Van Lodenstein

Posted by admin | | maandag 14 februari 2011 3:26 pm

De heerlijkheid van een waar christelijk leven, uitblinkende in een Godzalige wandel

 

 

Volgens het geestelijk licht van het Evangelie, te zien in Jezus’ heerlijk voorbeeld, nederige geboorte en armoede, om ons te wederbaren en rijk in God te maken.

 

 

 

Predicatie over Hooglied 7 vers 1.pdf

Hoe schoon zijn uw gangen in de schoenen, gij prinsendochter! de omdraaiingen uwer heupen zijn als kostelijke ketens, zijnde het werk van de handen eens kunstenaars.

 

 

Predicatie over Hoséa 2 vers 1.pdf

Twist tegen ulieder moeder, twist, omdat zij Mijn vrouw niet is, en Ik haar Man niet ben; en laat ze haar hoererijen van haar aangezicht, en haar overspelerijen van tussen haar borsten wegdoen.

 

 

Predicatie over Hosea 9 vers 12.pdf

Ofschoon zij hun kinderen mochten groot maken, Ik zal er hen toch van beroven, dat zij onder de mensen niet zullen zijn; want ook, wee hun, als Ik van hen zal geweken zijn!

 

 

Predicatie over Ezechiel 37 vers 7-8.pdf

Toen profeteerde ik, gelijk mij bevolen was, en er werd een geluid, als ik profeteerde, en ziet een beroering! en de beenderen naderden, elk been tot zijn been. En ik zag, en ziet, en er werden zenuwen op dezelve, en er kwam vlees op; en Hij trok een huid boven over dezelve, maar er was geen geest in hen.

 

 

Predicatie over Filippenzen 1 vers 27.pdf

Alleen wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus. opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uw zaken moge horen, dat gij staat in een geest, met een gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof des Evangelies;

 

 

Predicatie over 1 Thess. 4 vers 4.pdf

Dat een ieder van u wete zijn vat te bezitten in heiligmaking en eer.

 

 

Predicatie over Mattheus 24 vers 12.pdf

En omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden.

 

 

Predicatie over Lukas 2 vers 1-7.pdf

En het geschiedde in diezelfde dagen, dat er een gebod uitging van den Keizer Augustus, dat de gehele wereld beschreven zou worden. Deze eerste beschrijving geschiedde, als Cyrenius over Syrie stadhouder was. En zij gingen allen om beschreven te worden, een iegelijk naar zijn eigen stad. En Jozef ging ook op van Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea, tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt, (omdat hij uit het huis en geslacht van David was); Om beschreven te worden met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, welke bevrucht was. En het geschiedde, als zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zoude. En zij baarde haar eerstgeboren Zoon, en wond Hem in doeken, en legde Hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg.

 

 

Predicatie over Lukas 2 vers 8-12.pdf

En er waren herders in diezelfde landstreek, zich houdende in het veld, en hielden de nachtwacht over hun kudde. En ziet, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des Heeren omscheen hen, en zij vreesden met grote vreze. En de engel zeide tot hen: Vreest niet, want, ziet, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal; Namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere, in de stad Davids. En dit zal u het teken zijn: gij zult het Kindeken vinden in doeken gewonden, en liggende in de kribbe.

 

 

Predicatie over Lukas 2 vers 13-14.pdf

En van stonde aan was er met de engel een menigte van de hemels heirlegers, prijzende God, en zeggende: Ere zij God in de hoogste [hemelen] en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen!

 

 

Predicatie over Lukas 2 vers 15-20.pdf

En het geschiedde, als de engelen van hen weggevaren waren naar de hemel, dat de herders tot elkander zeiden: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd. En zij kwamen met haast, en vonden Maria en Jozef, en het Kindeken liggende in de kribbe. En als zij Het gezien hadden, maakten zij alom bekend het woord, dat hun van dit Kindeken gezegd was. En allen, die het hoorden, verwonderden zich over hetgeen hun gezegd werd van de herders. Doch Maria bewaarde deze woorden alle te zamen, overleggende die in haar hart. En de herders keerde wederom, verheerlijkende en prijzende God over alles, wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was.

 

 

Predicatie over Lukas 5 vers 35.pdf

Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, dan zullen zij vasten in die dagen.

 

 

Predicatie over Johannes 14 vers 26.pdf

Maar de Trooster, de Heilige Geest, welke de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren en zal u indachtig maken alles wat Ik u gezegd heb.

 

 

Predicatie over Johannes 16 vers 7.pdf

Doch Ik zeg u de waarheid: het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden.

 

 

Predicatie over Johannes 17 vers 3.pdf

Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt.

 

 

Predicatie over Hand. 17 vers 30.pdf

God dan, de tijden der onwetendheid overzien hebbende, verkondigt nu allen mensen alom, dat zij zich bekeren.

 

 

Predicatie over 2 Petrus 1 vers 4.pdf

Door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der Goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij ontvloden zijt het verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid.

 

 

Predicatie over 2 Petrus 2 vers 1-3.pdf

En er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valse leraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedekt invoeren zullen; ook de Heere, Die hen gekocht heeft, verloochenende, en een haastig verderf over zichzelf brengende. En velen zullen hun verderfenissen navolgen; door welke de weg der waarheid zal gelasterd worden. En zij zullen door gierigheid, met gemaakte woorden, van u een koopmanschap maken. over welke het oordeel van over lang niet ledig is, en hun verderf sluimert niet.

 

 

Predicatie over 2 Petrus 2 vers 4-5.pdf

Want indien God de engelen, die gezondigd hadden, niet gespaard heeft, maar, die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen der duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden; En de oude wereld niet heeft gespaard, maar Noach, de prediker der gerechtigheid, zijn achtal bewaard heeft, als Hij den zondvloed over de wereld der goddelozen heeft gebracht;

 

 

Predicatie over 2 Korinthe 4 vers 3.pdf

Doch indien ook ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in degenen die verloren gaan.

 

 

Predicatie over 2 Korinthe 8 vers 9.pdf

Want gij weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden.

 

 

Predicatie over Efeze 2 vers 19.pdf

Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en huisgenoten Gods.

 

 

Predicatie over 1 Joh. 5 vers 4.pdf

Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof.

 

 

 

 

 

Toe-eigening en voorrede

 

Aan allen, die de heerlijkheid van ’t Christelijk leven zoeken te kennen, beminnen, en betrachten in liefde: Genade en vrede zij over u vermenigvuldigd.

 

Waarde en geliefde Christenen.

 

Belofte maakt schuld. In de voorrede van mijn laatste boek, genoemd: “’t Vervallen Christendom, uit haren zorgeloze doodsslaap opgewekt, en aangespoord tot een heiligen wandel op de koninklijke weg des levens,” had ik mijn lust en genegenheid getoond om meer predikatiën van de zalige Ds. J. van Lodensteijn in ’t licht te geven, waartoe ik mij genoegzaam verbond, als dat nodig en nuttig werk u aangenaam was, waarvan ik bewijs hebbende, mij verzekeren kan; en daarom is het dat ik nu weer opnieuw u ruim eens zoveel kerkredenen van die gewenste man en vermaarde leraar meedeel, zodat ik hiermee aan mijn belofte voldoe, en mijn schuld vrijwillig betaal.

 

Maar mij dunkt, ik hoor sommige vrienden vragen: waar komen nu deze redevoeringen vandaan, wel 34 jaren, nadat die man dood is? Ik antwoord, dat sommigen van zijn nabestaanden, of zeer goede vrienden, die ze van hem zelf geschreven, of nageschreven hadden, volgens zijn kopie, aan ons hebben meegedeeld tot algemene stichting; anderen zijn onder ’t prediken met lettertekens, of door een vlugge hand, en vaardige pen van een begaafd en Godvruchtig heer, toentertijd op de academie te Utrecht studerende, onder het prediken. nageschreven, en mij zo ter hand gesteld door zijn vrome en wijze zoon, die ik zowel als zijn zalige vader, menigmaal met veel genoegen heb horen prediken. Ook zou ik u nog wel zoveel overige leerredenen kunnen tonen, zowel van de zalige Ds. Justus van den Boogaart, als van J. van Lodensteijn, die zijn ambtgenoot tien jaren tevoren stervende, in een boekje, zijn “Laatste uren”, en in “Gedichten en liederen” naar waarde geprezen heeft, waarin te zien is, welk een liefde en achting Zijn Ed. voor de Heer Boogaart had, welke mij door een neef van de zalige juffrouw M. A. zijn meegedeeld, en samen gedrukt zijnde, wel zulk een groot boek als dit zouden uitmaken.

 

In Van Lodensteijn’s afscheidspredikatie, van Sluis naar Utrecht vertrekkende, verhaalt Zijn eerwaarde onder andere opmerkelijke dingen, dat hij vele preken op ’t verzoek van de vromen had uitgeschreven, en hen die te lezen gegeven, van welke ik er nog enige over heb. Zodat men niet behoeft te twijfelen, of verwonderd te zijn, dat er al een deel predikatiën gedrukt zijnde, ik nog meer overhoud, en nogmaals wil ten beste geven, om ook gedrukt te worden, daar zij, niet minder zijnde dan deze, zulks waard zijn.

 

 Ik dank God, dat Hij mij in Zijn goede voorzienigheid zovele schone predikatiën door Zijn kinderen heeft laten ter hand stellen van die beroemde en zalige Heer Van Lodensteijn, wiens prediken en schrijven, zowel als zijn leven en sterven, in de harten van Nederlands beste inwoners geschreven en ingedrukt was, en nog blijft, en heeft ons tot dit goede werk aangemoedigd, en onder ’t schrijven en overdenken te dieper indruk gemaakt op mijn hart, dat wel eens afwijkend, dodig, koud en ongevoelig zijnde, nodig had om door zulk een zielroerende predikstof, gevoelig, levendig en warm te worden, alsof er een vuur brandde in mijn binnenste, wanneer ik werd terechtgebracht, door die levende stem die achter was, zeggende: Dit is de weg, wandelt in dezelve, om niet af te wijken ter rechter of ter linkerhand, terwijl ik vroeg naar die oude paden, welke de goede weg is, om daarop wandelende, rust te vinden voor mijn dierbare en onsterfelijke ziel, Jer. 6: 16.

 

O welgelukzalige heilige ziel, die dit heerlijke nieuwe schepsel, in een waar Christelijk leven deelachtig zijnde, in waarheid kan zeggen, dat haar grote en dierbare beloften geschonken zijn, en in Christus ja en amen zijnde, zich de Goddelijke natuur deelachtig maakt, om tot Zijn eer en heerlijkheid te leven, en alzo heengaat in de mogendheden des Heeren, om Zijn werken te vertellen, Zijn deugden te verkondigen, en de Heere te geven de ere Zijns Naams, Ps. 29: 2. Weshalve terecht tot haar mag gezegd worden: Hoe schoon zijn uw gangen in de schoenen, o gij prinsendochter! Wanneer zij met Gods heerlijk beeld versierd zijnde, waardig wandelen in het Evangelie van Christus, en zo veel mogelijk is Zijn voetstappen opvolgende, zoekt te wandelen gelijk Christus gewandeld heeft, Filip. 1: 27. Om zo navolgers Gods te zijn als geliefde kinderen, Ef. 4: 1, Matth. 6: 14, en volmaakt, gelijk hun Vader in de hemelen, Die zegt: Zijt heilig, want Ik de Heere uw God ben heilig. Weshalve een ieder van ons behoort te weten, hoe hij zijn vat (lichaam) kan bezitten in heiligmaking en in eer.

 

Gelijk ten hoogste noodzakelijk is verzoening met God te zoeken, door Jezus’ bloed, zo is het ook nodig te staan naar de heiligheid door Christus’ Geest, dat blijkt uit die nauwe verbintenis die er is tussen de rechtvaardigmaking en heiligmaking. Hiervandaan is het dat er een onverzadigbare begeerte in ’t hart der gelovigen gevonden wordt naar de heiligheid, waaruit de waarheid der rechtvaardigmaking moet getoond en bewezen worden, Jak. 2: 21. Temeer, omdat het ook een sieraad is aan de verzoende; die daarom zowel een heilig als een verkregen volk genoemd worden, 1 Petrus 2: 9. Zo ziet men dat de heiligheid ’t sieraad der Kerk is, waarop dan lang dagen volgen, Ps. 93: 5. Daar koning David zegt, dat zulk een heerlijk Christelijk leven bestaat in de heiligheid, die des Heeren huis sierlijk is voor eeuwig, of tot in lange dagen.

 

1.      Door heiligheid wordt wel verstaan de Heere Jezus Zelf, Dan. 9:24, De heiligheid der heiligheden. Of iets plechtigs tot een heilig gebruik af te zonderen, gelijk het altaar, enz. Exod. 29: 37. Maar bijzonder die weldaad des genadeverbonds, die God om de verdiensten van Christus, de gerechtvaardigde zondaar komt te schenken. Dus is Christus ons van Gode, geworden tot heiligmaking en verlossing, 1 Kor. 1: 30. Zonder die inwendige heiligheid volgde daarop geen lang dagen; maar God wilde een uitwendig huichelachtig volk van Zijn aangezicht verderven. Maar hierdoor wordt verstaan het vernieuwde evenbeeld Gods in de mens, geschapen zijnde in gerechtigheid en heiligheid, Kol. 3: 10. Dat ook wel, de nieuwe mens genoemd wordt, 2 Kor. 5: 17. Zo iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel, bestaande in de verlichting des verstands, waardoor zij God kent, en alle waarheid in God bemint, en in die spiegel van het Evangelie de heerlijkheid des Heeren ziet, zolang totdat ze naar Gods heerlijk beeld veranderd wordt, 1 Kor. 3 18. En zo haar eigen wijsheid en verstand komt te verloochenen, Ef. 4 24. Ook bestaat die in gebogenheid en rechtheid van de wil en genegenheden onder God. De daden die zulk een heilig mens nu komt te doen, zijn in vereniging met Christus, en met de wil Gods, tot Zijn eer en lof, zodat zijn werk in God gedaan wordt, als in de tegenwoordigheid en liefde Gods.

 

2.      Dus de heiligheid of heerlijkheid van een Christelijk leven beschreven hebbende, zo zal ik ook in ’t kort tonen, hoe die is tot sieraad van ’s Heeren huis, waardoor de tabernakel kan verstaan worden, die in deze tijd plaats had, en die Gods huis genoemd wordt, Richt. 18: 31, die ook als heilig beschreven werd, Ps. 43: 3, 4. Bijzonder Gods Kerk. Want gelijk de tabernakel drie vertrekken had, zo ook de Kerk, Gods huis, en gemeente, 1 Tim. 3: 15. waarvan ieder bijzondere gelovige een levende steen is, Hebr. 3: 6. Zodat de Kerk terecht een huis wordt genoemd; want er is een Fundament, 1 Kor. 3: 11. Er is een Bouwmeester, Hebr. 3: 4, Die dit alles gebouwd heeft, is God. Hier zijn geestelijke stenen, 1 Petrus 2: 5. Kinderen des huizes, en sleutelen, Matth. 16: 19. Spijs, drank, en alle nooddruft, Joh. 6. Uw huis wordt de Gelovige genoemd, door Gods verkiezing, Ef. 1: 4. Haar te roepen en te rechtvaardigen, Rom. 8: 30, en dadelijk in haar te wonen.

 

3.      Tot de versiering van dit huis behoort noodzakelijk het licht, zonder welk niets gezien wordt. Zo brengt de heiligheid ook licht in de ziel, Kol. 3: 10 en 2 Kor. 4: 6. De onreinheid moet uit dit huis weggevaagd worden. Het geestelijk licht verdrijft de onreinheid der ziel, 1 Petrus 1: 22. Deze sieraad bestaat in het inbrengen van zulke dingen, die tot de versiering nodig zijn. De heiligheid versiert de ziel met allerlei geestelijke hoedanigheden en deugden, wanneer zij veranderd wordt van heerlijkheid tot heerlijkheid als door des Heeren Geest, 2 Kor. 3: 18. Ook bestaat die sieraad in de welgeschiktheid van al de delen des huizes, en hetgeen daarin is; zo ook de heiligheid stelt de mens, weer onder God, en neemt alle gedachten onder Gods gehoorzaamheid gevangen, 2 Kor. 10: 5. ’t Verstand en wil beheersen de genegenheden. De bevestiging is Heere, alsof David in Gods tegenwoordigheid deze zaak als zeker wilde betuigen en bevestigen.

 

4.      Dit sieraad van heiligheid zou duren tot in lange dagen. Dit is ook iets dat de heiligheid volgt, zo wanneer de godsdienst naar ’t bevel van God werd voltrokken, volgde daarop menigmaal langheid der dagen voor de Kerk, zodat ze in rust en welstand bleef. Maar bijzonder volgt langheid der dagen op de inwendige heiligheid van het hart; want de grijsheid is een sierlijke kroon, die op de weg der gerechtigheid gevonden wordt. En al gebeurde het, dat iemand met het kind Jerobeam in zijn jonge jaren de geest gaf, het geschiedde in Gods gunst, doordien dit tijdelijke met het eeuwige verwisseld wordt, daar de goddeloze de helft van zijn dagen niet bereikt die hij zich had voorgesteld, of welke hij ten opzichte van zijn toestand had kunnen leven. Hoewel ook in de dagen des Ouden Testaments God de vaderen dikwijls zatheid der dagen gaf, eer zij naar het graf gingen. Immers van hen zijn de beloften van het tegenwoordige en het toekomende leven, 1 Tim. 4: 8.

 

5.      Zodat dit een waarheid is, dat allen die tot de Kerk behoren, betaamde heilig te zijn, en te wandelen met vrees de tijd hunner inwoning, de heiligmaking na te jagen, en heilig te zijn, omdat de Heere onze God heilig is, 1 Petrus 1: 15. Dit beduidde ook de wassing en reiniging des Ouden Testaments, alzo wel zij de rechtvaardigmaking afbeeldden; want zij wasten hun handen in onschuld voor Gods altaar, en maakten het verbond op Christus’ offerande, Ps. 50: 5. Hij, die in ’t hart van Gods kinderen woont, is heilig.

 

6.      Ook de Vader, Zoon en Heilige Geest zijn heilig. Zo is het dan een sieraad dat Gods huis betamelijk is, terwijl de Bruid van Koning Jezus heilig is; welk sieraad van heiligheid vergeleken wordt bij ’t fijnste goud van Ofir, Ps. 45: 10. Zodat zij een vrijwillig volk zijn op de dag van Christus’ heirkracht, in heilige versiering, Ps. 110: 3.

 

Maar bezien wij eens ons Christendom, wat vinden wij daarin vele vijanden van de heiligheid in ’t huis der zonden; van Gods rechtvaardigheid schrikken zij, en van zijn heiligheid hebben zij een walging; waarom ook de Godzaligen in hun ogen dwazen zijn, en zeggen als Felix tot Paulus: gij raast. Hand. 26: 24. Sommigen vatten het op zijn Sociniaans, goed doen, en kwaad laten, is heiligheid, en zo verstaan zij niet eens de natuur ervan, of wat de wedergeboorte is, noch de rechte natuur van ’t werk, bestaande in een Christelijk leven. Wat zijn er al geveinsden, doende alles in schijn, om, was ’t mogelijk God en mensen te bedriegen! Anderen doen veel om des Woords wil, en schenen door de kennis der waarheid het verderf ontvloden te zijn dat in de wereld is, maar zij wijken weer af van ’t heilig gebod: Deze zullen zonder heiligmaking God niet zien, Hebr. 12: 140

 

Beter soort van Christenen zijn traag, en hebben opgehouden te strijden, waardoor zij dan ook het werk der heiligmaking verzuimen, en hun eerste liefde verlaten, Openb. 2. Anderen beschouwen de plicht zo wettisch, dat ze die niet aanzien als een sieraad van Gods huis, om daarop zo te verlieven; dat spruit uit onkunde van God en Zijn volmaaktheden, die recht beschouwd zijnde, onze ziel veranderen, maar men verzuimt de rechtvaardigmaking, die de fontein is van alle heiligheid. Weinigen verenigen zich met Christus door ’t geloof, en missen alzo het ware Christelijke leven. Hoe weinig onderzoek is er van zichzelf, of men in ’t geloof is, door overdenking van de waarheid; opdat het daardoor warm worde, en zo komt op te wassen in Christus, die het Hoofd is, zodat ze bevindt haar werk in God gedaan te zijn; zodat het werk er niet kan voldoen, tenzij daarbij komt de goede manier, als de ziel oordeelt dat de heiligheid wat groots is. En is die sierlijk in uw ogen, de zaak zal wel zijn. Is de heiligheid uw sieraad geworden, wees dan blijde over uw heil, en christelijk leven, in ’t begin van dit boek beminnelijk en sierlijk voorgesteld, om daarop te verlieven, en het te betrachten in de liefde.

 

Hiertoe moet men temeer aangezet worden, en ons bewegen, dat er niets betamelijker is, dan dat het schepsel zijn Schepper gelijk zij, en de. mens ’t evenbeeld van God drage. Adam trachtende naar gelijkheid met God, zondigde, maar nu is het van de zondaar geluk daarnaar te trachten, 1 Petrus 1:15. ’t Is heiligheid; de naam maakt de zaak begeerlijk. Het geeft de ziel een ontzaglijke indruk van wat groots; want ’t is der Goddelijke natuur deelachtig te zijn in uw gestalte en daden, 2 Petrus 1: 3. Deze heiligheid is sierlijk in de ogen van allen die ze kennen. De Vader heeft de gerechtigheid lief, en haat de ongerechtigheid, Ps. 45: 8. Zijn kinderen zullen niet liegen; zij zijn als Nathanaël, Israëlieten zonder bedrog, want de Heilige Geest wil niet wonen in een onrein hart.  De Godzaligen zijn op dit Christelijk leven verliefd. Deze heiligheid behoort alleen tot Gods huis; ’t is niet iets dat elkeen heeft. Hoe minder een ding gevonden wordt, hoe meer het geacht wordt. Er is een uitnemende zoetheid in ’t betrachten van deze heiligheid, want blijdschap is voor de rechtvaardige gezaaid, en vrolijkheid voor de oprechte van harten, Ps. 27: 11. Er is dan veel troost in ’t hart, en veel nabijheid bij God. Al de weldaden des genadeverbonds hebben dat einde om een ziel te heiligen, Titus 2: 14. Al de ambten van Christus dienen daartoe, Hand. 4: 31; 1 Kor. 1:30. Jaagt dan naar de heiligmaking, want het is Gods wil, en zonder die zal niemand de Heere zien, Hebr. 12: 14.

 

Laat ons daartoe deze middelen gebruiken. Erkent uw onmacht voor de Heere, opdat in God uw sterkte zij, Filip. 2:13. Uw eerste bezigheid moet zijn om vergeving van zonden te verkrijgen, want daaruit vloeit de heiligheid, 1 Petrus 1: 17. Zoekt u gedurig met Christus te verenigen door ’t geloof, opdat Hij in uw ziel leeft, en dezelve reinige, want zonder Jezus kunnen wij niets doen, Joh. 15: 15. Onderzoekt veel uw hart, opdat er geen onoprechtheid schuilt, maar wij door ’t gezicht van onze armoede, naar Christus mogen vlieden. Hij is met ons, zolang wij met Hem zijn, 2 Kron. 15: 2. Gij moet veel de waarheden Gods in Zijn Woord overdenken; want als wij dezelve beschouwen, gelijk ze in Christus zijn, zo zullen ze tot heiligmaking dienen, en dan zal de Heere bij ons blijven, als in Zijn huis, bij ons woning maken, en ons zelfs tot een heiligdom en woning zijn. Deut. 33 en Ps. 73.

 

Christenen, is het zodat de God van hemel en aarde, wil wonen en verkeren met arme zwakke mensen op aarde? Wat moest dit ons aanmoedigen om in Gods wegen te wandelen? Om in genade, heiligmaking, en het ware Christelijk leven toe te nemen. Aanmerkt dan terecht wat God vereist, en van u verwacht, om de zuiveren godsdienst tot uw hoogste werk en meeste bezigheid te maken, gelijk het Gods kinderen past, die in deze dagen des Nieuwe Testaments moeten van de Heere geleerd zijn. Die zo Gods wet beminnen, hebben groten vrede, terwijl Jehovah onder Zijn heiligen wil wonen en wandelen, hun tot een God zijn. en zij Hem tot een volk des eigendoms, volgens Zijn dierbare belofte, Jer. 31: 32, 33.

 

Immers wij vinden dat God in Zijn Woord dit alleszins voorstelt, als een nodige en nuttige zaak, van ’t hoogste aanbelang. Van Henochs en Noachs godsdienst wordt gezegd, dat het bestond in een wandelen met God, door Hem te behagen, Gen. 5: 24 en 6: 9. Abraham werd geboden voor Gods aangezicht in oprechtheid te wandelen, en zo te staan naar de volmaakte heiligheid, Gen. 17: 2. Israël is belast de Heere na te wandelen in gehoorzaamheid van zijn heilige, goede, en rechte wetten, Deut. 13: 2. Want wat eist de Heere van de mens, zowel nu als ooit, dan gerechtigheid te doen, weldadigheid lief te hebben, en ootmoedig met God te wandelen, Micha 6: 8. Waarom van ons Christenen wordt vereist, zo te wandelen gelijk Christus ons een voorbeeld gegeven heeft, 1 Joh. 2: 6, en te wandelen in de Geest; tot een klaar bewijs dat wij in de Geest leven, en zo heilige tempelen zijn, waarin de Geest van God woont, Kol. 5: 10. Om zoveel mogelijk is te geraken tot de heiligen staat, en onberispelijk in Gods heilige geboden en inzettingen te wandelen, Lukas 1: 6.

 

Hieruit kunnen wij genoegzaam zien, hoeveel de Heere van ons vereist en verwacht, opdat wij de beste geloofsbelijdenis en ware godsdienst tot onze bezigheid maken, en zo onszelf trachten te betonen de oprechte en getrouwe dienstknechten van onze grote Heere en goede Meester te zijn, als wij de kennis der Goddelijke waarheden recht komen te beleven, en zo geraken tot de gemeenschap met God en Christus, en die dan te onderhouden door een nauwkeurige wandel met God volgens Zijn Woord en de inhoud van zijn heilige wetten en instellingen. Dus een waar Christen, bij wie God woont, en die gemeenschap heeft met de Vader, en Zijn Zoon Jezus Christus, is een die behalve de uitwendige doop met water, inwendig is gedoopt door ’t waterbad der wedergeboorte, en vernieuwing van de Heilige Geest, Titus 3: 5. Geboren niet naar ’t vlees, of de wil van de mens, maar uit God, Joh. 1: 13. En daarom zijn de kinderen Gods zorgvuldig, om waarlijk te zijn hetgeen zij belijden te wezen, en zullen blijven voor eeuwig.

 

Een gelovig en wedergeboren mens, ziende dat het verstand moet zijn verlicht, en zijn levensgedrag geregeld, is zorgvuldig te onderzoeken en te beproeven bij de Schrift, hoe het met zijn gemoed gesteld is, of hij de waarheid verstaat, en daardoor al geheiligd is, en zo waarlijk vrij gemaakt. Want bij rekent het een gemeen en slecht ding voor een Christen, geen andere rekenschap te kunnen geven van zijn godsdienst volgens de grondwaarheden, dan de Heidenen en Mohammedanen doen, die in die godsdienst zijn, omdat hun ouders van dat gevoelen waren, en die hun kinderen leerden ook zo te geloven, omdat het de godsdienst van het meeste volk des lands is. Maar een recht Christen studeert naarstig in Gods Woord, om deszelfs waarheden te begrijpen en te omhelzen; ten volle bewust zijnde van deszelfs zekerheid, zowel als van de reinheid van Gods instellingen, en het uitstekend grote loon in Gods beloften opgesloten, als zijnde in Christus ja en amen, Gode tot heerlijkheid.

 

De Goddelijke waarheden dus ontvangen hebbende, zo staat men vast daarin, en waarin hij twijfelt, komt men tot een ernstig onderzoek, om ten volle in zijn geloof bevestigd te worden, opdat zijn gehoorzaamheid aan God mag zijn een redelijke godsdienst, en geen blinde vroomheid en ongegronde toestemming; maar wacht zorgvuldig op de zoete invloed van de Heilige Geest, om in die heiligen weg geleid te worden in alle waarheid, en daardoor vergezeld te zijn in al de stappen van zijn geestelijke reis door de wereld naar de hemel, om zo bekwaam te zijn tot de gemeenschap met, en genieting van die God van volkomen zaligheid, en deelgenoten van die erve der heiligen in het licht, om zo voor des Heeren aangezicht te wandelen als kinderen des lichts.

 

Hij is ijverig in goede werken, die Gode aangenaam zijn, eerlijk voor de godsdienst, voordelig voor de mens, en noodzakelijk tot het uitwerken van zijn zaligheid. Hij is zorgvuldig in te werken uit rechte grond, beginselen, en bijzonder van ’t geloof, wetende dat al wat niet uit het geloof voortkomt, zondig en verdoemelijk is, en ingeval God nauwkeurig zijn daden zou gadeslaan en straffen, moet men voor eeuwig verloren zijn, behalve als God hem aanneemt om Christus’ verdiensten. Waarom hij geheel dood is aan zichzelf, in zijn zaligheid te verwachten, door ’t geen hij kan doen, omdat zijn beste werken, en eigen gerechtigheid, onrein zijn, als een kleed met drek besmet; daar dit zijn belang is, dat Christus, de Middelaar Gods en der mensen, voor hem mag zijn tot wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking, en volkomen verlossing, 1 Kor. 1: 30. Dus maakt hij zijn toegang tot God, zonder inbeelding van enige verdiensten in zichzelf, of door afgestorven heiligen; maar hij komt tot God zelf, als tot zijn genadige Vader, verzoent in Christus, Zijn geliefde Zoon, die Hij weet dat gereed en gewillig is om arme zondaren in genade aan te nemen, die door deze weg tot Hem komen.

 

Hij is dezelfde in ’t verborgen, hetgeen hij is in ’t openbaar, zowel in zijn kamer als in de Kerk, zich verplicht achtende in zijn huis te wandelen met een volkomen hart, als David deed, Ps. 101: 2. En zich voor God heilig te betonen, zowel als voor de mensen, ja, voor beiden te behouden een onergerlijk geweten, waarin Paulus zich oefende, Hand. 24: 16. Hij voegt oprechtheid bij liefdadigheid, wetende dat hij te doen heeft met ernstige zowel als met uitstekende dingen. Immers God is ernstig in al zijn werken en voorzienigheden. ’t Is Christus ernst in zijn evangelische aanbiedingen en ontdekkingen. En de Heilige Geest is ernstig, terwijl Hij met ons twist, door overtuiging, bestraffing, vermaning en vertroosting. Waarlijk dood en oordeel, hemel en hel zijn zaken van ’t hoogste belang, en geen dingen om mee te spotten. Zal dan de mens als een dwaas lachen, en zijn ziel en tijd verspelen, terwijl hij als ’t ware met de ene voet al in ’t graf staat, wanneer hij na al zijn studeren, reizen, koopmanschappen en verrichting van menselijke dingen, zal ondervinden dat het maar als ijdelheid is en kwelling des Geestes, als men op het gemoed vindt ingedrukt, de grootste waarheden, dat ijverig en ernstig te zijn, in des mensen beste wijsheid; de matigheid zijn beste medicijn; een goed geweten zijn beste staat, en een gedurige maaltijd.

 

Dus doende maakt een recht Christen een goed gebruik van alles, door zich soms aan de wereld te onttrekken, dewijl hij geen vermaak heeft dan in de dienst van God, want hij bevindt dat er een groot deel van waarheid ligt in het oude gezegde: Die de afzondering wel waarneemt, die leeft allerbest. Qui bene latuit bene vixit: Die zich afzondert, staat naar wat begeerlijks, en oefent zich in alle bestendige wijsheid. Laat de dwaze mens zulks achten voor preciesheid, of zwaarmoedigheid, hij acht het niets, en wil geen vinger hebben in ieders bezigheid, maar zegt als Scipio: Ik ben nooit minder alleen, dan als ik geheel alleen ben. Hij heeft gezelschap van bezigheid waarvan de onkundige wereld niet weet, of kent, noch verstaat hoe die heilige der hoge plaats leeft boven de schepselen, en alle aardse bezitting. Ofschoon hij heeft te doen met geschapen dingen, zowel als andere mensen, nochtans wil hij niet dat zijn gemoed daarmee bezet is, als zijn hoogste einde, maar gaat door die aardse dingen tot God, met wie hij verkeert, en zijn wandel heeft in de hemel. En daarom verblijdt hij zich in uitwendige dingen, bezitting en verkwikking, alsof hij niet blijde was, en bedroeft zich in tijden van benauwdheid en rampspoeden, alsof hij niet droevig was, en gebruikt de wereld, als die niet misbruikende, wetende dat de gedaante der wereld als een schaduw voorbijgaat, en dat de tijd voorts kort is, 1 Kor. 7: 29-31. Hij weet dat hij hier geen blijvende stad heeft, maar zoekt de toekomende; zijn verdrukkingen drijven hem naar God, die hem slaat, om ter bekwamer tijd hem hulp en bijstand te verlenen, wanneer Gods genade hem genoeg is; en zijn troost leidt hem tot God, als zijn barmhartige Weldoener.

 

Hij heeft een oprechte en ernstige begeerte tot al de wetten, voorschriften en inzettingen van God, 1 Joh. 5:3. Zodat hij de een niet kan doen, en de andere nalaten, maar die alle wil gehoorzamen, zelfs met bijzondere betrekking op die geboden, welke zijn liefste zonden en vleselijke lusten verbieden. Hoge gedachten van God en lage gedachten van zichzelf, behoeden hem voor inbeelding van wat groots te zijn, en voor wanhoop. Het gezicht van Gods goedheid, en zijn eigen onwaardigheid, moedigen hem aan om ootmoedig tot God te gaan, in eerbied, liefde, en Godsvrucht, als tot het beste en grootste Wezen, ja, als tot Zijn hoogste God en beste Deel. En daarom gedenkt hij zijn eigen afhankelijke staat, en zijn betrekking tot God, terwijl hem wordt toegelaten om tot Hem te komen als tot Zijn Vader in Christus, die hij daarom als zijn opperste Wetgever en Gebieder verhoogt en dient, niet naar de oudheid der letter maar in geest en waarheid.

 

En gelijk hij God liefheeft die geboren heeft, zo heeft hij ook liefde voor hen die geestelijk uit God geboren zijn, 1 Joh. 5: 1, 2, En dit doet hij onpartijdig, naar zijn beste kennis, ofschoon een ander goed Christen van hem verschilt in gedachten en gevoelen omtrent omstandigheden in Gods Woord en waarheid, omdat geloof en hoop de wezenlijke genade van een Christen zijn, nochtans is de liefde boven alle, als zijnde onpartijdig, en verdraagt alles, want de liefde denkt geen kwaad, 1 Kor. 13: 13.

 

Een waar Christen ziet en weet dat hij meer en groter bezigheid heeft om met God te wandelen, te handelen en te verkeren, dan met de gehele wereld, daarom is hij boven alle dingen bezorgd om zijn toestemming te hebben, opdat hij in of uit het lichaam wonende, God welbehaaglijk mag zijn, 2 Kor. 5: 9. Derhalve leeft hij steeds in ’t beschouwen van een tegenwoordige Godheid, wiens ogen altoos op hem zijn, en weel. dat God opmerkt al wat hij denkt of spreekt, beoogt en doet, Ps. 139: 7. Waarom hij zorgvuldig is om zijn rekening met God klaar te hebben, zich verplicht achtende haar dagelijks te onderzoeken, haar fouten te verbeteren, en vergiffenis te verzoeken over haar ebreken. Hij zoekt onderscheiden te weten wat hij heeft ontvangen, of wat hij nog nodig, heeft. En waarom hij heeft te bidden, of waarvoor God te danken, te loven en te verheerlijken. Hij is niet zo dwaas om te danken, dat hij tot zulk een hogen trap van de godsdienst geklommen is, dat hij niet behoeft verder te gaan, maar hij arbeidt om toe te nemen in genade, wassen in kennis, jagende naar het voorgestelde merk, opdat hoe nader hij komt tot Gods gunst en liefde, in een betere wereld des lichts, hij, daar te bekwamer toe mag zijn, en streeft naar ’t einde van zijn geloof en volkomen zaligheid van zijn kostelijke ziel, 1 Petrus 1: 9.

 

Mijn vrienden, ik heb lust u mee te delen een gedeelte uit de brief des. apostels Barnabas, Paulus’ metgezel, volgens d’ Epistel Cathol. pag. 53, door mij vertaald uit het schoon traktaat van Mr. R. Fleming. Gods woning onder de mensen, en luidt als volgt:

 

Geliefde Christenen, voordat wij in God geloofden, was ons hart een zwakke woonstede vol verdorvenheden, gelijk nu nog de heidense tempelen zijn, want onze harten waren toen vol afgoderij, alwaar de duivelen hun verblijfplaats hadden, terwijl wij geheel aanwerkten tegen God, en zijn interest. Maar nu zijn wij geworden tempelen van de waren Drie-enige God. Vraagt gij hoe deze verandering is uitgewerkt? Ik zal u daarvan bericht doen. Hebbende ontvangen de vergeving van onze zonden, door het geloof in de Naam van Christus’ onze Heere, zo werden wij dadelijk nieuwe personen en wedergeboren geestelijke schepselen. Waarop God is gekomen in deze onze woning, en heeft dadelijk bezitting van ons genomen, en ons Zijn Zoon Jezus geschonken, om in ons hart te wonen. Zo gij onderzoekt, en vraagt: hoe kan dit zijn? Weet dat het woord des geloofs in ons gewerkt zijnde, God ons heeft geroepen naar zijn beloften, gerechtvaardigd en heilig gemaakt door Christus de Middelaar des Verbonds. Hieruit spruit, dat Hij zelf, die al deze dingen in en voor ons doet, ook in ons profeteert, want Hij woont door zijn Geest waarlijk in ons. En hoewel wij sterfelijke schepselen zijn, nochtans opent Hij de poorten van deze tempel, wanneer het Hem behaagt, en ons bekwaam maakt, om met hart en mond Gods lof uit te spreken. Hij geeft ons bekering, en al wat wij nodig hebben, als Hij ons zo maakt tempelen des Heeren, tot Zijn eigen gebruik en dienst. Daarom, die zalig wil worden, moet niet zozeer aanmerken de uitwendige mens, als wel de Heilige Geest, die woont in heilige zielen; want dan komt men te zien, dat zulke heilige daden en woorden niet bekwaam zijn zonder God, die in ons woont, en werkt met zijn Geest en genade. Dit is het wat wij moeten weten van de geestelijke tempel, die opgebouwd is voor God, waarom ik van u begeer, en u smeek, dat gij wilt arbeiden, en ernstig de Heere bidden, om zulks te mogen zijn en blijven tot in der eeuwigheid.

 

Broeders, neemt mijn raad ten goede, en gedenkt dat de dag nadert, in welke al de werkers der ongerechtigheid moeten vergaan met al de boosdoeners, want de Heere is nabij, en zijn loon is met Hem, om een ieder te vergelden naar zijn werken, ’t zij goed of kwaad. Waakt dan zorgvuldig over uzelf, en zijt getrouwe leiders van elkaar; dat geen geveinsdheid onder u mag inkruipen, maar God, die de gehele wereld geschapen heeft en regeert, u vervulle met wijsheid en kennis, genade en lijdzaamheid, opdat gij zo allen van de Heere mag geleerd worden, en recht verstaan zijn goede wil, opdat gij in de dag des oordeels volkomen mag zalig worden. En terwijl gij denkt op de dingen die ik u voorgesteld heb, wees ook mij gedachtig in uw gebeden, opdat als gij enig voordeel ontvangt door mijn arbeid, ik ook veel goeds mag ontvangen door uw gebeden. Deze gunst verzoek ik van u, zolang gij uw verblijf hebt in deze aardse woning, en dat geen van deze plichten door u mogen verzuimd worden, maar dat gij tezamen zonder ophouden mag onderzoeken en betrachten ieder heilig gebod van God, in gehoorzaamheid der waarheid.

 

Tot dat einde was ik zeer gewillig, om u door deze weg mijn gedachten te laten toekomen, opdat gij mag aangespoord en bemoedigd zijn in de wegen der gerechtigheid. Waarmee ik van u mijn afscheid neem, als kinderen van de Goddelijke liefde en vrede. De God der heerlijkheid en Zijn Geest der genade rust op u, en zij met uw Geest! Amen.

 

Dordrecht, 6 Augustus 1711.

 

Johannes Hofman