In Mozes gedoopt

Posted by admin | | maandag 16 mei 2011 10:38 am

En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn; En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee; En allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben; En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus. Maar in het meerder deel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen, 1 Kor. 10:1-5.

 

Geliefden, alvorens ik enkele gedachten over dit Schriftgedeelte hoop te zeggen, wil ik u nogmaals herinneren aan hetgeen we de vorige keer geschreven hebben over Exodus 20 vers 1, hetgeen handelde over de wetgeving bij de berg Sinai. Hierbij schetsten we telkens de vergelijking dat het aardse bondsvolk Israel een beeld is van het geestelijk verkoren Israel dat eenmaal zalig zal worden. We hebben daar enkele dingen over gezegd, maar misschien mogen we daar nog enkele gedachten aan toevoegen. Wanneer we dan letten op welke overeenkomsten deze twee bijzondere volkeren, waarop de gehele wereld drijvende en draaiende is, vertonen. 

 

Jezus Christus

De zaligheid is uit de Joden, Joh. 4:22, Matth. 2:2. Maar ook uit de geestelijke Joden. Christus is uit het aardse volk Israel geboren, maar ook geestelijk geboren uit/in het geestelijk verkoren Israel, Joh. 3:6b, Matth. 19:28, 1 Joh. 3:9, 1 Joh. 4:7, 1 Joh. 5:1-18, Titus 3:5, Jac. 1:18, Openb. 12:1-13.

 

Tarwe en Onkruid

Het aardse Israel bestond uit tarwe en onkruid, het geestelijke Israel uit enkel tarwe dat moet opgroeien met het onkruid, Matth. 13:30.

 

Verlossing uit diensthuis van slavernij

Het aardse bondsvolk Israel werd verlost middels een weg van bloedstorting en gerechtigheid, het geestelijke Israel precies eender, 2 Kor. 1:10, Gal. 3:13, 1 Thess. 1:10. Israels’ behoudenis en verlossing lag verklaard in het gestreken bloed aan de deurposten, en het eten van het vlees van het geslachte en gebraden paaslam. Geen klauw zou er van dat volk in dat vervloekte diensthuis achterblijven. Zo ook bij het geestelijke Israel, Joh. 6:53, Matth. 26:28, Joh. 19:34, Rom. 3:25, Efeze 1:7, Kol. 1:14, Hebr. 9:22, 1 Joh. 5:6.

 

Zelfde heiliging

Het aardse bondsvolk is apart gezet en geheiligd van alle volkeren op aarde, zo ook het geestelijk verkoren Israel, Num. 23:9, Lev. 21:8, Deut. 33:28, Jer. 49:31, 1 Petrus 1:14-16. 

 

Zelfde Leidsman

Het aardse bondsvolk werd des daags geleidt door de wolkkolom en des nachts door de vuurkolom. Zo ook het geestelijk verkoren Israel door de verworven Geest van Christus, Gal. 5:18, 1 Kor. 2:14, Mark. 4:11, Rom. 8:4-11, Hebr. 12:2, Openb. 7:17.

 

Zelfde opwas

Christus geboren uit het volk der Joden. En het Kindeken wies op, en werd gesterkt in den geest, en vervuld met wijsheid; en de genade Gods was over Hem, Lukas 2:40. Zo ook het geboren Kindeke Jezus in het hart van het verkoren Israel. Ook zij wassen op de in kennis van Christus en van Goddrie-enig, en worden gesterkt en getroost door dezelfde Geest van Christus. De apostel Johannes spreekt van kinderen, jongelingen en vaders in de genade, 1 Joh. 2:12-14. De discipelen waren in hun omgang met Christus op aarde nog geestelijke kinderen, Joh. 21:5, 1 Petrus 2:2, en konden toen geestelijk nog niet dragen/verstaan, wat zij later wel konden dragen/verstaan, Joh. 16:12, Matth. 13:31-32.

 

Zelfde onderwijs in de woestijn des levens

Na hun verlossing werd het aardse bondsvolk Israel door God onderwezen in wet en evangelie, door de dienst van de tabernakel. God kwam onder/bij Zijn volk wonen, daartoe moest Israel zich heiligen, zo ook het geestelijke Israel. Gods heilige wet moest in de ark des verbonds gelegd worden, met daarboven het gouden verzoendeksel. Israel moest onderwezen wat deze zaken betekenden, zo ook het geestelijk verkoren Israel. Het geestelijke Israel moet onderwezen worden in hetgeen ze in Christus ontvangen hebben, HC zondag 8 t/m HC zondag, opdat ze door die vermeerdering van kennis hun roeping en verkiezing ten opzicht van hunzelf vast mogen maken, naar 2 Petrus 1:10 (met kant.), om vervolgens vanuit de baten des geloofs te mogen leven, HC zondag 23, Kol. 2:2-7, 2 Petrus 1:5-9. “Want dat doende zullen zij nimmermeer struikelen….”

 

Zelfde Doop

Het aardse bondsvolk Israel werd na hun verlossing uit diensthuis van Egypteland gedoopt in de Rode Zee en in de rivier de Jordaan, 1 Kor. 10:2, waardoor zij droogvoets heentogen. In dit badwater stond telkens de ark des Verbonds in het midden. Die beiden wateren hadden ook dezelfde bron, namelijk de berg Hermon. Zo ook het geestelijke Israel. Een ieder die in en door die Meerdere Jozua het geestelijke Kanaan wil beërven, moet gedoopt worden in het badwater der wedergeboorte, dat zijn oorsprong heeft in het eeuwige Vaderharte Gods, Hand. 2:38, Hand. 8:12, Hand. 10:47, Hand. 16:32-34, Titus 3:5.

 

Zelfde getuigenis

Beide volkeren getuigen van dezelfde God Die door het bloed van het onschuldige geslachte Paaslam zeer machtig was/is om te verlossen, Ex. 13:5-8, Num. 11:27-29, Lukas 1:46-54, Lukas 1:67-79, Lukas 2:10-20, Lukas 2:28-32, Joh. 4:29, Joh. 9:38, Lukas 24:46-52, Hebr. 11:39, 1 Joh. 1:2, 1 Joh. 4:14, 1 Joh. 5:10.

 

Zelfde vijanden en verdrukkingen

Ook het aardse Israel moest kampen tegen de driekoppige vijand, namelijk satan, wereld en eigen vlees. Zo ook het geestelijke Israel. Wat heeft de satan dit volk niet vervolgd door andere volken tegen Israel op te hitsen, (tot op de dag van heden) denk aan de kindermoord in Egypte, de kindermoord in Bethlehem. Denk ook aan de duivelse list van Bileam die het volk Israel wilde vloeken. Het draaide alles om dat ene Kind dat geboren moest worden om Zijn volk te verlossen van hun zonden. Christus is in de woestijn door de duivel verzocht, zo wordt ook de geestelijk geboren Christus in Zijn geestelijk verkoren Israel vervolgd in de woestijn des levens, Openb. 12:4-6. In de woestijn moest Israel kampen met vele vijandige volkeren, zo ook het geestelijke Israel, Matth. 24:9, Joh. 16:33, Joh. 17:14, Hand. 14:22, Rom. 8:35. Het aardse bondsvolk moest onder leiding van Jozua in Kanaan zijn vijanden uitroeien. Zo ook het geestelijk verkoren Israel die door de verworven Geest van die Meerdere Jozua tegen hun vijanden moeten strijden en dienen uit te roeien, vergelijk Rom. 8:13,   

 

Zelfde erfenis en thuiskomen

Door de beloofde Messias Die komen zou, zou het volk Israel het land Kanaan beërven. Zo ook het geestelijke Israel, dat in Jezus Christus hun eeuwig thuiskomen zal hebben, Matth. 19:29, Gal. 4:30, Openb. 21:1-7.

 

http://www.dewoesteweg.nl/wp-content/uploads/2009/03/gods-belofte-aan-abraham-izak-en-jacob.pdf 

 

 

Deze reeks zouden we nog wel verder kunnen uitbreiden, maar u bemerkt zeker wel dat we om deze dingen niet heen kunnen. De vorige keer wilde ik een kanttekening maken, door met een tegenwerping te komen vanuit 1 Korinthe 10:1-5, over dat het niet alles Israël was wat Israël heette. Het stuk had wellicht te lang geworden wanneer ik hier uitgebreid op in was gegaan. Daarom wilde ik bij deze die tegenwerping maken, door vanuit 1 Kor. 10:1-5 op te merken dat de apostel nu de gestichte kerk uit de heidenen vergelijkt met het volk der Joden. Is dit dan niet tegenstrijdig met de beelden die ik u juist voorschilderde? Nee, want gelijk Mozes een vertegenwoordiger was van Gods heilige wet, zo was hij ook een beeld van de Middelaar Jezus Christus wanneer hij bemiddelde en bad voor zijn volk. Onder leiding van Mozes werd Israel uitgeleid uit haar diensthuis, hierin was Mozes een type van Christus. Telkens moeten we deze beelden los van elkaar zien. Maar wanneer Mozes het volk Israel gebracht heeft tot aan de grenzen van het land Kanaan, dan is hij weer een type van de tucht der wet. Wanneer we het op deze wijze beschouwen, dan leidde Mozes het volk tot aan de grens, maar Jozua leidde het volk binnen de grenzen van het beloofde land Kanaan. Het overwinnen van Israëls vijanden is in dit beeld weer een type van de heiligmaking in en door de verworven Geest van Christus. Israël overwon haar vijanden niet in eigen kracht, maar door Gods kracht onder leiding van Jozua. Geestelijk is dat wezenlijk niet anders, wanneer de apostel ons het volgende in Rom. 8 vs 13 opmerkt: Want indien gij naar het vlees leeft, zo zult gij sterven; maar indien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zo zult gij leven.  De werkingen des lichaams, ons verdorven vlees wat hunkert naar de zonden en daarmede krijg voert tegen onze verloste ziel, is immers een van onze grootste vijanden. Wanneer we dan bezien hoe het Israël verging toen het zondigde in zijn strijd tegen de Kanaanieten, bijvoorbeeld door de overtreding van Achan, dan vielen er vele doden, Joz. 6:18, Joz. 7:1-5. Al was het maar door de overtreding van ene Israëliet, dan ontstak Gods toorn tegen dit hele volk. Dit was de reden der apostelen waarom zij aan het einde van hun leerbrieven telkens opriepen om niet meer te zondigen, opdat de Geest van Christus niet van hen zou gaan wijken. Dit was dus geen dwangbevel maar een liefdesbevel, opdat de verloste heidenen hun verkregen vrijheden in Christus niet zouden gaan misbruiken ter wille van hun verdorven vlees. Ik hoop u hiermee te hebben aangetoond hoe en op welke wijzen het aardse bondsvolk Israël een beeld is van het geestelijk verkoren Israël, en hoe de apostel ditmaal vanuit 1 Korinthe 10 de gestichte kerk uit de heidenen vergelijkt met het aardse verloste volk Israel.

 

Wat ik hier kortelings nog over wil opmerken is, dat naar mijn bescheiden mening de leer van sommige kerkvaders én der reformatoren hierin enigszins is doorgeslagen, waardoor en waaruit uiteindelijk de vervangingsleer is ontstaan, waarin men beweerde dat de gestichte kerk uit de heidenen de plaats van Israel ingenomen heeft. Maar niets is minder waar! Sinds de wederopbouw en de oprichting van de staat Israel in 1948 is men hier langzaam maar zeker enigszins van terug gekomen, alhoewel de kerkelijke tradities, hierop gefundeerd, nog steeds gehandhaafd blijven. In dit laatstgenoemde beeld, over dat de gestichte kerk uit de heidenen een beeld is van het aardse volk Israel, worden er eigenlijk geen geestelijke beelden of lijnen ter vergelijking door de apostel getrokken. De apostel vergelijkt hier dus geen aards beeld met een geestelijk beeld, maar een aards beeld van het volk Israel met het aardse beeld van de situatie van de gestichte kerk te Korinthe. Voor alle duidelijk volgt hier nogmaals de tekst : “En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn; En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee; En allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben; En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus. Maar in het meerder deel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen, 1 Kor. 10:1-5.”

 

Hier schets de apostel het beeld van hoe feitelijk in de gemeente te Korinthe gesteld is. Alhoewel hij deze zendbrief aanheft met het opschrift van; Aan de Gemeente Gods, die te Korinthe is, den geheiligden in Christus Jezus; maakt de apostel Paulus hier openlijk toch zijn vrees kenbaar. Wat is er dan gebeurd, en waarom dan toch deze ernstige vermaning? Zij waren toch allen gelovig en gedoopt, en namen toch deel aan de brekingen des broods? Misschien mogen we nu even de zendbrief van Jacobus aanhalen, waarin de apostel schrijft: Toon mij uw geloof uit uw (liefde)werken, dan zal ik u mijn geloof tonen. De vermanende woorden van de apostel Paulus in zijn zendbrief aan de gemeente van Korinthe is van geen andere inhoud dan die van de apostel Jacobus, want het zaligmakende geloof wordt altijd gekend aan zijn vruchten en werken die gedaan worden in en door de verworven Geest van Christus. Lees hier in Gal. 5 vers 22 : Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. Kijk lezer, en dat is nu hetgeen de apostel niet waarnam in de gemeente van Korinthe. Integendeel, de apostel moest eerder de werken des vleses onder bespeuren, welke zijn overspel, hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid, Gal. 5:19-21. Hoe weten we dit dan zo zeker? Lees dan even het verband van onze tekst:

in vers 7 : En wordt geen afgodendienaars, gelijkerwijs als sommigen van hen,

in vers 8 : En laat ons niet hoereren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben,

in vers 9 : En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben,

in vers 10 : En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben.

 

Zie daar de toestand in de gemeente van Korinthe. Hieruit blijkt zeer duidelijk dat de apostelen en hun helpers geen hartenkenners en nierenproevers waren. Want, wanneer zij geweten hadden dat velen uit deze gemeente uiteindelijk van de tafel der duivelen zouden eten en tegelijk van de Tafel des Heeren, dan had men hen wellicht niet gedoopt. Kan een waar kind Gods dan niet tot deze dingen vervallen. Jawel, hij kan er wel in vallen maar niet in leven. En wat doet dan de apostel wanneer hij deze dingen over hen ter ore komt? Dan schrijft hij hen een vermanende zendbrief, die voor de kinderen Gods te Korinthe als een vernieuwende tuchtmeester tot Christus moest wezen. Hun verloste zielen betuigden met Paulus: Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde, Rom. 7:26. Maar met het vlees dien ik de wet der zonde, dit leefde de apostel in, maar de christenen te Korinthe begonnen dit uit te leven. Wat schreef de apostel ook alwaar in zijn Romeinenbrief over deze dingen…?? Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde? Dat zij verre. Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven? (Rom. 6:1-2). Telkens schrijft de apostel vanuit de bediening van Wet en Evangelie. Zij die in zonden leven bestraft hij naar hun zondige verdorven vlees, en zij die in Godsvrucht en Godzaligheid hun weg mogen gaan, die zegent en prijst hij. Maar ook vertroost hij hen die berouw kregen over hun begane schuld en gemaakte zonden, en vermaande hen in liefde om niet meer te zondigen. Hoe menigmaal schreef ook de apostel Johannes niet tot de gemeenten in Klein Azie : Mijne kinderkens, hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is, en zondigt niet…etc Johannes wist ook heel goed dat de vernieuwde natuur uit Christus niet zondigen kan, en dat de onvernieuwde natuur niet anders dan zondigen wil. Zij schreven tot het nut en geestelijk welvaren van hun gemeenten, beseffende dat wanneer zij naar hun vlees zouden wandelen, zij geestelijk stervende waren, maar wanneer zij door de Geest van Christus de werkingen des vleses zouden doden, zij geestelijk zouden leven. Door dit gevoelige leven konden zij opwassen in de kennis van God in Christus, en nader en dieper onderwezen worden in hun verlossing, 1 Petrus 2:2, Efeze 4:13-15. In deze dingen raakt een verloste zondaar immers nooit uitgeleerd, omdat in het eeuwige Wezen Gods geen einde te vinden is.

 

Ik hoop hiermee ook een weinig te hebben aangetoond dat, de apostelen elkaar nooit tegenspraken, maar allen in ene lijn spraken omdat zij alleen door Dezelfde Geest van Christus bediend en onderwezen werden. Ook zij hebben deze dingen immers door schade en schande moeten leren. Uit het taalgebruik van hun leerbrieven is duidelijk op te maken dat deze van een opwas in Christus getuigde. In de drie jaren dat zij met Christus op aarde wandelden, spraken zij wel degelijk dezelfde taal, maar nog niet de taal van een jongeling en/of vader in de genade. Uit hun leerbrieven is ook telkens op te maken dat de apostelen wensten dat hun gemeenten mochten opwassen in het geloof en de genade, gelijk zij geestelijk waren opgewassen in de genade. De apostel Paulus maakt hier dus ene vergelijk van de kerk te Korinthe met het volk Israël. Het beeld wat de apostel hier tekent, kan ook heel goed gebruikt worden voor de kerk uit de heidenen van de hedendaagse tijd. Altijd maar weer de toepassing maken op onszelf, lezer. De toepassing op de gemeente van Korinthe behoeven wij immers niet meer te maken, want die is reeds lang door God Zelf gemaakt. Toen kwam in dat hemels gericht openbaar wat waar en onwaar was, hetgeen schijn en zijn was, wat oprechtheid en geveinsheid was. De boom van de gemeente van Korinthe is daarom reeds lang gevallen, maar onze levensboom staat nog recht overeind. Hoe is daarom met u gesteld, m’n geliefde medereiziger naar de eeuwigheid? Bent u door uw doop ook apart gezet van de wereld, maar eet u ook nog van de tafel der duivelen, gelijk destijds de gemeente van Korinthe? Heeft u ook geloofsbelijdenis gedaan en misbruik gemaakt van uw kerkelijk recht, om als een onbesnedene van hart het brood der kinderen tot u te nemen? Hebben ze u misschien ook tot een ambtsdrager gebombardeerd, zonder dat God er vanaf wist? Hoe denkt u deze dingen dan straks voor Gods rechterstoel te kunnen verantwoorden…?? Laten we maar eerlijk zijn en bij onszelf blijven, lezer. Het zal toch wat wezen als ge anderen de Weg tot zaligheid hebt voorgehouden, die uzelf nooit bewandeld heeft. Het zal toch wat zijn anderen onderwezen te hebben, terwijl uzelf feitelijk nog niets weet, uw ogen nog blind zijn in hemelswegen, uw oren nog niet doorboord, en uw hart nog onbesneden. Ik noem nu maar een paar dingen waarom onze kerken gedoemd zijn naar de afgrond af te glijden, mits dat God het verhoedt. Weet u wat er gebeurt wanneer u een bedrijf hebt dat bestuurt wordt door mensen zonder kennis van zaken? Binnen de kortste keren bent u bankroet, en staat uw personeel zonder werk op straat. In onze kerken, die in de verte ook uit de heidenen zijn gesticht, is dat wezenlijk niet anders, lezer. Maar wie ziet het, wie zegt er wat van, wie protesteert hiertegen…?? Dan hebben we het nu alleen nog maar over kerkelijke en ambtelijke zonden. Misschien kunt u zelf een persoonlijke toepassing maken omtrent uw dagelijkse zonden, omtrent uw boezemzonden waarmee ge niet wenst te breken, en waardoor ge van de tafel der duivelen blijft eten. Al deze dingen zag de apostel ook in de gemeente van Korinthe. Daarom nogmaals zijn liefdevolle vermaning: “En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn; En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee; En allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben; En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus. Maar in het meerder deel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen, 1 Kor. 10:1-5.”

 

Ja lezer, de apostel betuigt hier eigenlijk het volgende: ‘gij hebt allen onder mijn prediking gezeten waarin ik u de kruisdood en heerlijke opstanding van Christus hebt verkondigt, zal het dan van u straks toch ook moeten gelden dat het voor de ene Korinthier een reuke des doods ten dode was en voor de andere een reuke des levens ten leve? Kijk dan eens hoe het Israel verging, zal dit dan van u straks ook moeten gelden? Gij hebt allen uw geloof beleden en bent daarom gedoopt, en door uw doop kreeg u een toegang tot de Tafel des Heeren, maar wat is nu de vrucht, en waar blijven nu de werken van uw geloofs…?? Het geloof wordt immers bevestigd vanuit de werken die verordineerd zijn van eeuwigheid. Misschien mag ik u een paar werken noemen van ware christenen uit Gods Woord. Denk eens aan Abel die God een liefdesoffer mocht brengen. Denk eens aan Noach die door het geloof werkte aan zijn ark der behoudenis die hij bouwen moest. Lees zelf maar verder in Hebr. 11. Maar denk ook eens aan de moedige Simson en Gideon, of aan de geloofsdaad van Rachab de hoer. De liefde tot God kan niet zondigen, lezer. Mag u daar iets van weten, lezer?

 

Eindigt de apostel zijn brief dan met deze woorden..?? Nee, want hij houdt hen nog steeds voor de geheiligden in Christus. En tot hen zegt hij, gelijk God tot Zijn verloste Israel sprak, laat toch bij u deze dingen niet meer wezen. En Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, want God is gekomen, opdat Hij u verzocht, en opdat Zijn vreze voor uw aangezicht zou zijn, dat gij niet zondigdet, Exodus 20 vers 20. Zie daar de prediking van de vervulde Wet in Christus, namelijk het heilig Evangelie. Israel mocht niet zondigen tegen Gods heilige Wet, maar nog minder tegen de vervulde Wet in Christus. Zondigen tegen Gods heilige wet, is zondigen tegen Gods toorn en gramschap, maar zondigen tegen de vervulde Wet in Christus (Rom. 6:1-2), dat is zondigen tegen de liefde Gods in Christus. Dat ligt dieper en bitterder. Ik ken een verloste man die dit gedaan had, waardoor hij negen maanden niet meer bij God kon komen in gebed. Zwijgende ging hij over de aarde, en zijn beenderen werden verouderd, in zijn gebrul den gansen dag. Deze man had overspel gedaan met een getrouwde vrouw, en daardoor ook nog Gods heilige Naam doen lasteren. Weet u wie dat was? Koning David. Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten, Psalm 32:3-4. David had zich uit Gods gemeenschap gezondigd, en kon niet meer bij God komen. Maar wat gaat God dan doen? God gaat Davids’ zondige verdorven vlees het oordeel aanzeggen door de profeet Nathan. David gaat zichzelf onwetend vervloeken en veroordelen, zeggende: Zo waarachtig als de HEERE leeft, de man, die dat gedaan heeft, is een kind des doods! Daaruit kunnen we nu leren en opmerken hoe de zonden ook de ogen van Gods volk verblinden. Nog is bij David het kwartje niet gevallen, en nog moet Nathan eraan toevoegen dat hij die man des doods was, lees 2 Sam. 12:1-7.

 

Waren dit dan de laatste woorden van de profeet Nathan…?? Nee, en zo ook hier niet bij de apostel Paulus. Want telkens zegt de apostel: laat ons niet meer, dat is, laat bij u niet meer zijn. Dergelijke dingen schrijft de apostel ook in het derde hoofdstuk in zijn zendbrief aan de gemeente van Kollosse. Telkens wijzen de apostelen in hun zendbrieven erop dat de zonden een gevoelige scheiding maken tussen God en Zijn volk. De zonden doet verblinden, en doet geestelijk verarmen en sterven, Rom. 8:13. Maar God kan vanwege Zijn eeuwige verkiezende liefde nooit geen afscheid meer nemen van Zijn verkoren Sionieten. Daarom twist God hier met hen, en rekent Hij met hen af aan deze zijde van het graf. De wereld en de werkheilige farizeeërs laat Hij gaan. Zij komen straks wel. Want, ook zij ontvangen straks hun loon overeenkomstig hun boze werken. Wat en welke zijn uw werken, lezer? Kunt u het nog uithouden in de werken van ongerechtigheid? Weet toch dat, wanneer God straks de gerechtigheid en de heiligheid in u zal opeisen waarin Hij u volmaakt geschapen heeft, dat is Zijn Beeld, u straks voor eeuwig zal moeten verdrinken in uw ongerechtigheden voor God. Maar tot hen die de macht en heerschappij der zonden zijn afgestorven door de kruisdood van Christus (Rom. 6:2, Rom. 8:2-3), en met Hem zijn opgestaan tot een nieuw leven uit Hem, wil ik besluiten met enkele woorden van de apostel Paulus uit zijn brief schreef aan de gemeente van Kollosse: Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God. Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst. Om welke de toorn Gods komt over de kinderen der ongehoorzaamheid; In dewelke ook gij eertijds hebt gewandeld, toen gij in dezelve leefdet. Maar nu legt ook gij dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uw mond. Liegt niet tegen elkander, dewijl gij uitgedaan hebt den ouden mens met zijn werken, En aangedaan hebt den nieuwen mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen, Die hem geschapen heeft. Waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije; maar Christus is alles en in allen. Zo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid; Verdragende elkander, en vergevende de een den anderen, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzo. En boven dit alles doet aan de liefde, dewelke is de band der volmaaktheid. En de vrede Gods heerse in uw harten, tot welken gij ook geroepen zijt in een lichaam; en weest dankbaar. Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkander, met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende den Heere met aangenaamheid in uw hart. Amen.

 

 

 

 

DJK