deert en hij voelt zich veilig door zijn vertrouwen op anderen, of doordat hij troost vindt bij zichzelf of bij een ander schepsel. Opdat God nu Zijn troost en kracht ons zou kunnen schenken en meedelen, daarom ontneemt Hij ons alle andere troost en maakt onze zielen hartelijk bedroeft, roepend en verlangend naar Zijn troost. En zó zijn al Gods straffen vriendelijke beschikkingen om ons te brengen tot Gods zalige troost; hoewel de dwazen deze beschikkingen zelf in de weg staan en verdraaien door hun bevreesde en aan God vertwijfelde harten. Wat zij niet weten is…, dat God zijn goedheid en vriendelijkheid onder toorn en straf verborgen houdt en ze ons zo meedeelt. Ausl. d. Sieben Busspsalmen, 1517, Verg. W.A. 1, 160, 20 – 32.

 

 

143. O God, hoe lang nog?

Eerste boetpsalm, Psalm 6. O God, hoe lang nog? Voor alle mensen die lijden duurt de tijd lang – echter ook omgekeerd – voor hen die vrolijk zijn duurt de tijd kort. Maar ontzettend lang duurt de tijd voor hen, die deze smart in hun ziel dragen: dat zij zich zó verlaten voelen, alsof God helemaal van hen geweken is. Er is geen groter lijden voor het hart, dan om te ervaren dat God afscheid van ons genomen heeft, en met Zijn Waarheid, Gerechtigheid, Wijsheid, Geest en Leven van ons geweken is. Er blijft dan alleen nog zonde, duisternis, droefheid, vrees en schrik bij ons over. Dit is voor de ziel als een druppel of voorsmaak van de helse pijn en eeuwige verdoemenis, daarom wordt ook het hele lichaam, merg en been, levenskracht en alles wat de mens is hierdoor aangetast. Ausl. d. Sieben Busspsalmen, 1517, Verg. W.A. 1, 160, 32 – 161, 7.

 

 

144. De geestelijke dood

Eerste boetpsalm, Psalm 6. In de dood toch kan niemand aan U denken.*) Dat wil zeggen: de doden loven u niet, noch prijzen zij uw barmhartigheid; dit doen alleen de levenden, zoals er staat in Psalm 115 [17 – 18]: Niet de doden zullen U loven, noch zij die ter helle gevaren zijn, maar wij, die leven, zegenen God nu en eeuwiglijk. Doch de psalmist heeft het hier niet over de lichamelijke dood, maar veel meer over de geestelijke dood, waarbij de ziel dood is. Zonde toch is de dood van de ziel; wroeging echter is haar hel. Beide straffen moet hij dulden die in deze jammer verzonken is welke bestaat uit zonde en zondestraf. Daarom wordt hier gezegd: Laat mij toch niet in de dood en in de hel gaan, maar maak mij naar uw barmhartigheid levend door genade, en verlos mij van de hel door uw troost. En zo geeft ook dit vers te verstaan dat dit tijdelijke leven en lijden een poort is – als het ware een toegang – tot de eeuwige zonde en straf, dat wil zeggen tot dood en hel. Daarover heeft ook koning Hiskia het als hij zegt: ik zei met grote vrees: ‘ik moet tot de poorten der hel varen midden in mijn leven, juist nu ik gedacht had dat de beste tijd van mijn leven gekomen zou zijn’ [Jes. 38, 10].  Ausl. d. Sieben Busspsalmen, 1517, Verg. W.A. 1, 161, 26 – 162, 2.  (* Bijbelcitaten volgens Luthers vertaling, die rond 1517 nog sterk op de Vulgaat gebaseerd was.

 

 

145. God hoort mijn wenen

Eerste boetpsalm, Psalm 6. God toch heeft mijn luid wenen gehoord.*) Zolang zij de boventoon voeren en recht menen te hebben, geloven zij niet, dat zij die onderliggen, voor God ook wat zouden kunnen betekenen. Integendeel, zij verkeren in de waan, dat zij God met hun handelswijze een dienst doen en zo de waarheid bevorderen. En dit zonder vrees, en in zekerheid handelen, verderft en veroordeelt al hun doen. Zonder vrees en deemoed toch kan niemand God welgevallig zijn. Daarom zegt David: God is van nature zo, dat Hij gaarne hoort naar hen die schreien en klagen; en niet naar hen die zich veilig en vrij voelen. Een leven dat God welgevallig is bestaat dan ook niet uit uiterlijke werken en uiterlijke schijn, maar uit een zuchtende, bedroefde geest, zoals we later in de vierde boetpsalm zullen vinden: Het offer, dat God behaagt, is een bedroefde geest; en een deemoedig, verbroken hart zult Gij niet versmaden [Ps. 51, 19]. En in psalm 34 [19] wordt gezegd: God is nabij allen die een lijdend en bedroefd hart hebben. Daarom: wenen gaat boven werken** en lijden overtreft alle doen in waarde!  Ausl. d. Sieben Busspsalmen, 1517, Verg. W.A. 1, 165, 5 – 17.  (* Bijbelcitaten volgens luthers vertaling, die rond 1517 nog sterk op de Vulgaat gebaseerd was.  (** Vanzelfsprekend: het doen van goede werken of werken van de wet.

 

 

146. Bidden en afbidden

Eerste boetpsalm, Psalm 6. God heeft mijn afbidden gehoord, God heeft mijn biddend vragen aangenomen.*)  Deze woorden zijn niets anders dan de uitdrukking van de gesteldheid van een geestelijk arme ziel, die niets meer heeft dan droefheid maar die bidt en smeekt met een vast geloof, sterke hoop en in blijvende liefde. Zo moet het eigenlijk met het leven en bestaan van iedere gelovige gesteld zijn. Buiten God moet hij niets weten en niets bezittenen, God moet hij zelfs niet anders hebben dan door het geloof. Zo komt het dat zij, die anders zijn door God niet verhoort worden. Zij roepen wel, maar niet met hun hart! Zij zijn niet arm, worden er daarom ook niet toe gedreven te roepen of te bidden; verzadigd zijn ze en vol! Afbidden betekent: bidden dat het kwade of boze wordt weggenomen; biddend vragen gebeurt om het goede of genade te verkrijgen. Ausl. d. Sieben Busspsalmen, 1517, Verg. W.A. 1, 165, 18 – 28. (* Bijbelcitaten volgens luthers vertaling, die rond 1517 nog sterk op de Vulgaat gebaseerd was.

 

 

147. Schaamte en schrik

Eerste boetpsalm, Psalm 6. Ach, dat schaamrood werden en zeer verschrikten al mijn vijanden.*) Dat wil zeggen: zij staan met hun zelfingenomenheid vlak aan de rand van de afgrond; en ondertussen zijn ze vol roem over zichzelf, alsof het met hun heil volkomen in orde zou zijn. Ach God, ze weten echter niet, hoe rampzalig zij zijn. Daarom zou het zo goed voor hen zijn, als ze tot inkeer kwamen en op de goede manier erkennen, hoezeer ze in Gods ogen met schande en ellende bedekt zijn. Deze grote geestelijken toch en de wijzen, kunnen immers niet anders dan zichzelf behagen en in zekerheid voorleven, zichzelf de eer geven, groot van zichzelf denken en hun dwaasheid niet voelen. Zij kunnen niets dan schoon spreken, goed handelen, naar heiligheid streven zich anders gedragen dan de anderen en niet velen aan zichzelf gelijk achten. Maar dit is de grootste blindheid op aarde! Want zo groot zij – in deze dingen – menen te zijn of zichzelf voordoen, zozeer zijn zij in werkelijkheid bij God veracht. En nu wil David dat zij – al zijn ze dan ook vijanden – dat zelf zouden inzien. Vrienden zouden ze worden, als ze maar tot zichzelf inkeerden en zich voor zichzelf schaamden. De zelfverheffing maakt hen tot vijanden en vervolgers; maar deemoed. Dat is, schaamte en schrik zou hen tot vrienden maken. Ausl. d. Sieben Busspsalmen, 1517, Verg. W.A. 1, 165, 30 – 166, 5.  (* Bijbelcitaten volgens luthers vertaling, die rond 1517 nog sterk op de Vulgaat gebaseerd was.  

 

 

148. Een eenzame vogel

De vijfde boetpsalm, Psalm 102. Ik heb gewaakt en ben geweest als een eenzame vogel op het dak. Ik ben niet ingeslapen maar heb gewaakt. Want de wereld slaapt zoals de apostel zegt: Laat ons niet slapen als de anderen, maar laat ons waken en nuchter zijn [vgl. 1 Thess. 5, 6]. De tijdelijke goederen toch zijn, in vergelijking met de eeuwige, als droombeelden in vergelijking met de beelden van de werkelijkheid. Zo zegt ook Jesaja [29, 8], dat de zondaren hetzelfde overkomt als een dorstige die droomt dat hij drinkt, en als hij ontwaakt, is zijn ziel nog steeds dorstig. Daarom is dit slapen niets anders dan de liefde tot en het hangen aan de schepselen. Waken daarentegen is het hangen aan de eeuwige goederen en daarnaar uitzien en verlangen. Maar in dit laatste staat de psalmist alleen en niemand is met hem; want zij slapen allen. En hij zegt: op het dak, alsof hij bedoelt dat de wereld een huis is waarin allen opgesloten zijn en slapen. Ik echter ben alleen buiten het huis, op het dak; nog niet in de hemel en ook al niet meer in de wereld. De wereld heb ik onder mij en de hemel boven mij; zo zweef ik dan eenzaam, in het geloof, tussen het leven van deze wereld beneden en het eeuwige Leven daarboven. Ausl. d. Sieben Busspsalmen 1517, vgl. W.A. 1, 198, 28 – 199, 7.

 

 

149. Vergeefse moeite

Wie in de duisternis wandelt, weet niet waar hij heen gaat [Joh. 12, 35]. Dat hebben al veel goede mensen voor wie het waarlijk ernst was godvrezend te zijn en zalig te worden, in kloosters – maar ook daarbuiten – ervaren, als zij tot hun grote schade, met verlies van goederen, lichaam en ziel, op allerlei manieren zich het leven zuur maakten met vasten, waken, bidden, zingen, lezen en mediteren. Ze dachten God te dienen met het aanroepen van heiligen; de plaatsen waar zij leefden of begraven liggen te bezoeken en daar te bidden. Zij bedreven afgoderij met valse godsdienst in kloosters, kerken of andere gewijde plaatsen en waarvoor zij hun geestelijken rijkelijk betaalden en beloonden. Dit alles met de gedachte en hoop, dat zij zich daardoor met God konden verzoenen, vergeving van zonden ontvangen en de hemel verdienen; en toch was het niets anders dan in de duisternis en op de verkeerde weg wandelen. Waarom ook al hun lezen en bidden, al hun moeite en arbeid, al hun doen en lijden, al hun geven en schenken, vergeefse moeite  was. Want waar Gods Woord geen licht geeft, daar kan niets anders zijn dan duisternis, dwaling en verderf. Daarom spreekt de Heere Christus: Ik ben het Licht der wereld: wie Mij volgt zal in de duisternis niet wandelen, maar het licht des levens hebben [Joh. 8, 12]. Bibel- und Bucheinzeichnungen Luthers, vgl. W.A. 48, 170, 1 – 20.

 

 

150. De hele wereld bekeren

Uw wil geschiede. Onze verkeerde wil moet niet geschieden, maar ook moet onze goede wil niet geschieden. Zoals de wil van David om de tempel te bouwen goed was, omdat hij voor God een tempel wilde bouwen en God hem daarom prijst, maar God toch niet wil dat het geschiedt. Christus – Die alleen goed en heilig is – wil dat de drinkbeker aan Hem zal voorbijgaan en toch moest Zijn goede wil niet geschieden. Indien je de hele wereld wilt bekeren, doden opwekken, zieken genezen, jezelf en iedereen in de hemel brengen en alle wonderen uit Gods Woord verrichten…, dan moet je toch niet één daarvan willen, tenzij je jouw wil aan Gods wil onderwerpt en tot niets maakt. Daarom moet je bidden: Mijn lieve Heere God, dit en dat denkt mij goed en naar Uw wil te zijn, behaagt het U zo geschiede het, behaagt het U niet zo geschiede het niet. God breekt heel vaak de goede wil in Zijn heiligen, zodat zij leren dat hun wil – hoe goed die ook wezen mag – onmetelijk veel geringer is dan Gods wil, daarom moet een geringe goede wil terecht wijken en tot niets worden voor de allerhoogste en onbegrijpelijke goede wil van God. Ausl. d. Vaterunsers für die einfältigen Laien, 1519, vgl. W.A. 2, 103, 20.  

 

 

151. Kerkelijke twisten

Uw wil geschiede. Ook onze goede wil en goede bedoelingen moeten in ons verhinderd worden, opdat ze aan Gods wil onderdanig en gelijkvormig zouden worden, zolang tot de mens lijdzaam, willoos en niet méér doet, dan dat hij op Gods wil wacht. Zie dat is de echte gehoorzaamheid, die helaas in onze tijd geheel onbekend is! Nu moeten die nutteloze zwetsers maar heengaan, die de hele Christenheid vol gepreekt hebben en bijna van alle kansels roepen, hoe je een goede wil, goede mening en goede voornemens hebben en maken moet, en als je dat doet…, dat dan zeker alles goed met je is! Hiermee doen ze niet anders dan eigenwillige, eigenzinnige en eigengerechtige geesten kweken die altijd tegen Gods wil strijden, die hun eigen wil niet begeren te breken of te onderwerpen; want ze denken dat hun mening en wil goed is en gebeuren moet. Alles wat tegen hun wil ingaat – denken ze – is van de duivel en niet van God. Zie, zo groeien de wolven-in-schaapskleren op – de hoogmoedige heiligen – de schadelijkste mensen op aarde! Hierdoor komt het dat de ene leraar tegen de andere, de ene kerk tegen de andere; dat geestelijken, monniken en nonnen vechten, haten en strijden, en dat er overal twist en tweedracht is. Ieders partij zegt toch dat zij een goede wil, het juiste standpunt en godzalige oogmerken hebben, en zó, alsof het tot lof en eer van God was! Zij doen echter alleen maar duivelswerk. Ausl. d. Vaterunsers für die einfältigen Laien, 1519, vgl. W.A. 2, 104, 5 – 20..

 

 

152. Tegen jezelf bidden

Uw wil geschiede, in de hemel alzo ook op de aarde. Nu zie jezelf dat God in dit gebed ons leert om tegen onszelf te bidden en daarbij zegt dat wij geen grotere vijand hebben dan onszelf. Dat onze wil iets machtigs is in ons en dat wij daartegen moeten bidden: ‘O Vader, laat mij nooit overkomen dat mijn wil gebeurt; breek mijn wil, voorkom mijn wil – het ga zo het ga – dat het met mij niet naar mijn wil, maar naar Uw wil gaat; want in de hemel is maar één wil, daar is geen eigen wil, dat het ook zo mag zijn op aarde.’ Als dit gebeden wordt moet onze natuur lijden, want de eigenwil is het diepste en hoogste kwaad dat in ons is, en niets is er wat ons liever is dan onze eigen wil. Daarom wordt met deze bede niet anders gevraagd dan om kruis, vervolging, tegenspoed en lijden, ja alles wat dienen moet om onze wil te verhinderen. Daarom als eigenwillige mensen dit eens goed overwogen, hoe zij hier alleen tegen hun eigen wil bidden, dan zouden zij dit gebed niet zo mooi meer vinden maar er voor schrikken. Ausl. d. Vaterunsers für die einfältigen Laien, 1519, vgl. W.A. 2, 105, 1 – 16.

 

 

153. Christus ons Brood

Geef ons heden ons dagelijks brood. Wat is dan Christus kennen? Daarop antwoord ik dat het kennen van Christus is, dat je verstaat wat de apostel in de brief aan de Korintiërs zegt [1.1, 30]: Door Hem nu zijt gij in Christus, Die ons van God gemaakt is tot Wijsheid, en Gerechtigheid, en Heiliging, en Verlossing; opdat gelijk er geschreven staat: Wie zich beroemt, beroeme zich in de Heere. Dat verstaat je dan, wanneer je erkent, dat al je wijsheid verdoemelijke dwaasheid, je gerechtigheid verdoemelijke ongerechtigheid, je heiligheid verdoemelijke onreinheid en je ingebeelde verlossing een ellendige verdoemenis is, en ook ondervindt dat je voor God en alle schepselen, een dwaas, zondaar, onreine, en terecht een verdoemd mensenkind bent. Dat je niet alleen met woorden maar met je gehele hart, en ook met al je werken bewezen hebt, dat er voor jou geen roem of eer overblijft, dan dat Christus je van God geschonken is. In Wie je gelooft, en Hem zó bezit, dat Zijn gerechtigheid alleen jou behoudt. Waarom je Hem aanroept en op Hem vertrouwt, en dat het geloven niet anders is dan dit Brood eten zoals Hij in Johannes zegt [6, 32]: Mijn Vader geeft u het ware Brood uit de hemel. Ausl. d. Vaterunsers für die einfältigen Laien, 1519, vgl. W.A. 2, 113, 5 – 19.

 

 

154. De wonderlijkste ruil

Verder zou ik graag willen weten hoe het met je ziel gaat: of je dan niet eindelijk zat bent van je eigen gerechtigheid en of je al leert om in de gerechtigheid van Christus te vertrouwen en adem te halen? (…). Daarom lieve broeder, leer Christus kennen, en wel de Gekruisigde; leer zingen tot Zijn lof en – uit wanhoop over jezelf – tot Hem te spreken: U Heere Jezus, bent mijn gerechtigheid, maar ik ben Uw zonde; U hebt op U genomen wat van mij is en mij gegeven wat van U is; U bent geworden wat U niet was en hebt mij gegeven wat ik niet was. Amen. Wacht je ervoor dat je niet naar een leven zonder zonden zoekt; dat je niet als zondaar voor God wilt verschijnen of helemaal geen zondaar wilt zijn. Want Christus woont alleen in zondaren; daarom is Hij uit de hemel – waar Hij alleen in rechtvaardigen woonde – op aarde gekomen, opdat Hij ook in zondaren zou wonen. Overweeg deze Liefde altijd opnieuw in je hart en je zal Zijn alles-te-boven-gaande zoete troost ervaren. Daarom kan je alleen in Hem vrede vinden! Leer dat Hij, zoals Hij jou aangenomen en jouw zonden tot Zijn zonden gemaakt heeft, Hij ook Zijn gerechtigheid tot de jouwe gemaakt heeft. Aan George Spenlein, 8 april 1516, Verg. W.A. Br. 1, S. 35 (verkorte weergave).

 

 

155. Ontdekkend gebed

Uw Naam worde geheiligd! [Matt. 6, 9]. Daarom heb ik ook gezegd dat deze woorden niet alleen een bede maar ook een heilzame lering en ontdekking zijn van ons ellendige en verdoemelijke bestaan op aarde en de mens neerwerpt en hem verootmoedigt. Want als wij bidden, dat Zijn Naam in ons zal geheiligd worden…, volgt daar uit dat Hij nu nog niet heilig is in ons, want als Hij heilig was in ons zou het niet nodig zijn hierom te bidden. Daar volgt nog verder uit dat als wij het onteren, lasteren, ontheiligen en ontwijden van Gods Naam met ons eigen gebed en mond bekennen, dat wij dan godslasteraars zijn. Nu weet ik in de hele schrift geen leerstuk dat ons leven en bestaan krachtiger en meer bespot en veracht dan dit gebed. Wie zou toch niet gaarne spoedig sterven en dit leven haten – als hij althans Gods Naam lief zou hebben! – wanneer hij met zijn hart overweegt dat gedurende zijn hele leven Gods Naam en eer gelasterd wordt? Ausl. d. Vaterunsers für die einfältigen Laien, 1519, vgl. W.A. 2, 92, 12 – 26.

   

 

156. Nog niet geheiligd

Uw Naam worde geheiligd! [Matt. 6, 9]. Zie zó leert je het ‘Onze Vader’ eerst je grote verderf en ellende, dat je een godslasteraar bent, zodat je voor je eigen gebed schrikken moet, want het is waar dat je Gods Naam nog niet geheiligd hebt! Het is ook waar dat wie Gods Naam niet heiligt, dat die Gods Naam ontheiligt! Daarna moet het ook waar zijn, dat het onteren van Gods Naam een zware zonde is en – als God naar recht zou richten – het eeuwige vuur verdient. Waar wilt je dan heen? Je eigen gebed bestraft je, het is tegen je, het overtuigt je en het klaagt je aan. Je bent gevallen, maar wie zal je oprichten? Merk nu ten andere op: als je hart verslagen en door de kennis van je ellende vernedert is, dat dan ook de troostleer van dit gebed komt, om je moed in te spreken. Dat is: dit gebed leert dat je niet wanhopig moet worden maar God om genade en hulp mag bidden. Daarom moet je zeker zijn en vast geloven, dat Hij je dit gebed gegeven heeft omdat Hij je verhoren wil! Alleen die houdt God voor goed, die belijden dat zij Gods Naam onteren en ernstig begeren dat die Naam geheiligd zal worden. Maar die op hun geweten vertrouwen en het er niet voor houden dat zij Gods Naam onteren, voor hen is het niet mogelijk dat zij behouden worden want ze zijn nog te gerust en te zeker, te hoogmoedig en te goddeloos. Zij behoren nog niet bij degenen, tot wie Christus zegt: Komt herwaarts tot mij, gij allen die vermoeid en beladen zijt; ik zal u rust geven. [Matt. 11, 28]. Ausl. d. Vaterunsers für die einfältigen Laien, 1519, vgl. W.A. 2, 93, 20 – 94, 4.

 

 

157. Alleen door lof en eer

Uw Naam worde geheiligd! [Matt. 6, 9]. Ach lieve Vader, Uw Naam worde geheiligd in ons, dat is: Ik belijd dat ik Uw Naam – helaas! – vaak ontheiligd heb, en nog ontheilig en laster door mijn hoogmoed – door mijn eigen eer en naam te zoeken – daarom, geef Uw genade en help mij, zodat ik en mijn naam ondergaan en tot niets worden, opdat U alleen en Uw Naam – Uw lof en eer – in mij zijn en blijven. Amen. Ik hoop dat je nu verstaat en weet dat de woordjes ‘Uw Naam’ zoveel betekenen als ‘Uw eer, Uw lof’, want een goede naam betekent in de Schift ‘eer of lof’, zodat dit gebed niet anders begeert, dan dat Gods eer vóór alle, boven alle en in alle dingen gezocht en bedoeld wordt. Ons gehele leven moet altijd en alleen tot Gods eer strekken; niet tot ons nut, ook niet tot onze zaligheid of iets anders, hetzij tijdelijk of eeuwig. Daarom is dit de eerste bede! Want Gods eer is het eerste, het laatste en het hoogste dat wij Hem geven kunnen en Hij verlangt of begeert ook niets meer. Wij kunnen Hem ook verder niets geven, want alle andere goederen geeft Hij ons, de eer behoudt Hij echter voor Zichzelf, opdat wij erkennen, zeggen, zingen, leven, werken, alles doen, lijden en betuigen, dat alle dingen zijn van, voor en tot Hem, opdat bestaan en blijven zou het woord van Psalm 111 [3]: Wat Hij verordent, is loffelijk en heerlijk, en Zijn gerechtigheid blijft eeuwig. Ausl. d. Vaterunsers für die einfältigen Laien, 1519, vgl. W.A. 2, 94, 5 – 24.

 

 

158. Wee mij dat ik een vreemdeling ben

Uw Rijk kome! [Matt. 6, 10]. Deze bede mag ons wel vernederen omdat wij daarmee openlijk bekennen dat God Rijk nog niet tot ons gekomen is! daaruit volgen ten eerste: dat we nog verstoten in ellende, onder gruwelijke vijanden verkeren en ten tweede: dat wij beroofd zijn van het allerliefste Vaderland. Het eerste verlies is dat God de Vader door ons van Zijn heerschappij en Zijn Rijk in ons beroofd is, alsof Hij een Koning zonder land is en Zijn heerlijke Naam door ons bespot wordt; dat moet verdriet en pijn doen bij allen die God liefhebben. Indien Hij dit streng wilde straffen, zouden wij terecht als vijanden en verraders van Zijn Rijk verdoemd moeten worden. Het tweede verlies – tot onze eigen schade –  is dat wij nu in ballingschap, in een vreemd land door sterke vijanden gevangen gehouden worden. Want zoals het vreselijk en ontzettend zou zijn als een kind van een koning door de vijanden gevangen werd gehouden in een vreemd land, en daar tenslotte een schandelijke dood moest sterven…, hoe veel meer is het droevig te beklagen dat wijzelf onder de boze geesten en duivelen in deze wereld allerlei gevaren doorstaan naar ziel en lichaam en ten slotte de eeuwige dood elk ogenblik moeten verwachten, zodat iemand terecht voor zijn leven meer dan voor zijn dood mocht vrezen. Ausl. d. Vaterunsers für die einfältigen Laien, 1519, vgl. W.A. 2, 95, 10  – 96, 5 [verkort]

 

 

159. Christus regeren in ons

Uw Rijk kome! [Matt. 6, 10]. Het Rijk van God is een Rijk van gerechtigheid en waarheid waar Christus van zegt in Mattheüs [6, 23]: Zoekt eerst het Rijk van God en zijn gerechtigheid. Wat is Gods gerechtigheid of de gerechtigheid van Zijn Rijk? Dat is als er geen zonde meer in ons heerst maar al onze leden, kracht en kennis God onderdanig en tot Zijn dienst bereid is, zodat we met Paulus kunnen zeggen: Ik ben met Christus gekruisigd; ik leef wel, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; want wat ik nu leef in het vlees, dat leef ik door het geloof aan Zoon van God, die mij liefgehad, en Zichzelf voor mij heeft overgegeven. [Gal. 2, 20]. En in de eerste brief aan de Korintiërs [6, 19 – 20]: Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is, Dien gij van God hebt, en dat gij u zelven niet toebehoort? Want gij zijt duur gekocht; zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest welke Godes zijn. Alsof hij zegt: ‘Christus heeft u gekocht door Zichzelf, daarom zult u van Hem zijn en Hem in u laten leven en regeren.’ Die regering kan alleen in ons zijn, als de zonde niet in ons regeert, maar Christus met Zijn genade. Daarom is Gods Rijk niet anders dan vrede, goedheid, ootmoed, kuisheid, liefde en allerlei deugden en dat er geen boosheid, haat, bitterheid, onkuisheid en meer van zulke zonden in ons heersen. Ausl. d. Vaterunsers für die einfältigen Laien, 1519, vgl. W.A. 2, 97, 19  – 31.

 

Uw Rijk kome! [Matt. 6, 10]. Er zijn grote dwalingen als het gaat over Gods Rijk! De eerste is wel: alles doen om vroom te worden, tot Gods Rijk te komen en zalig te worden. De ene gaan naar Rome de ander naar St. Jacob,*) deze bouwt een kapel, die sticht weer een gewijde plaats. Helaas, waar het om gaat kunnen ze niet begrijpen! Dat is dat zij hun hart aan God moeten geven en zelf Zijn Rijk worden! Zij doen wel heel veel uitwendige werken en kunnen echt prachtig huichelen, maar blijven toch inwendig vol verkeerde streken, toorn, haat, hoogmoed, ongeduld, onkuisheid en ga zo maar door. Het was tot hen dat Jezus – als Hem gevraagd was wanneer Gods Rijk zou komen – zegt: Het Rijk Gods komt niet met uiterlijke vertoning; men zal ook niet zeggen: ‘zie hier’, of: ‘daar is het’. Want zie, het Rijk Gods is inwendig in u. [Luk. 17, 20]. Zoals Hij ook in Mattheüs [24, 23] zegt: Zo iemand alsdan tot u zeggen zal: ‘zie, hier is de Christus, of dáár, zo gelooft het niet’, want het zijn valse profeten. Alsof Hij zegt: ‘Als je wilt weten waar het Rijk van God is, dan hoef je niet ver te zoeken en het hele land af te lopen. Het is dichtbij, het is niet alleen dichtbij maar in je, wanneer tucht, ootmoed, waarheid, kuisheid en alle deugden – dat is het echte Rijk van God –  in je zijn. Niemand hoeft het over land of zee te halen, maar het moet in het hart komen.’ Daarom bidden wij niet: Lieve Vader laat óns komen tot Uw Rijk, want dan moesten wij er zelf heen lopen, maar Uw Rijk kome tot óns! Ausl. d. Vaterunsers für die einfältigen Laien, 1519, vgl. W.A. 2, 98, 4  – 28.

 

 

160. Hemelzoekers

Uw Rijk kome! [Matt. 6, 10]. Velen die dit bidden willen alleen maar zalig worden en verstaan onder het Rijk van God niets anders dan de vreugde en blijdschap van de hemel. Hun vleselijke verstand kan immers niets anders verzinnen! Zij zijn bang voor de hel en willen graag naar de hemel. Ze weten niet dat het Rijk van God niets anders is dan godvrezend, eerbaar, rein, milddadig, zachtmoedig, goedertieren…, en vervuld te zijn met alle genade en deugd, zodat God het Zijne in ons vindt en Zelf in ons woont, leeft en regeert. Dat moeten we eerst en meest zoeken, want dat is in waarheid zalig zijn, wanneer God in ons regeert en wij Zijn Rijk zijn. De vreugde en blijdschap en alle andere dingen, hoeven we echter niet te zoeken, te bidden of te begeren, want die komen vanzelf en volgen het Rijk van God. Wanneer je goede wijn drinkt – het kan niet anders! – dan geeft dat vanzelf een blij en vrolijk hart. Veelmeer moeten wanneer genade en deugt – het Rijk van God – in ons zijn, natuurlijk en ongedwongen, vreugde, vrede, zaligheid en alle blijdschap volgen. Daarom zegt Christus – zodat we onze zelfzuchtige ogen afwenden – dat we niet de vreugde en blijdschap van het Rijk van God, maar het Rijk van God zélf moeten zoeken. Velen zoeken het laagste eerst en het hoogste achten zij niet, of het moest omwille van het laagste zijn. Daarom krijgen ze niets! Ze willen het begin niet, daarom zullen ze ook het einde niet krijgen. Ausl. d. Vaterunsers für die einfältigen Laien, 1519, vgl. W.A. 2, 98, 29  – 99, 10.

 

 

161. De hele wereld bekeren

Uw wil geschiede op de aarde als in de hemel! [Matt.6, 10]. Onze verkeerde wil moet niet geschieden, maar ook moet onze goede wil niet geschieden. Zoals de wil van David om de tempel te bouwen goed was, omdat hij voor God een tempel wilde bouwen en God hem daarom prijst, maar God toch niet wil dat het geschiedt. Christus – Die alleen goed en heilig is – wil dat de drinkbeker aan Hem zal voorbijgaan en toch moest Zijn goede wil niet geschieden. Indien je de hele wereld wilt bekeren, doden opwekken, zieken genezen, jezelf en iedereen in de hemel brengen en alle wonderen uit Gods Woord verrichten…, dan moet je toch niet één daarvan willen, tenzij je jouw wil aan Gods wil onderwerpt en tot niets maakt. Daarom moet je bidden: Mijn lieve Heere God, dit en dat denkt mij goed en naar Uw wil te zijn, behaagt het U zo geschiede het, behaagt het U niet zo geschiede het niet. God breekt heel vaak de goede wil in Zijn heiligen, zodat zij leren dat hun wil – hoe goed die ook wezen mag! – onmetelijk veel geringer is dan Gods wil, daarom moet een geringe goede wil terecht wijken en tot niets worden voor de allerhoogste en onbegrijpelijke goede wil van God. Ausl. d. Vaterunsers für die einfältigen Laien, 1519, vgl. W.A. 2, 103, 20.  

 

 

162. Kerkstrijd

Uw wil geschiede op de aarde als in de hemel! [Matt.6, 10]. Ook onze goede wil en goede bedoelingen moeten in ons verhinderd worden, opdat ze aan Gods wil onderdanig en gelijkvormig zouden worden, zolang totdat de mens lijdzaam, willoos en niet méér doet, dan dat hij op Gods wil wacht. Zie dat is de echte gehoorzaamheid, die helaas in onze tijd geheel onbekend is! Nu moeten die nutteloze zwetsers maar heengaan, die de hele Christenheid vol gepreekt hebben en bijna van alle kansels roepen, hoe je een goede wil, goede mening en goede voornemens hebben en maken moet, en als je dat doet…, dat dan zeker alles goed met je is! Hiermee doen ze niet anders dan eigenwillige, eigenzinnige en eigengerechtige geesten kweken die altijd tegen Gods wil strijden, die hun eigen wil niet begeren te breken of te onderwerpen; want ze denken dat hun mening en wil de beste is en gebeuren moet. Alles wat tegen hun wil ingaat – denken ze – is van de duivel en niet van God. Zie, zo groeien de wolven-in-schaapskleren op – de hoogmoedige heiligen – de schadelijkste mensen op aarde! Hierdoor komt het dat de ene bisschop tegen de andere, de ene kerk tegen de andere; dat geestelijken, monniken en nonnen vechten, haten en strijden, en dat er overal twist en tweedracht is. Ieders partij zegt toch dat zij een goede wil, het juiste standpunt en een godzalig oogmerk hebben, en zó – alsof het tot lof en eer van God zou zijn – doen zij alleen maar duivelswerk! Ausl. d. Vaterunsers für die einfältigen Laien, 1519, vgl. W.A. 2, 104, 5 – 20.

 

 

163. Tegen jezelf bidden

Uw wil geschiede op de aarde als in de hemel! [Matt.6, 10]. Nu zie jezelf dat God in dit gebed ons leert om tegen onszelf te bidden en daarbij zegt dat wij geen grotere vijand hebben dan onszelf. Dat onze wil iets machtigs is in ons en dat wij daartegen moeten bidden: ‘O Vader, laat mij nooit overkomen dat mijn wil gebeurt; breek mijn wil, voorkom mijn wil – het ga zo het ga – dat het met mij niet naar mijn wil, maar naar Uw wil gaat; want in de hemel is maar één wil, daar is geen eigen wil, dat het ook zo mag zijn op aarde.’ Als dit gebeden wordt moet onze natuur lijden, want de eigenwil is het diepste en hoogste kwaad dat in ons is, en niets is er wat ons liever is dan onze eigen wil. Daarom wordt met deze bede niet anders gevraagd dan om kruis, vervolging, tegenspoed en lijden, ja alles wat dienen moet om onze wil te verhinderen. Daarom als eigenwillige mensen dit eens goed overwogen, hoe zij hier alleen tegen hun eigen wil bidden, dan zouden zij dit gebed niet zo mooi meer vinden maar er voor schrikken. Ausl. d. Vaterunsers für die einfältigen Laien, 1519, vgl. W.A. 2, 105, 1 – 16.

 

 

164. De verdorven wil

Uw Naam worde geheiligd! Uw Koninkrijk kome! Uw wil geschiede op de aarde als in de hemel! [Matt. 6, 9 – 10]. Laat ons de  eerste drie beden eens bij elkaar voegen! Dan is de eerste dat Gods Naam geëerd wordt, en dat Zijn lof en dank in ons zij. Maar daartoe kan niemand komen of hij moet godvrezend en in Gods Rijk zijn, want de doden en zondaren willen God niet loven, zoals David zegt in Psalm 6 [6]: Want in de dood gedenkt men U niet; wie zal in het graf U danken? Want er is niemand godvrezend of zijn zonden zijn vergeven. Je zonden worden vergeven wanneer jouw wil met wortel en tak uitgeroeid wordt en alleen Gods wil in je overgebleven is. Want als de wil die het hoofd en de bevelhebber is van het gehele lichaam niet meer onze en niet meer goddeloos is, dan is ook het hele lichaam niet meer onze en niet meer goddeloos. Daarom grijpt dit gebed de zonde aan bij de kop en niet zomaar bij een hand of een voet, maar bij onze verdorven wil, dat is de aanvoerder van de zonde en de ware booswicht.  Ausl. d. Vaterunsers für die einfältigen Laien, 1519, vgl. W.A. 2, 105, 17 – 27.

 

 

165. Christus onze vrede

Uw wil geschiede op de aarde als in de hemel! [Matt.6, 10]. Maar hoe moet dan toch Gods wil geschieden? God geeft ons veel ongeluk en heeft daarbij geen andere troost gelaten dan Zijn Heilig Woord, zoals Christus ons beloofd heeft in het heilig Evangelie van Johannes: Dit heb ik tot u gesproken, opdat gij in mij vrede hebt. In de wereld hebt gij angst; maar hebt goede moed, ik heb de wereld overwonnen. [Joh. 16, 33]. Daarom wie zich wil overgeven en er in berusten dat Gods Rijk in hem komt en dat Gods wil geschiedt, die moet maar niet proberen te ontkomen of te ontvluchten want het zal niet anders zijn, dan dat Gods wil wél geschiedt en jouw wil niet geschiedt. Dat betekend hoe meer tegenheden je hebt, hoe meer Gods wil geschiedt en dat zeker bij het sterven. Het is zo bij God besloten en niemand kan het veranderen, dat in de wereld onvrede en in Christus onze vrede is. Ausl. d. Vaterunsers für die einfältigen Laien, 1519, vgl. W.A. 2, 106, 20 – 30.

 

 

166. Papieren geloof

Wij prediken het geloof, maar niet allen die het horen verstaan het, want zij nemen het woord niet anders aan als het papier waarop het geschreven staat het aangenomen heeft en zoals de beker en de schaal bij het avondmaal het lichaam en bloed van Christus aannemen. Het papier doet niet méér; het bewaart de woorden heel goed en geeft ze door aan anderen maar blijft toch slechts papier. Zo kunt je ook de aller-zoetste woorden van het ene papier op het andere schrijven, en de ene tong kan het van de andere overnemen, maar het hart blijft er buiten want het is tongenwerk en blijft tongenwerk. Op deze manier nemen de mensen deze hoogste Schat alleen tot hun eigen schade aan en denken dat zij Christenen geworden zijn! Het papier zou echter in zekere zin ook kunnen zeggen: het is zeker dat ik de Schrift in mij heb daarom zal ik ook in de hemel komen en zalig worden…, maar tenslotte komt het vuur en verbrandt het papier!  Predigten des Jahres 1530, vgl. W.A. 32, 265, 10 – 266, 5.

 

 

167. Een Licht zo groot zo schoon

Zó groot moet dat Licht – dat Hij mijn Heiland is – voor mij zijn, dat ik zeggen kan: Maria, dit Kind is niet van u, het is niet alleen voor u geboren maar ook voor mij. U bent de moeder en mag het in uw armen dragen en in doeken wikkelen, maar de Schat die u hebt komt mij ook toe, dat is mijn blijdschap dat ik weet dat niemand mij beter kan helpen dan het Kindje dat u in uw schoot hebt! O, dat de mens voor dit Kindje al het zijne zou afleggen; dat alles duister en zwart, ja, alles op aarde gering en verachtelijk zou worden, zodat de hemel met alle haar sterren en de aarde met al haar schatten haar luister zouden verliezen. Zover moet het met ons komen – in‘t kort gezegd – dat alles duisternis wordt buiten dit Kind en dat we verder niets meer verstaan of horen willen dan alleen de prediking van de engelen: Vreest niet; zie, ik verkondig u grote vreugde; want u is heden de Heiland geboren, Die Christus de Heere is [Lukas 2, 10 – 11].  Predigten des Jahres 1530, vgl. W.A. 32, 265, 1 – 10.

 

 

 

168. Ere zij God in de hoge!

De engelen zingen en loven: Ere zij God in de hoge! Dat is iets dat wij niet verstaan kunnen, maar we moeten het geloven. Wanneer wij zullen opstaan uit de dood dan pas zullen we zien wat we nu geloven. We zijn nu veel te schor en hebben geen goede stem maar ondanks dat willen we ook proberen mee te brommen zo goed we maar kunnen: Ere zij God! Daarop is het hart van de engelen gericht want ze zoeken alleen de eer van God. Dat is hun leven, daarin is hun zaligheid. Zij doen niet dan roepen: heilig, heilig, heilig, zoals Jesaja zegt [Jes. 6,3], ere, ere, ere, en kunnen van het loven en zingen niet genoeg krijgen. Wanneer wij die woorden horen denken wij ‘eer’ is maar een gering woord; ‘God’ is ook maar een gering woord, daarom is dit lofgezang maar een geringe zaak, en worden het spoedig zat; hoe vaak hebben wij dit al niet gehoord! Dat we zo denken komt omdat we het niet verstaan. Geen mens kan een engelenhart doorgronden en zeggen wat ‘ere’ betekent; het is een eeuwig gezang dat tot in eeuwigheid duurt! Predigten des Jahres 1543, vgl. W.A. 49, 265, 10 – 25.

 

 

169. Worden als de kinderen

We willen toch de rede overwegen waarom men de kleine kinderen niet voor gelovigen houdt. Zij zeggen: omdat ze nog niet tot hun verstand gekomen zijn kunnen zij Gods Woord niet horen, want waar Gods Woord niet gehoord wordt daar is ook geen geloof: het geloof komt door het horen en het horen door Gods Woord [Rom.10, 17]. Maar zeg mij, is het ook Christelijk gesproken wanneer je Gods werk naar ons verstand beoordeeld? Zullen de kinderen niet geloven omdat zij nog niet tot hun verstand gekomen zijn? Bent u door uw verstand niet veeleer van het geloof vervallen? Kunnen de kinderen misschien niet juist vanwege hun onverstand tot geloof komen? Lieve mensen! Wat doet het verstand voor goed aan het geloof en aan Gods Woord? Is het niet het verstand dat het geloof en Gods Woord op het allerergste weerstaat? Zodat niemand tot het geloof kan komen of het verstand moet blind en tot schande worden? Moet niet de mens – wanneer hij ooit gelovig worden en Gods genade ontvangen zal – het verstand afsterven en een zot worden, ja, zo dwaas en onverstandig worden als geen klein kind is? zoals Christus spreekt: Wanneer u niet verandert en wordt als de kinderen, zo zult gij niet in het Hemelrijk komen [Matth. 18, 3]. Fastenpostille 1525, vgl. W.A. 17.2, 84, 25 – 85, 3.

 

 

170. Mozes geen Christus

U mag van Christus geen ‘Mozes’ maken! Alsof Hij niet meer deed dan leren en een voorbeeld geven en alsof het Evangelie een leer- of wetboek zou zijn. Daarom moet u het Woord, het werk en het lijden van Christus met onderscheid verstaan: niet alléén als een voorbeeld dat u moet volgen en beoefenen, zoals Petrus zegt: Christus heeft voor ons geleden en ons een voorbeeld nagelaten [1 Petr. 2, 21]; zodat als u ziet dat Hij bidt, vast en de mensen liefdevol helpt, dat u dat dan zelf ook zó doet en ook zó handelt tegenover uw naaste. Dit is nog maar het minste stukje van het Evangelie, daarom hoeft het zelfs nog geen Evangelie te heten, want daarmee is Christus u van niet meer nut dan een andere heilige. Om het maar kort te zeggen: hiervan komen geen christenen maar huichelaars! Hoewel dit al voor lange tijd de allerbeste manier van preken – maar dan nog zeldzaam! – geweest is, moet het nog heel wat hoger met u komen! De grondleer van het Evangelie is: dat u Christus vóórdat u Hem als Voorbeeld aangrijpt, eerst aanneemt en belijdt als een Gave en een Geschenk dat u door God is gegeven, zodat als u ziet en hoort dat Hij iets doet of lijdt, u dan niet twijfelt of Christus Zelf – mét dit doen en lijden – is uw Eigendom, waarop u zich zó verlaat, alsof u het zelf gedaan hebt, ja, alsof u Christus Zelf zou zijn.*  Ein klein Unterricht, 1522, vgl. W.A. 10.1.1, 10, 20 – 11, 18. 

Geselecteerd en vertaald door de heer H. Van Woerden (sr) uit Lunteren