Thomas Boston

Posted by admin | | zaterdag 25 oktober 2008 10:37 am
  Levensschets van Thomas Boston

 

De viervoudige staat (deel I)      Thomas Boston

De viervoudige staat (deel II)    Thomas Boston

Over de eeuwige helse rampzaligheid       &   mp3

Over de eeuwige hemelse heerlijkheid      &   mp3

De twaalf bijlslagen       &    mp3

Thomas Boston: Over de wedergeboorte, 1 Petr. 1:23   &   mp3

Voorbereid op de komst van Christus

Verlangen naar verlossing   Thomas Boston

Verbondsonderhandelingen   Thomas Boston

Uitstel van bekering levensgevaarlijk

Ongeloof de grootste zonde geloof de grootste genade

Jacobs worsteling om de zegen   Thomas Boston

Het volgen van Christus een kruisdragend leven

Het kromme in het levenslot   Thomas Boston

Gods uitstel van het oordeel   Thomas Boston

Geloofsvertrouwen op de Heere   Thomas Boston

Een beschouwing van het verbond der genade

De wijde en de smalle poort   Thomas Boston

De werking van Gods Geest door het Woord in de ziel

De rechtvaardige zal door het geloof leven

De noodzakelijkheid van de bekering

De keuze om de Heere oprecht te dienen

De gezegende uitkomst van het altijd bidden

Christus verlost gevangenen   Thomas Boston

Christus staat voor de deur van zondaarsharten   

 

 

 

Robert Traill :  De rechtvaardiging door het geloof alleen

 

Edward Fisher :  Het merg van het Evangelie 

 

Marrowmen : Twaalf antwoorden op vragen over Wet & Evangelie

 

A. v/d Zwan : Marrowmen over Wet & Evangelie, aanbod van genade

 

Ds. J. Brons : Lezing over de strijd van de Marrowmen in Schotland

 

A. v/d Zwan :  De leer van Robert Traill, geestelijk vader van Marrowmen

 

 

 

 

 

Thomas Boston over de eeuwige rampzaligheid

 

Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is, Mattheüs 25:41. Als er geen andere plaats was om eeuwig te bewonen dan de hemel dan zou ik hier mijn verhandeling over de eeuwige staat van de mens hebben beëindigd. Aangezien er echter in de andere wereld een gevangenis is voor de godlozen zoals er een paleis is voor de heiligen, moeten wij ook een onderzoek instellen naar die staat van eeuwige ellende. Deze staat moeten de slechtsten van de mensen wel voor lief nemen, zonder uit te roepen: “Zijt Gij gekomen om ons te pijnigen vóór den tijd?” Er is immers nog een mogelijkheid om de toekomende toorn te ontvlieden en alles wat ervan gezegd kan worden, schiet tekort bij wat de verdoemden zullen voelen, want “wie kent de sterkte van Gods toorn?” Het laatste dat onze Heere deed voor Hij de aarde verliet was, dat Hij Zijn handen ophief en Zijn discipelen zegende (Lukas 24:50, 51). Het laatste echter wat Hij zal doen, voordat Hij de troon verlaat, is dat Hij Zijn vijanden zal vervloeken en veroordelen, zoals wij vernemen uit de tekst die het vreselijk vonnis bevat, waarin de eeuwige ellende van de godlozen is samengevat.

 

Er zijn hier drie dingen waar wij op moeten letten:

1.         De hoedanigheid van de veroordeelden: gij vervloekten. De Rechter komt tot de bevinding dat de vloek van de wet op hen als overtreders rust. Hij zendt hen ermee weg uit Zijn tegenwoordigheid naar de hel, waar de vloek volledig aan hen ten uitvoer zal worden gebracht.

2.         De straf waartoe zij verwezen worden en waaraan zij altijd krachtens de vloek verbonden waren. Ze is tweeledig: de straf van verlies die bestaat uit de scheiding van God en Christus: “Gaat weg van Mij”; en de straf van gevoel, die bestaat uit de hevigste en uiterste pijnigingen: “Gaat weg van Mij in het vuur.”

3.         De verergeringen van hun pijnigingen.

a.         In de eerste plaats staan de pijnigingen voor hen gereed. Het vuur is bereid en het staat klaar om hen die erin geworpen worden aan te grijpen.

 

b.         In de tweede plaats zullen zij bij hun pijnigingen het gezelschap hebben van duivelen, omdat zij met hen in de hel opgesloten zijn. Zij moeten weggaan naar hetzelfde vuur dat bereid is voor Beëlzebub, de overste van de duivelen, en van zijn engelen, namelijk de andere verworpen engelen die samen met hem vielen en duivelen werden. Er staat dat het voor hen bereid is, omdat zij zondigden en tot de hel veroordeeld werden voordat de mens zondigde. Dat zij dezelfde pijnigingen moeten ondergaan, en in dezelfde plaats van pijnigingen terechtkomen als de duivel en zijn engelen, wijst op meerdere ontzetting. Zij luisterden naar zijn verleidingen en zij moeten delen in zijn pijnigingen. Zij wilden zijn werken doen en zij moeten het loon ontvangen, namelijk de dood. In dit leven verenigden zij zich met de duivelen in vijandschap tegen God en Christus en tegen de weg der heiligheid, en na dit leven moeten zij bij hem wonen. Dus zullen al de bokken samen worden opgesloten, want die naam wordt in de Schrift zowel aan de duivelen als aan de godlozen gegeven. In Leviticus 17:7 betekent het woord dat vertaald wordt met “duivelen”, eigenlijk “hangen”, of “bokken”. In de gedaante van deze dieren verschenen duivelen graag aan hun aanbidders.

 

c.         In de derde plaats is de eeuwige duur van hun pijniging de laatste verergering van de straf. Zij moeten weggaan naar het eeuwige vuur. Dit vormt het toppunt van hun ellende, namelijk, dat er nooit een eind aan zal komen.

 

Leerstuk: De godlozen zullen onder de vloek van God met de duivelen in de hel opgesloten worden in eeuwige ellende. Nadat ik bewezen heb dat er een opstanding van het lichaam zal zijn en een algemeen oordeel, denk ik dat het niet nodig zal zijn om te eisen dat de waarheid van toekomende straffen bewezen wordt. Dezelfde bewustheid van een toekomstig oordeel die er in ieder mens aanwezig is, getuigt ook van de waarheid van toekomstige straffen. Dat de straf van de veroordeelden niet zal bestaan uit vernietiging, of uit het terugbrengen van hen tot het niets, zal tijdens onze verhandeling duidelijk worden.

Bij de behandeling van dit vreselijke onderwerp zal ik de volgende vier dingen onderzoeken:

 

1.         De vloek waaronder de verdoemden zullen worden opgesloten.

2.         Hun ellende onder die vloek.

3.         Hun gezelschap met duivelen in deze ellendige staat.

4.         De eeuwigheid van het geheel.

 

 

l.  De vloek waaronder de verdoemden zullen worden opgesloten.

Wat betreft de vloek waaronder de verdoemden in de hel zullen worden opgesloten, merk ik op, dat deze het verschrikkelijke vonnis is van de wet, waardoor zij als overtreders vast verbonden zijn aan de toorn Gods. Deze vloek legt niet pas beslag op hen wanneer zij, als zij voor de rechterstoel staan, hun vonnis ontvangen. Zij werden eronder geboren en zij leidden hun leven eronder in deze wereld. Zij stierven eronder en zij stonden ermee op uit hun graf, en de Rechter Die oordeelt dat de vloek op hen rust, zendt hen ermee weg naar de put des afgronds, waar de vloek tot in alle eeuwigheid op hen zal liggen. Van nature verkeren alle mensen onder de vloek, maar hij wordt van de uitverkorenen afgenomen krachtens hun vereniging met Christus. De vloek blijft rusten op de overigen van de zondige mensheid en zij worden erdoor tot het verderf overgegeven, “afgescheiden ten kwade”, zoals men de vloek volgens Deuteronomium 29:21 wel kan beschrijven: “En de HEERE zal hem ten kwade afscheiden.”

Zo zullen de verdoemden voor eeuwig mensen zijn die aan hel verderf overgegeven zijn. Zij worden afgescheiden en apart gezet van de overigen van de mensheid tot het kwade, als vaten des toorns. Zij worden neergezet als doelwit voor de pijlen van de Goddelijke toorn. Zij nemen in het algemeen de wraak in ontvangst die op hen komt te rusten. Deze vloek heeft zijn eerste vruchten op de aarde en ze zijn een onderpand van de hele massa die zal volgen. Tijdelijke en eeuwige weldaden worden soms onder dezelfde uitdrukking samengevat in de belofte aan Gods volk, zoals in Jesaja 35:10: “En de vrijgekochten des HEEREN zullen wederkeren en tot Sion komen”, enzovoort, wat zowel betrekking heeft op de terugkeer uit Babel, als op de heiligen die tot hun eeuwige rust in de hemel ingaan. Zo wordt ook tijdelijke en eeuwige ellende die rust op de vijanden van God, soms samengevat in één en dezelfde uitdrukking in de bedreiging, zoals wij die vinden in Jesaja 30:33: Want Tofeth is van gisteren bereid; ja, hij is ook voor den koning bereid; Hij heeft hem diep en wijd gemaakt; het vuur en hout van zijn brandstapel is veel; de adem des HEEREN zal hem aansteken als een zwavelstroom.” Dit heeft zowel betrekking op het tijdelijke als op het eeuwige verderf van de Assyriërs die voor Jeruzalem vielen door de hand van de engel. (Zie ook Jes. 66:24). Wat is die verblindheid om te kunnen oordelen waaraan velen zijn overgegeven “in dewelke de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft” (2 Kor. 4:4) anders dan de eerste vrucht van de hel en van de vloek? Hun zon gaat midden op de dag onder, hun duisternis neemt steeds toe alsof er geen eind aan wil komen, totdat ze uitloopt op uiterste duisternis. De consciëntie geeft de godlozen in de duisternis menige zweepslag waarvan de wereld niet hoort. Wat is dat anders, dan dat de worm die nooit sterft al aan hen begonnen is te knagen? Er is er niet een van deze of ze kunnen hem wel Jozef noemen, want de Heere zal een andere eraan toevoegen of liever Gad, want “er komt een hoop”. Deze druppels van de toorn zijn verschrikkelijke voortekenen van de stortbui die zal volgen. Soms worden zij overgegeven aan hun “oneerlijke bewegingen”, zodat zij er geen macht meer over hebben (Rom. 1:26). Zodoende bereiken hun wellusten steeds meer de volmaaktheid, als ik het zo eens mag zeggen. Zoals in de hemel de genade tot volmaaktheid geraakt, zo bereikt de zonde in de hel haar hoogste punt. Terwijl de zonde zo in de mens oprukt, is hij steeds dichter bij de hel en is hij steeds meer aan de hel gelijk. Er zijn hier drie dingen die een afschuwelijke aanblik vertonen:

 

1.         Wanneer alles wat aan de ziel van de mens goed zou kunnen doen, hem absoluut geen nut doet, zodat zijn “zegeningen” vervloekt worden (Mal. 2:2). Predicaties, gebeden, vermaningen en bestraffingen, die op anderen een krachtige uitwerking hebben, doen hem totaal niets.

2.         Wanneer mensen, ondanks duidelijke berispingen van de Heere, toch blijven zondigen tegen Zijn inzettingen en Zijn wil. Dan komt de Heere hen tegen met de roede, alsof Hij hen terug wil slaan, maar toch rennen zij voort. Wat kan er meer op de hel lijken dan dat de Heere steeds maar slaat, en de verdoemden steeds maar blijven zondigen?

3.         Wanneer alles in iemands levenslot veranderd wordt in brandstof voor zijn zinnelijke lusten. Zo doen tegenspoed en voorspoed, armoede en rijkdom, het gemis van ordonnantiën of het genieten ervan, niets anders dan de verdorvenheden in velen voeden. Hun bedorven maag bederft alles wat erin komt, en vergroot alleen hun slechte gemoedsgesteldheden. De volle oogst volgt echter in die ellende waaronder zij voor eeuwig zullen liggen in de hel, wanneer die toorn krachtens de vloek “over hen zal komen tot het einde.” Dan wordt de vloek ten volle uitgevoerd. Deze zwarte wolk stort zich over hen uit en de verschrikkelijke bliksemflits treft hen door die ontzettende stem vanaf de troon: “Gaat weg van Mij, gij vervloekten”, enzovoort. Dit zal de gehele goddeloze wereld een treurige aanblik bieden van wat de vloek werkelijk inhoudt.

 

a.         Deze stem is in de eerste plaats een stem van uiterste verontwaardiging en toorn, een woedend verwijt van “de Leeuw uit de stam van Juda.” Die Leeuw zal er vreselijk voor hen uitzien: Zijn ogen zullen vuurvlammen op hen werpen en Zijn woorden zullen hun harten als vergiftige pijlen doorboren. Wanneer Hij hen zo met Zijn woorden voor eeuwig uit Zijn tegenwoordigheid verdrijft, en hen door Zijn woord van voor de troon verjaagt, dan zullen zij beseffen hoe fel de toorn van Zijn hart tegen hen brandt vanwege hun zonden.

b.         Het is in de tweede plaats een stem van uiterste verachting en versmading door de Heere. Er was een tijd dat men met hen te doen had, dat hen gesmeekt werd medelijden met zichzelf te hebben en des Heeren te zijn, maar zij verachtten Hem, zij wilden niets van Hem weten. Nu zullen zij echter uit Zijn gezicht begraven worden, onder eeuwige versmading.

c.         Het is in de derde plaats een stem van uiterste haat. Hierdoor sluit de Heere hen buiten de ingewanden van liefde en barmhartigheid: “Gaat weg, gij vervloekten.” Dat wil zeggen: “Ik kan het niet verdragen naar u te kijken. Er is niet één voornemen ten goede voor u in Mijn hart en u zult ook nooit meer één woord van hoop van Mij horen.”

d.         Het is in de vierde plaats een stem van eeuwige verwerping door de Heere. Hij beveelt hen weg te gaan en zo verwerpt Hij hen voor eeuwig. Zo worden de deuren van de hemel voor hen gesloten en zij worden naar de put des afgronds gedreven. Al zouden zij nu met alle mogelijke ernst roepen: “Heere, Heere, doe ons open”, dan zullen zij toch niets anders horen dan: “Gaat weg, gaat weg, gij vervloekten.” Zo zullen de verdoemden opgesloten worden onder de vloek.

Nuttig gebruik.

 

1.         Laten al degenen die nog onder de vloek verkeren, omdat zij in hun natuurstaat zijn, hier goed over nadenken. Laten zij op tijd naar Christus vlieden, opdat zij ervan verlost worden. Hoe kunt u in die staat slapen, terwijl u geheel door de vloek omgeven bent! Jezus Christus zegt nu tot u: “Komt, gij vervloekten. Ik zal de vloek van u afnemen, en u de zegen geven.” De wateren van het heiligdom stromen nu om de vervloekte grond gezond te maken. Zorg ervoor om ze voor dat doel voor uw eigen ziel te gebruiken. Wees er beducht voor – als voor de hel – dat u er geen geestelijk voordeel uit zou verkrijgen. Bedenk dat “de modderige plaatsen” die noch zee noch land zijn (een gepast zinnebeeld van de geveinsden) en “de moerassen”, die geen vissen voortbrengen noch bomen dragen, maar die door de wateren van het heiligdom onvruchtbaar worden achtergelaten zoals ze daarvoor waren, “niet gezond zullen worden.” Daar zij het enige geneesmiddel versmaden, zullen zij “tot zout” overgegeven worden. Zij zullen eeuwig onvruchtbaar blijven. Zij zullen opgericht worden als monumenten van de toom Gods en voor eeuwig onder de vloek besloten zijn (Ezech. 47:11).

2.         Laten alle vloekers, die de mond vol hebben met zichzelf en anderen te vervloeken, bedenken, dat “hij die zich bekleedt met de vloek”, zal ondervinden dat de vloek “gaat tot in het binnenste van hem als het water en als olie in zijn beenderen” (Psalm 109:18), indien berouw dit niet voorkomt. Hij zal al zijn verwensingen die tegen zichzelf gericht waren, ten volle beantwoord krijgen op die dag, waarop hij voor de rechterstoel van God zal staan en hij het dodelijk gewicht van Gods vloek waar hij nu licht over denkt, zal ondervinden.

 

2.  Hun ellende onder die vloek.

Ik ga nu verder met het spreken over de ellende van de verdoemden onder die vloek. Het is een ellende die de tongen van mensen en engelen niet voldoende kunnen uitdrukken. God handelt altijd, zoals Hij Zelf is: geen gunsten kunnen aan die van Hem gelijk zijn, en Zijn toorn en verschrikkingen zijn niet te evenaren. Zoals de heiligen in de hemel bevorderd worden tot de hoogste trap van gelukzaligheid, zo bereiken de verdoemden in de hel het toppunt van rampzaligheid. Ik zal hier op bescheiden wijze op twee dingen ingaan, namelijk op de straf van het verlies en op de straf van het gevoel in de hel. Daar er echter zoveel dingen zijn die het oog niet heeft gezien, noch het oor heeft gehoord, moeten wij, zoals aardrijkskundigen dat doen, een grote lege plaats overlaten voor “het onbekende land” dat de dag zal openbaren. De straf van het verlies die een scheiding van God inhoudt. De straf van het verlies die de verdoemden zullen ondergaan, houdt de scheiding in van de Heere, zoals wij dat vernemen uit de tekst: “Gaat weg van Mij, gij vervloekten.” Dit zal een steen zijn op de mond van hun graf, als de “plaat van lood” (Zach. 5:7, 8), die hen voor eeuwig in bedwang zal houden. Zij zullen eeuwig van God en Christus gescheiden zijn. Christus is de Weg tot de Vader, maar de weg zal, wat hen betreft, voor eeuwig afgesloten zijn. De brug zal opgetrokken zijn en de grote kloof gevestigd. Zo zullen zij opgesloten zijn in een staat van eeuwige scheiding van God, de Vader, Zoon en Heilige Geest. Zij zullen in die plaats gescheiden zijn van de Mens Christus, en zij zullen nooit kunnen komen tot de zitplaats van de gezegenden, waar Hij verschijnt in Zijn heerlijkheid, maar zij zullen geworpen worden in “de buitenste duisternis” (Matth. 22:13). Zij kunnen in die plaats inderdaad niet gescheiden zijn van God, want zij kunnen niet in een plaats zijn waar Hij niet is, omdat Hij overal tegenwoordig is en overal tegenwoordig zal zijn. “Bedde ik mij in de hel”, zegt de psalmist, “zie, Gij zijt daar” (Psalm 139:8).

 

Zij zullen echter onuitsprekelijk ellendig zijn in een betrekkelijke scheiding van God. Hij zal tegenwoordig zijn tot in het allerbinnenste van hun ziel (als ik het zo eens mag uitdrukken), terwijl zij gehuld zijn in vurige vlammen in de uiterste duisternis. Dat zal niet alleen zijn om hen te voeden met de azijn van Zijn toorn, om hen de gevolgen van Zijn wrekende gerechtigheid te laten voelen, maar zij zullen ook nooit meer Zijn goedheid en mildheid smaken. Evenmin zullen zij de minste glimp van hoop van Hem ontvangen. Zij zullen zien dat Zijn hart zich volkomen van hen afgewend heeft, en dat het niet op hen gericht kan zijn, maar dat zij de partij zijn op wie de Heere voor eeuwig verbolgen zal zijn. De heerlijke tegenwoordigheid en genieting van God zal hun onthouden worden. Zij zullen geen deel hebben aan die zalige aanschouwing. Zij zullen ook niets in God zien jegens hen dan dat de ene golf van toorn na de andere over hen heen zal rollen. Dit zal een overstelpende vloed van smart over hen brengen tot in alle eeuwigheid. Zij zullen nooit proeven van de beken der wellusten waar de heiligen in de hemel van genieten. Het zal voor hen eeuwig winter zijn en een eeuwigdurende nacht, omdat de Zon der gerechtigheid van hen heengegaan is en zo zijn zij in de uiterste duisternis achtergelaten. Zo groot de gelukzaligheid van de hemel is, zo groot zal hun verlies zijn, want zij kunnen er nooit iets van krijgen.

 

a.         De scheiding van de godlozen van God zal in de eerste plaats een gedwongen scheiding zijn. Nu gaan zij van Hem weg en willen zij niet tot Hem komen, hoewel zij geroepen, dringend verzocht en gesmeekt worden om te komen. Dan zullen zij echter van Hem weggedreven worden, wanneer zij heel graag bij Hem zouden blijven. Hoewel de vraag “Wat is uw Liefste meer dan een andere liefste?” nu dikwijls gesteld wordt onder de verachters van het Evangelie, toch zal deze vraag niet gesteld worden onder het verdoemde gezelschap, want dan zullen zij zien dat de geluk¬zaligheid van de mens alleen te vinden is in de genieting van God en dat het verlies van Hem een verlies is dat nooit goed gemaakt kan worden.

b.         De scheiding zal in de tweede plaats een totale en volledige scheiding zijn. Hoewel de godlozen in dit leven gescheiden zijn van God, is er toch een soort gemeenschap tussen hen. Hij geeft hun vele goede gaven en zij geven Hem tenminste enige goede woorden, zodat de vrede niet geheel hopeloos is. Dan zal er echter een totale scheiding zijn, omdat de verdoemden “geworpen worden in de buitenste duisternis”, waar niet het minste straaltje licht of de minste gunst van de Heere zal zijn. Dat zal een eind maken aan alle schone woorden die aan Hem gericht worden.

c.         De scheiding zal in de derde plaats een definitieve scheiding zijn. Zij zullen van elkaar scheiden om elkaar nooit meer te ontmoeten, omdat zij opgesloten zijn onder eeuwigdurende schrik en wanhoop. Het huwelijk tussen Christus en de ongelovigen, dat zo dikwijls scheen voltrokken te worden, maar weer tegenhouden werd, zal dan voor eeuwig beëindigd worden. Nooit zal er nog een tijding van genegenheid of welwillendheid tussen de partijen uitgewisseld worden.

Deze straf van verlies in een totale en definitieve scheiding, is een ellende die boven het bevattingsvermogen van stervelingen ligt en die alleen de vreselijke ondervinding van de verdoemden voldoende kan openbaren. Laten wij echter om enig begrip van de verschrikking te krijgen over de volgende dingen eens goed nadenken.

 

De verschrikking van deze scheiding

1. God is het voornaamste Goed en daarom moet het gescheiden zijn van Hem, het voornaamste kwaad zijn. Als ons geboorteland, onze familiebetrekkingen, ons leven goed zijn, dan rekenen wij het voor een groot kwaad om daarvan beroofd te worden en hoe beter iets is, des te groter kwaad is het verlies ervan. Aangezien God het voornaamste Goed is, en er geen goed is dat met Hem te vergelijken is, kan er geen verlies zo groot zijn als het verlies van God. De volle genieting van Hem is de hoogste top van gelukzaligheid die een schepsel kan bereiken. Volledig en definitief van Hem gescheiden te zijn moet dan de laagste tree van ellende zijn, waartoe het redelijke schepsel verlaagd kan worden. Verworpen te worden door mensen, door goede mensen, door de beste mensen, is erg. Wat moet het dan zijn verworpen te worden door God, door de Goedheid Zelf?

 

2. God is de Fontein van alle goedheid. Uit Hem stroomt alle goedheid tot de schepselen en door Hem blijft ze in hen en aan hen. Welke goedheid of voortreffelijkheid, natuurlijke of zedelijke, er zich ook in enig schepsel bevindt, ze is van God. Ze hangt van Hem af, zoals het licht komt van de zon en afhankelijk is van de zon, want ieder geschapen wezen is als zodanig een afhankelijk wezen. Daarom kan het niet anders, of een totale scheiding van God, waarbij alle aangename gemeenschap tussen God en een redelijk schepsel volkomen afgesloten wordt, moet wel een totale verduistering van alle licht, van troost en gemak, of wat het ook zij, met zich meebrengen. Als er slechts één raam of open plaats in een huis is, en het wordt helemaal dicht gemaakt, dan is het duidelijk dat er niets in dat huis kan zijn dan duisternis. Onze Heere vertelt ons in Mattheüs 19:17: “Niemand is goed dan Eén, namelijk God.” Niets dat goed is of aangenaam komt oorspronkelijk van het schepsel. Wat voor goeds of aangenaams men ook vindt in zichzelf, zoals gezond¬heid van lichaam, gemoedsrust; wat voor liefelijkheid, rust, genoegen of vreugde men ook vindt in andere voortbrengselen van de schepping, zoals in spijs, drank, kunsten en wetenschappen, allemaal zijn ze slechts enige flauwe stralen van de Goddelijke volmaaktheden. Ze worden door God aan het schepsel medegedeeld en ze zijn afhankelijk van een voortdurende invloeiing van Hem voor hun instandhouding. Als die instandhouding zou ontbreken, dan zouden ze onmiddellijk weg zijn, want het is onmogelijk dal enig geschapen ding voor ons meer of beter kan zijn dan zoals God het heeft gemaakt. Al de beekjes van troost, binnen in onszelf of buiten onszelf, komen van God als hun Bron. Als de stroom van die Bron naar ons wordt stilgelegd, dan kan het niet anders of alle beekjes moeten wel opdrogen. Wanneer God weggaat, gaat alles wat goed en aangenaam is met Hem weg, alle gemak en rust van lichaam of geest: Wee hun, als Ik van hen zal geweken zijn” (Hos. 9:12). Wanneer de godlozen totaal en definitief van Hem gescheiden worden, dan keert alles wat aangenaam in hen is, of aangenaam om hen heen is, terug naar hun Fontein, zoals het licht weggaat met de zon en duisternis in plaats daarvan volgt. Zo wordt bij hun scheiding van God alle vrede ver van hen verwijderd en pijn in het lichaam en angst in de ziel volgen erop. Alle blijdschap verdwijnt en onvermengde smart daalt in hen af. Alle stilte en rust wijken van hen en zij worden vervuld met schrik en woede. De hoop vliedt weg en wanhoop grijpt hen aan. Gewone werkingen van de Geest die hen nu in bedwang houden, worden voor eeuwig van hen weggenomen en de zonde bereikt haar uiterste hoogte. En zo hebben wij een troosteloos gezicht van het verschrikkelijke schouwspel van zonde en ellende, dat een schepsel vertoont, wanneer hij totaal van God gescheiden is en aan zichzelf is overgelaten. Men kan nu begrijpen dat deze scheiding juist de hel in de hel uitmaakt.

 

Omdat zij van God gescheiden zijn, zijn zij van alle goeds beroofd. De goede dingen waarop zij hun hart zetten in deze wereld, zijn daar buiten hun bereik. De begerige mens kan daar niet van zijn rijkdom genieten, noch de eerzuchtige mens van zijn eer, noch de genotzieke mens van zijn plezier, nee, zelfs niet van een druppel water om “zijn tong te verkoelen” (Lukas 16:24, 25). Er is daar geen spijs of drank om de zwakken te versterken, geen slaap om de vermoeiden te verkwikken, en geen muziek of aangenaam gezelschap om de treurigen te troosten en op te vrolijken. En wat betreft deze goede dingen die zij in de wereld hebben veracht, zij zullen er nooit meer van horen en zij zullen ze ook nooit meer zien. Daar wordt Christus niet meer aangeboden, daar is geen vergeving, geen vrede meer. Er zijn geen bronnen van zaligheid in de put des verderfs. In één woord, zij zullen beroofd zijn van wat hen ook maar zou kunnen troosten, omdat zij volkomen en definitief gescheiden zijn van God, de Fontein van alle goedheid.

 

3. De mens begeert van nature gelukkig te zijn. Aangezien hij zichzelf er bovendien van bewust is, dat hij niet op zichzelf kan bestaan, heeft hij altijd een begeerte naar iets dat buiten hem is om hem gelukkig te maken. Omdat de ziel door haar natuurlijke aard en gesteldheid in staat is God te genieten en omdat er niets anders is dat evenredig is aan haar begeerten, kan ze nooit een ware en vaste rust vinden, tot ze rust vindt in de genieting van God. Deze begeerte naar gelukzaligheid kan het redelijke schepsel nooit opzij leggen, nee, zelfs niet in de hel. Terwijl de godlozen nu op aarde zijn, zoeken zij hun bevrediging in het schepsel, en als de één niet voldoet, dan gaan zij naar een ander schepsel. Zo brengen zij hun tijd in de wereld door, terwijl zij hun eigen ziel bedriegen en haar verlokken met ijdele hoop. In de andere wereld, wanneer zij alle troost van de schepselen opeens tegelijk moeten ontberen en wanneer de schaduwen die zij nu najagen alle in één ogenblik plotseling verdwenen zijn, zullen zij echter volkomen en definitief van God gescheiden zijn en zullen zij inzien dat zij Hem zo verloren hebben. Zo zijn de deuren van de aarde en de hemel beide tegelijk voor hen gesloten. Dit zal onuitsprekelijke zielsangst in hen teweegbrengen, omdat zij zullen leven onder een eeuwige knagende honger naar gelukzaligheid, waarvan zij zeker weten dat die nooit in de geringste mate gestild zal worden, omdat alle deuren voor hen gesloten zijn. Wie kan zich dan voorstellen, hoe deze scheiding van God de verdoemden door het hart zal snijden! Hoe zullen zij onder deze scheiding razen en tieren en hoe zal deze hen in alle eeuwigheid doorsteken en kwellen!

 

4. De verdoemden zullen weten dat sommigen van wie zij zelf gescheiden zijn, volmaakt gelukkig zijn in de genieting van die God. Dat zij nooit enig deel kunnen hebben met deze gelukkigen, zal het gevoel van hun verlies verergeren. Omdat zij gescheiden zijn van God, zijn zij gescheiden van het gezelschap van de verheerlijkte heiligen en engelen. Zij kunnen Abraham van verre zien, en Lazarus in zijn schoot (Lukas 16:23), maar zij kunnen nooit in hun gezelschap komen, aangezien zij, als onreine melaatsen, buiten het leger zijn gestoten, en uit de tegenwoordigheid van de Heere en van al Zijn heiligen zijn verbannen. Sommigen zijn de mening toegedaan, dat iedere persoon in de hemel of in de hel alles zal horen en zien wat er in beide staten plaatsvindt. Wat hiervan ook gezegd kan worden, wij hebben grond uit het Woord om tot de conclusie te komen dat de verdoemden een zeer uitstekende kennis zullen hebben van de gelukzaligheid van de heiligen in de hemel, want wat kan er anders mee bedoeld worden dat de rijke man in de hel Lazarus zag in de schoot van Abraham? Eén ding is duidelijk in dit geval, namelijk dat hun eigen kwellingen hun zulke indrukken zullen geven van de gelukzaligheid van de heiligen, als een zieke man heeft van gezondheid, of als een gevangene heeft van vrijheid. En omdat zij zeker wel na zullen denken over de gelukzaligheid van hen die in de hemel zijn, zonder dat zij enige hoop hebben dat zij zelf ooit tevreden kunnen zijn over hun eigen lot, zal iedere gedachte aan die gelukzaligheid hun eigen verlies verergeren. Het moet een geweldige kwelling zijn voor een hongerig man om anderen overvloedig te zien smullen van een feestmaal, terwijl hij zo vastgeketend zit dat hij niet één kruimel kan krijgen om zijn knagende honger te bevredigen. Met muziek en dans aan te komen bij een man die zich voortsleept onder vreselijke pijnen, zou zijn lijden slechts doen toenemen. Hoe zullen dan de gezangen van de gezegenden in hun genieting van God, de verdoemden doen razen onder hun scheiding van Hem!

 

5. Zij zullen zich herinneren dat er een tijd is geweest dat zij tot deelgenoten hadden kunnen worden gemaakt van de gezegende staat van de heiligen in hun genieting van God. Dit zal het gevoel van hun verlies verzwaren. Allen kunnen zich herinneren, dat er eens een mogelijkheid toe bestond; dat zij eens in de wereld waren, waar in sommige streken de weg der zaligheid in het openbaar aan de mensen verklaard werd, en zij kunnen wel wensen dat zij de wereld waren doorgetrokken, tot zij het hadden ontdekt. Verachters van het Evangelie zullen zich met bitterheid herinneren, dat Jezus Christus met al Zijn weldaden aan hen werd aangeboden, dat zij vermaand, gesmeekt werden en dat er bij hen op aan werd gedrongen om Hem aan te nemen, maar dat zij niet wilden. Zij zullen zich herinneren dat zij gewaarschuwd werden voor de ellende die zij nu voelen, en dat hen gesmeekt werd te vlieden voor de toekomende toom, maar zij wilden niet luisteren. Als men het aanbod van het Evangelie versmaad heeft, dan zal dat een hete hel veroorzaken, en het verlies van een aangeboden hemel zal een gewicht zijn dat de geest van de ongelovigen in de put des afgronds terneerdrukt. Sommigen zullen zich herinneren dat er een waarschijnlijkheid was dat zij eeuwig gelukzalig zouden zijn; dat zij er eens goed voor schenen te staan, en dat zij “niet ver waren van het Koninkrijk Gods”; dat zij eens bijna hadden toegestemd in de gezegende overeenkomst, dat zij als het ware de pen reeds in de hand hadden om het huwelijkscontract tussen Christus en hun ziel te tekenen, maar dat zij de pen jammer genoeg lieten vallen en van de Heere weer terugkeerden naar hun lusten. En anderen zullen zich herinneren dat zij er zeker van waren dat zij naar de hemel zouden gaan, maar omdat zij verblind waren door hoogmoed en zelfbedrog, achtten zij de instellingen beneden hun waardigheid en vonden zij zich te wijs om onderricht te ontvangen. Zij wilden hun staat niet onderzoeken, wat hun ondergang betekende. Dan zullen zij echter tevergeefs wensen, dat zij zichzelf gehouden hadden voor de slechtste van de gemeente waartoe zij behoorden. Zij zullen dan de dwaze dunk die zij van zichzelf hadden en die anderen van hen hadden, vervloeken. Dus zal het de verdoemden pijnlijk treffen, dat zij aan dit verlies hadden kunnen ontsnappen.

 

6. Zij zullen inzien dat het verlies niet meer ongedaan te maken is, dat zij er eeuwig onder moeten liggen en dat het nooit, nooit meer te herstellen is. Als de verdoemden na miljoenen eeuwen in de hel terug zouden kunnen krijgen wat zij verloren hebben, dan zou er enige reden zijn om hoop te hebben. De prijs is echter weg en hij kan niet meer verkregen worden. Er zijn hier twee dingen die hun het hart zullen doorsteken. In de eerste plaats dat zij de waarde ervan nooit kenden, tot het onherstelbaar verloren was. Als een man een aarden vat vol met goud zou weggeven voor een kleinigheid en niet zou weten wat erin was, totdat hij het geheel kwijt was geraakt en het niet meer terug kon krijgen, hoe zou deze dwaze daad hem dan razend maken, nadat hij tot de ontdekking was gekomen hoe kostbaar de inhoud ervan was! Het geval van zo iemand kan slechts een flauwe gelijkenis vertonen met het geval van de verachters van het Evangelie, toen “zij hun ogen ophieven in de hel”, en tot hun schrik datgene zien dat zij nu niet tot hun zaligheid willen zien. In de tweede plaats dat zij de zaligheid hebben verloren voor schade en drek, dat zij hun deel van de hemel verkocht hebben, en zich niet verrijkt hebben met de prijs. Zij hebben de hemel verloren voor aardse voordelen en genietingen en nu hebben zij beide verloren. De bekers van de dronkaard zijn weg, de winst van de hebzuchtige mens is weg, de vleselijke genoegens van de wellustige mens zijn weg, en het gemak van de luiaard is weg. Zij hebben nu niets meer over dat hen kan troosten. De gelukzaligheid die zij hebben verloren, blijft inderdaad, maar zij kunnen er in der eeuwigheid geen deel aan hebben. Zondaars, laat u overreden om door Jezus Christus tot God te komen, en verenig u met Hem door een Middelaar, opdat u bewaard mag blijven voor een vreselijke scheiding van Hem. O, wees er toch bang voor om in een staat van scheiding van God te leven, opdat wat u nu kiest, niet uw eeuwige straf wordt na de dood. Wijs de gemeenschap met God niet af, verwerp de gemeenschap der heiligen niet, want het zal de ellende van de verdoemden zijn dat zij weggedreven worden uit die gemeenschap. Houd ermee op om een muur van scheiding te bouwen tussen God en u door voort te gaan in uw zondige weg. Heb liever op tijd berouw en breek die muur af, opdat de bovenste steen er niet opgelegd wordt en hij voor altijd tussen u en de gelukzaligheid in zal staan. Beef bij de gedachte van de verwerping en scheiding van God. Door wie mensen op aarde ook verworpen worden, toch vinden zij gewoonlijk wel sommige mensen die medelijden met hen hebben. Als u echter zo van God gescheiden bent, dan zult u bemerken dat alle deuren voor u gesloten zijn. U zult geen medelijden ontvangen van iemand in de hemel; noch de heiligen, noch de engelen zullen medelijden hebben met hen die God totaal verworpen heeft. Niemand zal in de hel medelijden met u hebben. Daar is geen liefde, maar haat. Aangezien zij allen van God verfoeid worden, walgen zij van Hem en walgen zij van elkaar. Dit is de dag van verlies en vrees. Ik toon u een verlies, en u zou er goed aan doen om op tijd te vrezen. Wees bevreesd, opdat u God niet verliest. Als u dat doet, dan zal een lange eeuwigheid doorgebracht moeten worden met het uitschreeuwen van jammerklachten over dit verlies. O, welk een verschrikkelijke domheid! Mensen zijn erg bezorgd om aardse verliezen te voorkomen en zij maken zich daar geweldig druk om, maar zij zijn in gevaar de genieting van God voor eeuwig te verliezen. Zij zijn in gevaar om de hemel, de gemeenschap van de gezegenden, en alle goede dingen voor ziel en lichaam in een andere wereld te verliezen. Toch zijn zij wat die zaak betreft zo zorgeloos, alsof zij niet in staat zijn na te denken. O, vergelijk het heden met de dag waar onze tekst op doelt. Heden is de hemel voor hen die tot nu toe Christus hebben verworpen, geopend, en nog is er plaats als zij willen komen, maar op die dag zullen de deuren gesloten worden. Nu zegt Christus tot u: “Komt.” Dan zal Hij zeggen: “Gaat weg”, omdat u niet wilde komen toen u genood werd. Nu wordt er medelijden getoond: de Heere heeft medelijden met u, Zijn dienstknechten hebben medelijden met u en zij zeggen u dat de put des afgronds voor u is. Zij roepen u toe dat u uzelf geen kwaad moet doen. Dan zal er echter geen medelijden van God of mens te verwachten zijn.

 

De straf van het gevoel in het eeuwige vuur.

De verdoemden in de hel zullen gestraft worden met de straf van het gevoel. Zij moeten van God weggaan naar het eeuwige vuur. Ik ben niet van plan te redetwisten over wat voor soort vuur het is waarheen zij zullen gaan en waarin zij voor eeuwig gepijnigd zullen worden, of het nu een stoffelijk vuur is, of niet. De ondervinding zal de nieuwsgierigheid van hen die geneigd zijn er eerder over te redetwisten dan te proberen eraan te ontsnappen, meer dan bevredigen. Ik wil mij ook niet bemoeien met de vraag waar het vuur is. Het is genoeg dat de worm die nooit sterft en het vuur dat nooit uitgeblust wordt, ergens door onboetvaardige zondaars gevonden zal worden.

Ik zal echter

         ten eerste bewijzen dat het vuur in ieder geval heviger en verschrikkelijker is dan enig vuur waarmee wij op aarde bekend zijn, en

         ten tweede zal ik enige eigenschappen van deze vurige folteringen omschrijven.

 

Wat het eerste betreft: verbranden is de vreselijkste straf en het gaat gepaard met de hevigste pijn en kwelling. Door welke beloning zou een man ertoe gebracht kunnen worden om zijn hand gedurende één uur in de vlam van een kaars te houden? Alle denkbare genietingen op aarde zouden de wellustigste man nooit kunnen overhalen om het te wagen een halfuur te verblijven in een vurige oven; en ook zou al de rijkdom in de wereld de begerigste man niet kunnen overhalen om dit te doen. Toch stellen de mensen zich in feite op veel lagere voorwaarden bloot aan het eeuwige vuur in de hel, dat heviger en verschrikkelijker is dan enig vuur waar wij op aarde mee bekend zijn, zoals dat zal blijken uit de volgende overwegingen.

 

1.         Aangezien in de hemel genade tot volmaaktheid wordt gebracht, bereiken ook het nut en het vermaak daar hun hoogtepunt. Omdat de zonde in de hel tot haar hoogtepunt komt, zo komt ook het leed van de straf daar tot volmaaktheid. Omdat de vreugden in de hemel veel groter zijn dan de vreugden die de heiligen op aarde ontvangen, moeten ook de straffen van de hel veel groter zijn dan welke aardse kwellingen ook. Dat is niet alleen zo met betrekking tot de duur ervan, maar ook met betrekking tot de felheid en hevigheid ervan.

 

2.         Waarom worden de dingen van de andere wereld in het Woord ons voorgesteld in een aards kleed? Dat is toch alleen maar, omdat de zwakheid van ons bevattingsvermogen in zulke zaken, waartoe de Heere het behaagt af te dalen, dit vereist. Er moet toch altijd aangenomen worden dat de dingen van de andere wereld in hun soort volmaakter zijn dan datgene waardoor ze voorgesteld worden. Wanneer de hemel ons voorgesteld wordt onder het beeld van een stad met poorten van parels en straten van goud, verwachten wij daar geen goud en parels, maar iets dat uitnemender is dan deze mooiste en kostbaarste dingen in de wereld. Als wij daarom horen van het helse vuur, dan is het nodig dat wij daar iets onder verstaan, dat heviger, doordringender en kwellender is dan enig vuur dat ooit door onze ogen gezien is. Het is hier waard te bedenken dat de folteringen van de hel ons voorgehouden worden onder verschillende voorstellingen; niet enkel onder die van vuur. De reden daarvan is duidelijk, namelijk dat wat er aan de verschrikking ontbreekt in de ene voorstelling van de hel, wordt aangevuld in een andere voorstelling. Waarom wordt de hemelse gelukzaligheid voorgesteld onder de verschillende beelden van “een schat”, “een paradijs”, “een feest”, “een rust” enzovoort? Is het niet alleen omdat niet een van deze dingen haar voldoende uitbeeldt? Zo worden ook de helse kwellingen voorgesteld onder het beeld van vuur, waarin de verdoemden worden geworpen. Inderdaad een vreselijke voorstelling! Toch is deze niet voldoende om de ellende van de staat van zondaars in de hel uit te drukken. Daarom horen wij ook van “de tweede dood” (Openbaring 20:6), want de verdoemden in de hel zullen altijd stervende zijn. Wij horen ook van “de wijnpersbak van den toorn Gods” (Openbaring 14:19), waarin zij getreden zullen worden in Gods toorn, en vertrapt in Zijn grimmigheid Jes. 63:3). Zij zullen eindeloos verdrukt, gebroken en verbrijzeld worden. Er wordt ook gesproken over “de worm die niet sterft” (Mark. 9:44), die hen eeuwig zal doorknagen; over “een afgrond”, waarin zij voor eeuwig weg zullen zinken (Openbaring 20:3). Het wordt niet zomaar “een vuur genoemd; maar de poel des vuurs en sulfers” (Openbaring 20:10), of ook “de poel des vuurs die met sulfer brandt” (Openbaring 19:20).

Iets vreselijkers kan men zich toch niet voorstellen. Hoewel vuur licht geeft, en “licht” (zoals Salomo opmerkt in Prediker 11:7) “zoet” is, is daar geen licht, maar duisternis, “buitenste duisternis” (Matth. 25:30). Zij moeten immers een eeuwigdurende nacht hebben, omdat er niets kan zijn, dat in enige mate vertroostend of verkwikkend is.

 

3.         Ons vuur kan een geest niet aantasten, dan alleen door medegevoel met het lichaam waarmee de geest verenigd is. Het vuur van de hel zal echter niet alleen doordringen tot het lichaam, maar het zal ook rechtstreeks dringen tot in de ziel van de verdoemden, want het is bereid voor de duivel en zijn engelen. Dat zijn die boze geesten, die op aarde door geen vuur pijn gedaan kunnen worden. Job klaagt zwaarmoedig onder de kastijdingen van Gods Vaderlijke hand, als hij zegt: “De pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt” (Job 6:4). Maar hoe zal de geest van de verdoemden doorstoken worden met de pijlen van de wrekende gerechtigheid! Hoe zullen zij vervuld worden met het vergif van de vloek van deze pijlen! Hoe heftig moet dat vuur zijn dat regelrecht doordringt tot in de ziel, en dat eeuwige branding veroorzaakt in de geest, het levendigste en tederste deel van een mens, waarin verwondingen of pijn het ondraaglijkst zijn!

 

4.         De bereiding van dit vuur bewijst de onuitsprekelijke hevigheid en verschrikkelijkheid ervan. De tekst noemt het “bereid vuur”, ja, “het bereide vuur” in de zin van voortreffelijkheid. Zoals “de drie jongelingen” niet in een gewoon vuur geworpen werden, maar in een vuur dat bereid was voor een bijzonder doel en dat daarom buitengewoon heet was, omdat de oven zevenmaal heter was gemaakt dan gewoonlijk (Dan 3:19, 22), zo zullen de verdoemden in de hel een bereid vuur aantreffen, zoals er nooit één door menselijke vaardigheid is bereid. Het is een vuur dat God Zelf bereid heeft; het is het voortbrengsel van oneindige grootheid voor een bijzonder doel, om daarmee de nauwgezetste en strengste Goddelijke gerechtigheid tegen de zonde te tonen. Dit geeft ons een voldoende bewijs van de voortreffelijkheid van dat vuur. God handelt altijd op een bijzondere wijze die past bij Zijn oneindige wijsheid, of Hij nu handelt voor of tegen het schepsel. En omdat de dingen die Hij bereid heeft voor hen die Hem liefhebben, zó groot en zó goed zijn dat ze niet uit te drukken of te bevatten zijn, moet men wel tot de conclusie komen, dat de dingen die Hij bereid heeft voor hen die Hem haten, zo groot en vreselijk zijn dat ze de gedachten van een mens overtreffen. De brandstapel van Tofeth is veel vuur en hout” (de kolen van dat vuur zijn volgens Psalm 120:4 jeneverkolen; een soort hout dat zeer fel brandt als het aangestoken wordt) en “de adem des HEEREN zal hem aansteken als een zwavelstroom.” Vuur is meer of minder fel, naar verhouding van de brandstof en de wind waardoor het wordt aangeblazen. Welk verstand kan dan ook ten volle de verschrikking begrijpen van “jeneverkolen” die aangeblazen worden door “de adem des HEEREN”? Ja, God Zelf zal “een verterend Vuur” zijn voor de verdoemden (Deut. 4:24). Hij zal in hun ziel en lichaam wezenlijk aanwezig zijn als een Verterend Vuur”. Het is een verschrikkelijk iets om in een vuur te vallen, of om op aarde in een brandende oven opgesloten te worden. De verschrikking hiervan ver¬dwijnt echter in het niets, wanneer men er goed over nadenkt, hoe “vreselijk het is te vallen in de handen des levenden Gods”, wat het lot is van de verdoemden, want: Wie is er onder ons, die bij een verterend Vuur wonen kan? Wie is er onder ons, die bij een eeuwigen Gloed wonen kan?”(Jes. 33:14).

 

Eigenschappen van de vurige pijnen in de hel.

Wat betreft het tweede punt dat ik voorstelde te behandelen, namelijk de eigenschappen van de vurige pijnen in de hel, merk ik het volgende op:

 

1. Het zullen allesomvattende pijnen zijn, omdat ieder deel van het schepsel in die vlam gepijnigd zal worden. Wanneer men in een vurig brandende oven geworpen wordt, dringt het vuur door tot zelfs in de ingewanden en het laat geen lichaamsdeel onaangetast. Welk deel kan dan met rust gelaten worden, wanneer de verdoemden zwemmen in “een poel des vuurs, die met sulfer brandt?”

 

a.         Daar zullen hun lichamen voor eeuwig gepijnigd en verschroeid worden. En zoals zij zondigden, zo zullen zij in alle delen van hun lichaam gepijnigd worden, zodat zij geen gezonde kant hebben om zich naar toe te wenden. Welke gezondheid of welk gemak kan er immers zijn aan een deel van dat lichaam, dat nog verkeert in de hevigste smarten van “de tweede dood”, altijd stervend, maar nooit dood, omdat het gescheiden is van God en van alle verkwikking die Hij het kan geven? Maar zoals de ziel het belangrijkste aandeel had in het zondigen, zo zal ze ook het belangrijkste aandeel hebben in het lijden, omdat ze boordevol gevuld zal worden met de toorn van een God Die de zonde wreekt. De verdoemden zullen eeuwig verkeren onder de diepste indrukken van Gods wrekende gerechtigheid tegen hen. Dit vuur zal hun ziel in hun binnenste doen “smelten als was.” Wie kent de sterkte van die toom die zulk een uitwerking had op de Middelaar, toen Hij stond in de plaats van zondaars: “Mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden Mijns ingewands” (Psalm 22:15).

b.         Hun geest zal gevuld worden met de verschrikkelijke vrees voor Gods onverbiddelijke toorn. Alles waar zij over kunnen denken, uit het verleden, het heden, of de toekomst, zal hun pijn en angst verergeren. Hun wil zal voor eeuwig in alle dingen gedwarsboomd worden. Zoals hun wil altijd lijnrecht stond tegenover de wil van Gods geboden, zo zal God in Zijn handelen met hen in de andere wereld, voor eeuwig krijg voeren tegen hun wil. Wat zij graag zouden willen hebben, dat zullen zij in het minst niet verkrijgen, maar wat zij niet zouden willen hebben, dat zal op hen gebonden worden zonder dat het te verhelpen is. Vandaar dat er nooit meer een aangename genegenheid in hun hart zal opkomen. Hun zelfgenoegzaamheid, en hun plezier, of vreugde in welk ding ook, zullen met wortel en al uitgerukt worden, en zij zullen vervuld worden met haat, woede en toorn tegen God, tegen zichzelf en tegen hun mede¬schepselen, of die nu gelukzalig in de hemel zijn, of net als zij rampzalig in de hel. Zij zullen neergelaten worden in smart, gekweld worden met angst, vervuld worden met afschuw, tot in de ziel gekwetst worden door ergernis, en voortdurend bestormd worden door wanhoop. Dit zal hen doen wenen, de tanden doen knersen en voor eeuwig doen lasteren: “Bindt zijn handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn wening en knersing der tanden” (Matth. 22:13). “En een grote hagel, elk als een talentpond zwaar, viel neder uit den hemel op de mensen; en de mensen lasterden God vanwege de plaag des hagels; want deszelfs plaag was zeer groot” (Openbaring 16:21).

c.         De consciëntie zal een worm zijn, die aan hen knaagt en op hen aast. Wroeging over hun zonden zal hen aangrijpen en hen voor eeuwig kwellen en zij zullen niet in staat zijn om die van zich af te schudden, zoals zij vroeger wel deden, want in de hel sterft hun worm niet (Mark. 9:45, 46).

d.         Hun geheugen zal alleen maar dienstdoen om hun kwelling te vergroten, en elke nieuwe overdenking zal een nieuwe scheut van pijn veroorzaken: “Maar Abraham zeide (namelijk tot de rijke man in de hel): Kind, gedenk dat gij uw goed ontvangen hebt in uw leven” (Lukas 16:25).

 

2. De pijnigingen van de hel zijn menigvuldig. Stelt u zich het geval eens voor dat een man tegelijkertijd lijdt onder een hevige aanval van jicht, niersteen of welke ziekten of pijnen ook die er ooit in één lichaam tegelijk zijn voorgekomen. De martelingen van zo iemand zouden slechts licht zijn in vergelijking met de pijnigingen van de verdoemden, want zoals in de hel alles wat goed en begerenswaardig is, ontbreekt, zo

loeien daar alle kwade dingen samen, aangezien al de gevolgen van de zonde en van de vloek daar hun plaats volgens het laatste oordeel innemen: “En de dood en de hel werden geworpen in den poel des vuurs” (Openbaring 20:14).

Daar zullen zij een gevangenis vinden, waaruit ze nooit kunnen ontsnap¬pen; een poel van vuur, waarin zij eeuwig zullen zwemmen en branden; een put waarin zij nooit een bodem zullen vinden. “De worm die niet sterft”, zal zich met hen voeden, zoals hij zich voedt met lichamen die begraven zijn. “Het vuur dat niet uitgeblust wordt”, zal hen verteren, zoals dode lichamen die verbrand worden.

           Hun ogen zullen in zwarte duisternis gehouden worden zonder het minste aangename lichtstraaltje.

           Hun oren zullen gevuld worden met de vreselijke kreten van het duivelse gezelschap. Zij zullen niets anders proeven dan de azijn van Gods toorn, “de droesem van de beker Zijner grimmigheid.”

           De stank van de bran¬dende poel van sulfer zal daar de geur zijn, en zij zullen voor eeuwig uiterst hevige pijnen gevoelen.

 

3. Het zullen de hevigste en felste pijnigingen zijn, die “wening en knersing der tanden” zullen veroorzaken (Matth. 13:42; 22:13). Ze worden ons voorgesteld onder het beeld van barensweeën, die zeer fel en hevig zijn. Zo zegt de rijke man in de hel: “Ik lijd smarten (namelijk als iemand in barensweeën) in deze vlam” (Lukas 16:24). Ach! Ontzettende pijnen! Afschuwelijke smart waarin zowel ziel als lichaam samen gekweld worden, smart waar geen helpen aan is, hopeloos en eindeloos! Het woord dat in Mattheüs 5:22 en in verschillende andere plaatsen van het Nieuwe Testament voor hel gebruikt wordt, duidt eigenlijk “het dal van Hinnom” aan. De naam is overgenomen van “het dal der kinderen van Hinnom”, waarin Tofeth was (2 Kon. 23:10). Daar offerden afgodendienaars hun kinderen aan de Moloch. Dit moet een groot koperen afgodsbeeld zijn geweest, met armen als die van een mens. Als dit beeld van binnen verhit was door vuur, werd het kind gelegd in de gloeiende armen van het afgodsbeeld. Om te voorkomen dat de ouders het gillen van het kind konden horen, sloegen ze tijdens het afschuwelijke offer op trommels, en daarom noemde men die plaats Tofeth. Zo worden wij gewezen op de hevigheid van de pijnigingen in de hel. Sommigen hebben op aarde smartelijke pijnen verdragen met een verrassende hardnekkigheid en onverschrokken moed. De moed van mensen zal hen daar echter in de steek laten, wanneer zij bemerken dat zij gevallen zijn in de handen van de levende God, en dat zij voor eeuwig geen mogelijkheid om te ontsnappen hoeven te verwachten. Het is wel waar dat er graden van pijniging in de hel zijn. “Het zal Tyrus en Sidon verdraaglijker zijn in den dag des oordeels dan Chorazin en Bethsaïda” Matth. 11:21, 22). Maar de geringste last van de toorn daar zal ondraaglijk zijn, want hoe kan het hart van het schepsel het uithouden, of hoe kunnen zijn handen sterk zijn, wanneer God Zelf “een verterend Vuur” voor hen is? Wanneer “het onkruid” in “busselen” gebonden wordt voor het vuur, dan zullen er “bundelen” zijn van hebzuchtige mensen, van dronkaards, goddeloze vloekers, onkuise mensen, vormelijke huichelaars, ongelovigen en verachters van het Evangelie en soortgelijke mensen. Wanneer de verschillende “bundelen” in het vuur van de hel zijn geworpen, dan zullen sommige heviger branden dan andere, naar gelang hun zonden gruwelijker zijn geweest dan die van anderen. Een fellere vlam zal de bundel van de godlozen aangrijpen, dan de bundel van de ongeheiligde moralisten. De oven zal heter zijn voor hen die tegen beter weten in gezondigd hebben, dan voor hen die in duisternis leefden: “En die dienstknecht, welke geweten heeft den wil zijns heren, en zich niet bereid noch naar zijn wil gedaan heeft, die zal met vele slagen geslagen worden. Maar die denzelve niet geweten heeft, en gedaan heeft dingen, die slagen waardig zijn, die zal met weinige slagen geslagen worden” (Lukas 12:47, 48). Het vonnis echter dat voor allen geldt: “Bindt het in busselen, om hetzelve te verbranden”, drukt de grootste felheid en hevigheid uit van de laagste graad van pijniging in de hel (Matth. 13:30).

 

4. Ze zullen onafgebroken zijn. Er is daar geen onderbreking, geen rust, zelfs niet voor één ogenblik. Zij “zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid” (Openbaring 20:10). Er zijn maar weinig mensen die zo heen en weer geslingerd worden in deze wereld dat zij nooit rust krijgen, maar de verdoemden zullen geen rust krijgen. Zij namen hun rust in de tijd die God bestemd had om te werken. Er komt maar zelden een storm voor zonder dat er enig tijdsverloop is tussen de buien. Er is echter geen onderbreking in de storm die de godlozen in de hel overvalt. Daar zal de afgrond roepen tot de afgrond en de golven van toorn zullen voortdurend over hen heen rollen. Daar zullen de hemelen altijd zwart voor hen zijn en het zal eeuwig nacht voor hen zijn, maar zij zullen geen rust hebben: “Zij hebben geen rust dag en nacht” (Openbaring 14:11).

 

5. Men zal geen medelijden met hen hebben. De straffen die de grootste boosdoeners op aarde worden opgelegd, verwekken enig medelijden bij hen die hen in hun pijn gadeslaan. De verdoemden zullen echter niemand hebben om medelijden met hen te hebben. God zal geen mede¬lijden met hen hebben, maar “in hun verderf lachen” (Spr. 1:26). Het gezegende gezelschap in de hemel zal zich verheugen in de uitvoering van Gods rechtvaardig oordeel en het zal zingen als de rook opgaat in alle eeuwigheid: “En zij zeiden ten tweeden male: Halleluja! En haar rook gaat op in alle eeuwigheid” (Openbaring 19:3). Er kan geen medelijden verwacht worden van de duivel en zijn engelen, die genoegen scheppen in de ondergang van mensenkinderen, en die het in der eeuwigheid aan medelijden zal ontbreken. Daar, waar iedereen weent en zijn tanden knerst onder zijn eigen ondraaglijke smart en pijn, zal men ook geen medelijden met elkaar nebben. Daar zal de natuurlijke liefde uitgedoofd zijn: de ouders zullen niet van hun kinderen houden, noch de kinderen van hun ouders. De moeder zal geen medelijden met haar dochter hebben in deze vlammen, en ook zal de dochter geen medelijden hebben met de moeder. De zoon zal daar, waar iedereen het uit zal schreeuwen onder zijn eigen pijniging, geen achting tonen voor zijn vader, noch de knecht voor zijn meester.

 

6. Om hun ellende volkomen te maken, zullen hun pijnigingen eeuwig duren: “En de rook van hun pijniging gaat op in alle eeuwigheid” (Openbaring 14:11). Ach! Wat is het een vreselijke toestand om gepijnigd te worden in het gehele lichaam en in de ziel, en dat niet door één soort pijniging, maar door vele. Ze zijn allemaal zeer hevig en dat alles zonder onderbreking en zonder medelijden van wie ook! Welk gemoed kan deze dingen zonder ontzetting bevatten! Niettemin, als deze ellendigste toestand tenslotte tot een eind zou komen, dan zou dat nog enige troost verschaffen, maar de pijnigingen van de verdoemden zullen geen einde nemen, maar daarover later meer.

Nuttig gebruik

 

U kunt hieruit het volgende leren:

1.         Welk een kwaad de zonde is. Het is een stroom die de zondaar zal wegvoeren, tot hij verzwolgen zal worden in een oceaan van toorn. De genoegens van de zonde worden te duur gekocht voor de prijs van eeuwigdurende brandingen. Wat baatte het de rijke man, dat hij purperen kleding gedragen had en allen dag vrolijk en prachtig geleefd had, toen hij in de hel was en gehuld was in purperen vlammen en geen druppel water kon krijgen om zijn tong te verkoelen. Wat is het droevig, dat mensen zich zo uitleven in de zonde die zulk “een bitterheid zal zijn in het laatst!” Wat is het droevig dat zij zo gretig drinken uit de giftige beker en dat zij de slang aan hun boezem koesteren die hun hart zal doorsteken en tenslotte hun ingewanden zal doorknagen!

 

2.         Welk een God Hij is, met Wie wij van doen hebben. Welk een haat koestert Hij tegen de zonde en hoe streng straft Hij haar. Weet dat de Heere allerrechtvaardigst is, zowel als allerbarmhartigst, en denk niet dat Hij is zoals u bent. Weg met de noodlottige vergissing, voordat het te laat is! “Gij meent, dat Ik ten enenmale ben gelijk gij; Ik zal u straffen en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen. Verstaat dit toch, gij God vergetenden; opdat Ik niet verscheure, en niemand redde” (Psalm 50:21, 22). Het vuur dat bereid is voor de duivel en zijn engelen, zo duister als het is, zal dienstdoen om te tonen dat God een strenge Wreker van de zonde is.

 

3.         De absolute noodzakelijkheid om door het geloof te vlieden tot de Heere Jezus Christus en dezelfde noodzakelijkheid tot berouw, en heiligheid van hart en leven. De bloedwreker achtervolgt u. O zondaar, haast u en ontkom naar de vrijstad. Was u nu in de fontein van het bloed van de Middelaar, opdat u niet zult omkomen in de “poel des verderfs”. Open uw hart voor Hem, opdat de put des afgronds zijn mond niet over u zal toesluiten. Verlaat uw zonden, want anders zullen ze u verderven. Dood ze, want anders zullen ze voor eeuwig uw dood zijn! Laat de schrik van het helse vuur u er niet toe aanzetten om uw hart nog meer te verharden, zoals misschien zou gebeuren, als u die zondige gedachte koestert, dat “het buiten hoop is (Jer. 2:25). Deze gedachte komt misschien vaker voor onder de hoorders van het Evangelie dan velen zich ervan bewust zijn. Maar er is hoop voor de ergste der zondaren die tot Christus wil komen. Indien er geen goede hoedanigheden in u zijn (zoals er zeker geen kunnen zijn in een natuurlijk mens; ja, geen enkele in welk mens ook, dan alleen die ontvangen worden uit Christus), weet dan, dat Hij uw welkom niet laat afhangen van enige goede hoedanigheden. Neem Hemzelf en Zijn genade aan, die om niet wordt aangeboden aan allen tot wie het Evangelie komt. “Die wil, neme het water des levens om niet” (Openbaring 22:17). “Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen” (Joh. 6:37).

 

Het is waar dat u een zondig schepsel bent en dat u zich niet kunt bekeren. U bent onheilig en u kunt uzelf niet heilig maken. Ja, u hebt getracht uzelf te bekeren, uw zonde te verlaten en heilig te zijn, maar het ontbrak u nog aan berouw, verbetering en heiligheid en daarom zegt gij: “Het is buiten hoop; neen, want ik heb de vreemden lief, en die zal ik nawandelen.” Het is waarlijk geen wonder dat de uitkomst niet beantwoord heeft aan uw verwachting, aangezien u uw werk verkeerd begonnen bent. Eer echter in de eerste plaats God door de getuigenis die Hij gaf van Zijn Zoon, te geloven, namelijk dat het eeuwige leven in Hem is. Eer de Zoon van God door in Hem te geloven en dat houdt in: omhels en stem toe in het vrije aanbod van Christus en van Zijn verlossing van de zonde en van de toorn, die in het Evangelie aan u gedaan wordt. Stel een vast vertrouwen op Hem dat Hij u rechtvaardigheid zal schenken tot uw rechtvaardigmaking en dat Hij u heilig zal maken, aangezien “Hij ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid en heiligmaking” (1 Kor. 1:30). Daarna, als u evenveel vertrouwen kunt schenken aan het Woord van God als u zou willen schenken aan het woord van een eerlijk man die een geschenk aanbiedt en zegt: “Neem het en het is het uwe”, dan mag u geloven dat God uw God is, dat Christus de uwe is, Zijn zaligheid de uwe. Dan mag u geloven dat uw zonden vergeven zijn, dat u kracht in Hem hebt voor uw bekering en voor uw heiligheid, want al deze worden u overgemaakt in het vrije aanbod van het Evangelie. Wanneer u gelooft in de Zoon van God, dan bent u gerechtvaardigd en is de vloek van u weggenomen. Hoe is het echter mogelijk dat u vruchten van heiligheid voort zou kunnen brengen, terwijl de vloek op u ligt? Als de vloek echter weggenomen is, dan wordt de dood die u aangreep met de eerste Adam (volgens de bedreiging in Genesis 2:17) weggenomen. Als gevolg hiervan zult u bemerken dat de banden van de goddeloosheid, die u nu vastgeklemd houden in onboetvaardigheid, aan stukken gebroken worden, zoals de banden van de dood, zodat u in staat zult zijn om u van harte te bekeren. U zult bemerken dat de Geest des levens, op Wiens vertrek de dood volgde, tot uw ziel is teruggekeerd. U zult daarom voortaan in staat zijn om der gerechtigheid te leven. Niemands geval is zo slecht, of deze zou in de tijd op deze wijze hersteld kunnen worden, om in eeuwigheid volmaakt te zijn. Niemands geval is zo goed, of deze zou voor tijd en eeuwigheid bedorven kunnen worden, als er een andere weg wordt genomen.

 

3.  HET VERKEREN IN HET GEZELSCHAP VAN DE DUIVELEN

De verdoemden zullen in hun ellendige staat in de hel in het gezelschap van duivelen verkeren, want zij moeten weggaan in “het vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is.” O, afschuwelijk gezelschap! O, angstaanjagende gemeenschap! Wie zou ervoor kiezen om in een paleis te wonen waar zich altijd duivelen ophouden? Opgesloten te zitten op het aangenaamste plekje op aarde met de duivel en zijn helse kwelgeesten, zou een zeer vreselijke opsluiting betekenen. Hoe zou het hart van een mens bezwijken, en hoe zouden zijn haren ten berge rijzen, als hij zou bemerken dat hij in die toestand omringd was met het helse gezelschap! Maar ach, hoeveel verschrikkelijker moet het zijn met de duivelen in één vuur geworpen te worden en met hen opgesloten te zitten in één kerker, opgesloten te zijn in één poel! Opgesloten worden in een kuil met brullende leeuwen, omringd met slangen en omsingeld door vergiftige basilisken, terwijl tegelijkertijd de ingewanden worden opgegeten door adders, is een vergelijking die tekort schiet om de ellende aan te tonen van de verdoemden die in de hel opgesloten zijn met de duivel en zijn engelen. Ze gaan nu rond als brullende leeuwen, zoekende wie ze zouden kunnen verslinden, maar dan zullen ze opgesloten zijn in hun kuil met hun prooi. Ze zullen boordevol gevuld zijn met de toorn Gods, en ze zullen de volle pijniging ondergaan (Matth. 8:29) die ze nu bevend tegemoet zien (Jak. 2:19), daar ze geworpen zijn in het vuur dat voor hen bereid is. Hoe zullen deze leeuwen brullen en verscheuren! Hoe zullen deze slangen sissen! Hoe zullen deze draken vuur spuwen! Welk een verschrikkelijke angst zal de verdoemden aangrijpen die gewaarworden dat zij in de poel des vuurs zijn met de duivel die hen bedroog. Ze zijn door deze boze geesten daarheen getrokken met de zijden koorden van de verleiding en zij zijn met hen vastgeketend met eeuwige ketenen te midden van duisternis! “En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in den poel des vuurs en sulfers, alwaar het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid” (Openbaring 20:10). O, dat mensen dit op tijd zouden bedenken, en de duivel en zijn lusten zouden verzaken en zich in geloof en in heiligheid zouden verenigen met de Heere. Waarom zouden mensen nu in deze wereld dat gezelschap kiezen en zich verheugen in zulk een gemeenschap, waarmee zij zich niet gaarne zouden verenigen in de andere wereld? Zij die het gezelschap van de heiligen op aarde niet op prijs stellen, zullen dat in de eeuwigheid helemaal moeten missen. Als goddeloos gezelschap nu echter hun vreugde is, dan zullen zij dat naderhand volop krijgen, wanneer zij een eeuwigheid door zullen moeten brengen in het brullende en lasterende gezelschap van duivelen en verworpenen in de hel. Laten zij die gewoon zijn de duivel te smeken hen te komen halen, er eens ernstig over nadenken, dat het gezelschap dat zij zo dikwijls hebben uitgenodigd, tenslotte, als het komt, verschrikkelijk zal zijn.

 

 

4.  DE EEUWIGHEID VAN ALLES

Laten wij tenslotte letten op de eeuwigheid van het geheel, de eeuwige voortduring van de ellendige staat van de verdoemden in de hel.

 

1. De eeuwigheid.

Als ik het zou kunnen, dan zou ik aantonen wat de eeuwigheid is, ik bedoel, de eeuwigheid van het schepsel. Wie kan echter de wateren van de oceaan meten, of wie kan u de dagen, de jaren, en de eeuwen van de eeuwigheid, die oneindig meer zijn dan de druppels van de oceaan, vertellen? Niemand dan de eeuwige God kan de eeuwigheid begrijpen. De eeuwigheid is een oceaan, waarvan wij nooit de kust zien. Het is een diepte waar wij geen bodem kunnen vinden. Het is een doolhof waaruit wij ons nooit kunnen bevrijden, en waar wij voor eeuwig de deur zullen missen. Er zijn twee dingen die wij erover kunnen zeggen: L De eeuwigheid heeft een begin. De eeuwigheid van God heeft geen begin, maar de eeuwigheid van het schepsel heeft wel een begin. Eens was er geen poel des vuurs, en zij die er nu al enige duizenden jaren zijn, waren eens in de tijd, zoals wij nu zijn.

 

2. De eeuwigheid zal echter nooit een einde hebben. De eerste die de eeuwigheid van rampzaligheid inging, is even ver verwijderd van het einde als de laatste die daarheen zal gaan. Zij die het verst zijn weggeslingerd in die oceaan, zijn even ver verwijderd van het land als zij op het eerste ogenblik waren toen zij erin terecht kwamen, en duizenden eeuwen hierna, zullen zij er nog even ver van verwijderd zijn als ooit. Daarom is de eeuwigheid die voor ons is, een voortduring van de tijd die een begin heeft, maar geen einde. De eeuwigheid is een begin zonder een midden, een begin zonder een einde. Nadat er miljoenen jaren in de eeuwigheid voorbijgegaan zijn, is ze nog een begin. Gods toorn in de hel zal altijd “de toekomende toorn” zijn. Er is echter geen midden in de eeuwigheid. Wanneer miljoenen jaren in de eeuwigheid voorbijgegaan zijn, dan staat wat voorbijgegaan is, in geen verhouding tot wat er te komen staat, nee, nog minder dan dat één druppel water die van de top van iemands vinger valt, in verhouding staat tot al de wateren van de oceaan. Er is geen eind aan: zo lang als God er is, zo lang zal de eeuwigheid er zijn. De eeuwigheid is een ingang zonder een uitgang, een aanhoudende opeenvolging van eeuwen, een zandloper die altijd blijft lopen, en die nooit uitgelopen zal zijn.

 

           Let eens op de voortdurende opeenvolging van uren, dagen, maanden en jaren, hoe de een steeds volgt op de ander en denk eens aan de eeuwigheid, waarin een voortdurende opeenvolging is zonder einde.

           Wanneer u ’s avonds naar buiten gaat en de sterren aan de hemel ziet, dat ze niet geteld kunnen worden vanwege het grote aantal, denk dan aan de eeuwen van de eeuwigheid. Denk er dan ook eens goed over na, dat er een bepaald aantal sterren is, maar dat het aantal eeuwen van de eeuwig¬heid niet bepaald is.

           Als u het water van een rivier ziet stromen, bedenk dan eens hoe nutteloos het zou zijn om erbij te gaan zitten en te wachten tot het stromen op zou houden zodat u over zou kunnen steken. Zie hoe vers water steeds blijft volgen op het water dat al voorbij gestroomd is. Daarin zult u een beeld zien van de eeuwigheid, die een rivier is die nooit opdroogt.

           Zij die ringen dragen, hebben een beeld van de eeuwigheid aan hun vingers, en zij die aan het stuurrad staan hebben een zinnebeeld van de eeuwigheid voor zich.

           Naar welk deel van de ring of van het stuurrad men immers kijkt, steeds zal men een ander deel erachter zien en over welk moment van de eeuwigheid u ook uw aandacht laat gaan, er volgt altijd een ander moment achter.

           Als u buiten op het veld loopt en u ziet de grassprietjes op de aarde die geen mens kan tellen, bedenk dan eens bij uzelf, dat, al zouden er evenveel duizenden jaren komen als er grassprietjes op de aarde zijn, er zelfs aan die tenslotte een eind zou komen, maar de eeuwigheid zal geen einde hebben.

           Wanneer u naar een berg kijkt, verbeeldt u zich dan eens, hoe lang het zou duren voordat die berg verwijderd zou zijn door een vogeltje dat eens in de duizend jaar zou komen en slechts één korreltje stof ervan zou meenemen. De berg zou tenslotte op die manier verwijderd worden en geheel verdwijnen, maar de eeuwigheid zal nooit eindigen.

           Veronderstel dit nu eens met betrekking tot al de bergen, ja, met betrekking tot de gehele aardbol. De korreltjes stof waarvan de gehele aarde gemaakt is, zijn niet oneindig en daarom zou het laatste korreltje op den duur weggevoerd worden op de manier, die hiervoor verondersteld is. Als echter dat langzaamste werk tenslotte tot een eind gebracht zou zijn, dan zou de eeuwigheid in feite nog maar beginnen.

Dit zijn enige grove schetsen van de eeuwigheid. Als u nu ellende en smart aan deze eeuwigheid toevoegt, welke tong kan haar dan onder woorden brengen? Welk hart kan haar begrijpen? Op welke weegschaal kan die ellende en die smart gewogen worden?

 

2. Wat er eeuwig is in de staat van de verdoemden.

Laten wij nu eens zien wat er eeuwig is in de staat van de verdoemden in de hel. Wat er ook begrepen is in het vreselijke vonnis dat hun eeuwige staat bepaalt, het is eeuwig. Daarom zullen al de droevige bestanddelen van hun rampzalige staat eeuwig zijn: ze zullen nooit eindigen. De tekst verklaart nadrukkelijk dat het vuur, waarheen zij moeten gaan, een “eeuwig vuur” is. En onze Heere zegt ons ergens anders, dat in de hel het vuur nooit uitgeblust zal worden (Mark. 9:44). Hij heeft daarbij het oog op het dal van Hinnom, waarin behalve het hiervoor genoemde vuur voor het verbranden van de kinderen aan de Moloch, ook nog een ander vuur was dat voortdurend brandde om de dode geraamtes en het vuil van Jeruzalem te verbranden. Dus zegt de Schrift, die het helse vuur voorstelt door het vuur van dat dal, niet alleen dat het het hevigste vuur is, maar ook dat het eeuwigdurend is. Aangezien de verdoemden moeten weggaan als vervloekten in het eeuwige vuur, is het volgende duidelijk.

 

(1) De verdoemden zelf zullen eeuwig bestaan. Zij zullen eeuwig een wezen hebben, en zij zullen als wezen nooit tenietgedaan of vernietigd worden. Voor welk doel zou het vuur eeuwig zijn, als zij die erin worden geworpen, er niet eeuwig in zouden zijn? Het is duidelijk dat de eeuwige voortduring van het vuur een verergering is van de ellende van de verdoemden. Als zij echter tenietgedaan zouden worden of als wezen vernietigd, dan zou het zeker voor hen niets uitmaken of het vuur eeuwigdurend zou zijn of niet. Nee, maar zij gaan weg naar het eeuwige vuur, om er voor eeuwig in gestraft te worden:” En dezen zullen gaan in de eeuwige straf” (Matth. 25:46; Eng. vert.)  Dus is de uitvoering van het vonnis een zekere onthulling van de betekenis ervan. De worm die niet sterft, moet een persoon hebben om in te wonen. Zij die dag noch nacht rust hebben (Openbaring 14:11), maar dag en nacht in alle eeuwigheid gepijnigd zullen worden (Openbaring 20:10), zullen zeker in alle eeuwigheid een wezen hebben, en zij zullen niet gebracht worden in een eeuwige staat van rust door vernietiging. Zij zullen inderdaad vernietigd worden, maar hun verderf zal “een eeuwig verderf zijn (2 Thess. 1:9). Het zal een verderf zijn van hun welzijn, maar niet van hun wezen. Wat verdorven wordt, wordt op grond daarvan niet vernietigd. “Zijt Gij gekomen om ons te verderven?” zei de duivel tot Jezus Christus (Lukas 4:34). Hoewel de duivelen bang zijn voor pijniging, zijn ze niet bang voor vernietiging: “Zijt Gij hier gekomen om ons te pijnigen vóór den tijd?” (Matth. 8:29). De staat van de verdoemden is inderdaad een staat van dood, maar het is slechts een dood in die zin dat deze het tegendeel is van een gelukzalig leven. Dit is duidelijk uit andere begrippen van hun staat, die noodzakelijk een eeuwig bestaan insluiten, waarover hiervoor al gesproken is. Degenen die dood zijn in de zonde, zijn dood voor God en de heiligheid, maar toch leven zij om te zondigen. Terwijl zij sterven in de hel, leven zij, maar afgescheiden van God en Zijn goedgunstigheid, waarin het leven is (Psalm 30:6). Zij zullen altijd onder de smarten des doods verkeren. Zij zullen eeuwig sterven, maar nooit dood zijn, of volstrekt zonder leven. Hoe begerenswaardig zou zulk een dood voor hen zijn! De dood zal echter eeuwig van hen wegvluchten. Als zij elkaar zouden kunnen doden, of als zij met hun eigen handen zichzelf in levenloze stukken zouden kunnen scheuren, dan zou er aan hun ellende snel een eind komen, maar daar moeten zij die de dood kozen en het leven weigerden, leven, want daar leeft de dood, en het einde begint altijd.

 

(2) De vloek zal als de eeuwige keten eeuwig op hen liggen om hen in het eeuwigdurende vuur te houden. Het is een keten die nooit losgemaakt zal worden, omdat ze voor eeuwig aan hen vastgeklonken is door het vreselijke vonnis van “het eeuwige oordeel.” Deze keten die de gezamenlijke kracht van de duivelen die erdoor vastgehouden worden, veracht, is te sterk om gebroken te worden door mensen, die, omdat zij plechtig vervloekt zijn en overgegeven aan het verderf, nooit hersteld kunnen worden voor enig ander gebruik.

 

3. Hun straf zal eeuwig zijn: “En dezen zullen gaan in de eeuwige straf (Matth. 25:46; Eng. vert.) Zij zullen voor eeuwig gescheiden zijn van God en Christus, en van het gezelschap van de heilige engelen en de heiligen. Tussen hen in zal een afgrond aangebracht worden die niet te overschrijden is: “Tussen ons en ulieden (zegt Abraham in de gelijkenis tot de rijke man) is een grote kloof gevestigd, zodat degenen die vanhier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen, noch ook die daar zijn, vandaar tot ons overkomen” (Lukas 16:26). Zij zullen voor eeuwig moeten verkeren in het afschuwelijke gezelschap van de duivel en zijn engelen. Er zal in alle eeuwigheid geen verandering van gezelschap zijn in dat duistere oord. Hun pijniging in het vuur zal eeuwig duren. Zij moeten er voor eeuwig in leven. Verscheidene auteurs, zowel uit de oudheid als uit de nieuwe tijd, vertellen ons over aardvlas of salamanderhaar”. Als hiervan een kleed gemaakt wordt en dit in het vuur geworpen wordt, verbrandt of verteert het absoluut niet, maar het wordt er slechts schoon door gemaakt, zoals andere dingen schoon worden door ze te wassen. Hoe dit echter ook zij, het is zeker dat de verdoemden in het helse vuur “in alle eeuwigheid gepijnigd zullen worden” en dat ze niet als wezen vernietigd zullen worden (Openbaring 20:10). En inderdaad wordt niets door vuur vernietigd, maar slechts opgelost. Van welke aard het helse vuur ook is, het is buiten twijfel dat dezelfde God, Die de lichamen van de drie jongelingen bewaarde voor verbranden in de vurige oven van Nebukadnezar, ook de lichamen van de verdoemden kan bewaren voor zulk een verbranding door het helse vuur die het verlies van het leven tot gevolg zou hebben.

 

4. Hun kennis en gevoel van hun ellende zullen eeuwig zijn, en zij zullen zonder twijfel weten dat hun ellende eeuwig zal duren. Hoe begerenswaardig zou het voor hen zijn, dat hun zintuigen voor eeuwig zouden worden opgesloten en dat zij het bewustzijn van hun eigen ellende zouden verliezen, zoals men logisch mag veronderstellen dat het met sommigen zo geschiedt als op aarde de doodstraf aan hen wordt voltrok¬ken en zoals het soms is bij sommige krankzinnigen in hun ellendige toestand! Maar dat komt niet overeen met het begrip van “pijniging in alle eeuwigheid”, noch met het begrip van “de worm die niet sterft.” Nee, zij zullen altijd een levendig gevoel van hun ellende hebben en de sterkste indrukken van de toorn van God tegen hen. En die vreselijke mededeling dat hun straf eeuwig zal duren, die de Rechter bij het uitspreken van hun vonnis, hen doet, zal zulke indrukken van de eeuwigheid van hun ellendige staat op hun geest maken, dat zij die nooit van zich af kunnen zetten, en dat die hen altijd bij zullen blijven om hun ellende volkomen te maken. Dit zal hen vervullen met eeuwige wanhoop, een zeer martelende gevoelsaandoening, die voortdurend hun hart, als het ware, in wel duizend stukken zal scheuren. Om voor eeuwig vloeden van toorn aan te zien komen, die nimmer ophouden, om altijd gepijnigd te worden en bovendien te weten dat er nooit, nooit een verlossing zal zijn, zal het toppunt uitmaken van de ellende van de verdoemden. Als “de uitgestelde hoop het hart krenkt” (Spr. 13:12), hoe dodelijk moet het dan zijn dat de hoop ontworteld is, geheel en al gedood, en voor eeuwig begraven buiten het gezicht van het schepsel! Dit zal hen vervullen met haat en woede tegen God Die voor hen een bekende, onverzoenlijke Vijand is. Zij zullen daarbij voor eeuwig brullen als wilde stieren in een net, en in alle eeuwigheid de poel des afgronds vervullen met godslasteringen.

 

3. De redelijkheid van de eeuwigheid van de straf.

Ik zou hier tenslotte de redelijkheid van de eeuwigheid van de straf van de verdoemden kunnen aantonen. Omdat ik hier echter al over gesproken heb bij het bewijzen van de rechtvaardigheid van God in het onderwerpen van de mensen die in hun natuurlijke staat zijn aan de eeuwige toorn, herinner ik u slechts aan drie dingen:

 

(1)       De oneindige waardigheid van de Partij Die door de zonde beledigd is, vereist dat een oneindige straf toegebracht wordt voor de handhaving van Zijn eer, omdat de laakbaarheid van de zonde toeneemt naar gelang van de waardigheid en uitnemendheid van de persoon tegen wie de zonde bedreven is. De Partij Die beledigd is, is de grote God, het hoogste Goed. De overtreder is en verachtelijke worm. Hij staat wat betreft de volmaaktheid, oneindig ver af van God, aan Wie hij alle dank verschuldigd is voor alles wat hij ooit had, waarbij elk goed of voortreffelijk iets, wat het ook zij, ingesloten is. Dit vereist dan dat een oneindige straf aan de zondaar wordt toegebracht. Aangezien de straf in hen niet oneindig van waarde kan zijn, moet ze wel oneindig van duur zijn, dat wil zeggen: eeuwig. De zonde is een soort oneindig kwaad, omdat ze onrecht doet aan een oneindig God. De schuld en de smet van de zonde worden nooit weggenomen, maar ze duren eeuwig voort, tenzij de Heere ze Zelf in Zijn goedertierenheid wegneemt. God Die beledigd is, is eeuwig; aan Zijn wezen komt nooit een eind. De zondige ziel is onsterfelijk en de mens zal eeuwig leven. De zondaar die “zonder kracht” is (Rom. 5:6; Eng. vert.) om te boeten voor zijn schuld, kan nooit de overtreding wegdoen en daarom blijft ze voor eeuwig bestaan, tenzij de Heere haar Zelf wegneemt, zoals in de uitverkorenen door het bloed van Zijn Zoon. Daarom, als de beledigde Partij, de overtreder en de overtreding altijd blijven voortbestaan, dan kan de straf niet anders dan eeuwig zijn.

 

(2)       De zondaar zou doorgegaan zijn met God te tergen, eeuwig zonder eind, als God hem niet gestuit had door zijn dood. Zo lang zij in staat waren in deze wereld tegen Hem te handelen, deden zij het. Daarom zal Hij tegen hen handelen, zo lang Hij er is, dat wil zeggen: eeuwig. God Die de wil, de voornemens en de neigingen van het hart oordeelt, kan rechtvaardig handelen tegen zondaars door hen te straffen, zoals zij tegen Hem gehandeld zouden hebben in het zondigen.

 

(3)       Hoewel ik hier de nadruk niet op leg, is het toch rechtvaardig en redelijk dat de verdoemden eeuwig lijden, aangezien zij eeuwig in de hel zullen zondigen, terwijl zij hun tanden in woede, afgunst en wrevel knersen (Matth. 8:12) onder hun pijn (vergelijk hiermee Hand. 7:54; Psalm 112:10 en Lukas 13:28). Zij zullen daar waar zij “heengedreven worden in hun kwaad” (Spr. 14:32), God lasteren (Openbaring 16:21). Dat de godlozen gestraft worden voor hun goddeloosheid, is rechtvaardig. Het is geenszins onverenigbaar met het recht, dat het wezen van het schepsel voor eeuwig blijft voortbestaan. Het is daarom rechtvaardig dat de verdoemden die eeuwig goddeloos blijven, eeuwig lijden voor hun goddeloosheid. De ellende waaronder zij zondigen kan hen niet verlossen van de schuld van gehoorzaamheid, en kan ook hun zondigen niet verontschuldigen en deze onschuldig maken. Het schepsel is als schepsel aan zijn Schepper gehoorzaamheid verplicht en geen straf die hem toegediend wordt, kan hem daarvan verlossen, net zo min als dat de gevangenisstraf, de boeien, de zweepslagen of iets anders waarmee een misdadiger gestraft wordt, hem in vrijheid stellen om opnieuw de misdaden te begaan waarvoor hij in de gevangenis gezet werd of gegeseld werd. Zo kunnen ook de pijnigingen van de verdoemden hun verschrikkelijk zondigen onder het pijnigen niet verschonen of schuldeloos maken, net zo min als dat buitengewone pijnen die mensen op aarde worden toegebracht, hun murmureren, hun mokken en lasteren tegen God onder die pijnen kunnen verschonen. Het is immers niet de toorn Gods, maar hun eigen zondige natuur, die de ware oorzaak is van hun zondigen eronder, en zo droeg de heilige Jezus de toom Gods, zonder zelfs niet één onbetamelijke gedachte van God te hebben, en nog veel minder zonder zelfs één onbetamelijk woord te uiten.

 

Eerste nuttig gebruik: als meetroede.

Hier is een meetroede: o, dat de mensen haar toe zouden willen passen!

1.         Pas deze meetroede toe op uw tijd in deze wereld en u zult ontdekken dat uw tijd erg kort is. Een vooruitzicht op veel tijd die nog te komen staat, lijkt de ondergang van veel zielen te zijn. Mensen rekenen hun tijd bij jaren, zoals de rijke man in Lukas 12:19, 20, wanneer het kan zijn dat er niet veel uren meer over zijn. Reken echter zoals u wilt, maar als u uw tijd legt bij de meetlat van de eeuwigheid, dan zult u zien dat “uw tijd is als niets.” Welk een klein en onbetekenend punt is zestig, tachtig of honderd jaar ten opzichte van de eeuwigheid? Vergeleken met de eeuwigheid is er een grotere onevenredigheid dan tussen de breedte van een haar en de omtrek van de gehele aarde. Waarom slapen wij dan gedurende zo’n korte dag, terwijl wij gevaar lopen de rust te verliezen door heel de lange nacht van de eeuwigheid?

2.         Pas deze meetroede toe op uw pogingen om de zaligheid te verkrijgen en u zult zien dat ze zeer gering zijn. Wanneer mensen ertoe worden aangedrongen om zich te benaarstigen aangaande het werk der zaligheid, dan zijn zij al gauw geneigd te zeggen: Waartoe dit verlies?” Helaas, als men ons zou moeten beoordelen naar de ijver die wij besteden aan datgene wat wij op het oog hebben, dan zou, wat de meesten van ons betreft, geen mens daaruit op kunnen maken dat wij de eeuwigheid op het oog hebben. Als wij naar behoren zouden nadenken over de eeuwigheid, dan zouden wij tot geen andere conclusie kunnen komen dan dat wij ernstig tekort schieten in het niet onbeproefd laten van de door God aangewezen middelen, totdat wij de zekerheid van onze zaligheid ontvangen hebben. Het weigeren om rust of voldoening te vinden in wat dan ook, totdat wij een schuilplaats hebben gevonden onder de vleugelen van de Middelaar; het met de uiterste kracht najagen van ons grote belang; het afsnijden van onze lusten die ons dierbaar zijn als onze rechterhand en ons rechteroog; het zich met beslistheid verzet¬ten tegen alle moeilijkheden, en het zich al vechtend een weg banen door al de tegenstand die door de duivel, de wereld en het vlees wordt geboden, zijn allemaal samen ontoereikend voor de eeuwigheid.

 

Tweede nuttig gebruik: als weegschaal.

Hier geef ik een weegschaal van het heiligdom, waardoor men de lichtheid kan begrijpen van wat ten onrechte als van gewicht wordt beschouwd, en het gewicht van sommige zaken die door velen als zeer licht beschouwd worden.

A. Wat ons zwaar toeschijnt, is licht Sommige dingen schijnen zeer zwaarwegend te zijn, die als ze in deze weegschaal gewogen worden, zeer licht blijken te zijn.

 

1.         Weeg “de wereld en al wat er in is, namelijk de begeerlijkheid des vleses en de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens” en men zal ontdekken dat het allemaal in de weegschaal van de eeuwigheid licht bevonden zal worden. Weeg hierin alle wereldse opbrengsten, winsten en voordelen en u zult vlug tot de ontdekking komen dat duizenden werelden de schade van de eeuwigheid van smart niet kunnen vergoeden. Wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint en lijdt schade zijner ziel?” (Matth. 16:26). Weeg hierin “de genietingen der zonde” die slechts Voor een tijd” zijn, af tegen het Vuur” dat “eeuwig” is, dan moet u uzelf wel beschouwen als een dwaas en een waanzinnige om het gevaar van de een te riskeren voor de ander.

2.         Weeg uw tegenspoeden in deze balans en u zult de zwaarste ervan zeer licht vinden ten opzichte van het gewicht van het eeuwige lijden. Ongeduldigheid onder tegenspoed, vooral wanneer wereldse beproevingen de geest van de mens zo verbitteren, dat zij geen genoegen kunnen scheppen in de blijde tijdingen van het Evangelie, drukt grote onachtzaamheid uit voor de eeuwigheid. Zoals iemand die gevaar loopt zijn hele bezit te verliezen, zich zeer weinig zal bekommeren over een klein en onbelangrijk verlies, zo zal iemand die een levendige indruk heeft van de eeuwigheid, de beproevingen in de wereld slechts licht achten. Zo iemand zal zich neerbuigen en zijn kruis op zich nemen, wat het ook is, terwijl hij denkt dat het genoeg is om de eeuwige toorn te ontvluchten.

3.         Weeg hier de moeilijkste en ongemakkelijkste godsdienstplichten, en u zult het juk van Christus niet ondraaglijk meer achten. Berouw hebben en bitter treuren over de zonde op aarde, zijn zeer licht in vergelijking met het eeuwige wenen en tandenknersen in de hel. Worstelen met God in het gebed, terwijl men weent en smeekt om de zegen in de tijd, is veel gemakkelijker dan in alle eeuwigheid onder de vloek te liggen. De doding van de meest geliefde zinnelijke lust is iets lichts in vergelijking met de tweede dood in de hel.

4.         Weeg uw overtuigingen in deze weegschaal. O, hoe zwaar liegen deze op sommigen tot zij erin slagen om deze van zich af te schudden! Zij zijn niet genegen om zich daarmee te verenigen, maar zij trachten zich ervan te bevrijden als van een geweldige last. De worm van een kwade consciëntie zal echter in de hel niet sterven of slapen, hoewel men hem nu gedurende enige tijd in slaap kan wiegen. Het is echter zeker gemakkelijker om de scherpste overtuigingen in dit leven te koesteren, zodat ze tot Christus mogen leiden, dan dat ze voor eeuwig vastgeklonken zijn op de consciëntie, terwijl men in de hel volledig en definitief van Hem gescheiden is.

 

B. Wat ons licht toeschijnt, is zwaar.

1.         Weeg anderzijds de zonde in deze weegschaal, en hoewel ze u nu slechts licht toeschijnt, zult u bemerken dat de zonde een gewicht is dat voldoende is om een eeuwig gewicht van toorn op u te wentelen. Zelfs zinloze woorden, ijdele gedachten en nutteloze handelingen die in deze weegschaal gewogen worden en die geacht worden de zondaar in de eeuwigheid te volgen, zullen allemaal zwaarder zijn dan het zand der zee. Tijd die met nietsdoen werd verspild, zal een vermoeiende eeuwigheid teweegbrengen. Nu is het uw zaaitijd. Gedachten, woorden en daden zijn nu het zaad dat gezaaid wordt. De eeuwigheid is de oogsttijd. Al ligt het zaad nu onder de aarde en al wordt het door de meeste mensen veronachtzaamd, toch zal het minste korreltje tenslotte opkomen en de vruchten zullen overeenkomen met het zaad: “Want die in zijns zelfs vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis (dat is vernietiging) maaien; maar die in den Geest zaait, zal uit den Geest het eeuwige leven maaien” (Gal. 6:8).

2.         Weeg in deze weegschaal uw tijd en gelegenheden voor genade en zaligheid en u zult zien dat ze zeer gewichtig zijn. Kostbare tijd en geschikte gelegenheden om genade te verkrijgen, sabbatten, avondmaal¬tijden, gebeden, predicaties en dergelijke, worden door velen tegenwoordig klein geacht. De dag komt echter dat één van deze door hen die er nu geen waarde aan hechten, als waardevoller beschouwd zal worden dan duizend werelden. Wanneer ze voor eeuwig weg zijn, en het verlies ervan niet teruggekregen kan worden, dan zullen zij de waarde ervan inzien, die zij nu niet willen zien.

 

Derde nuttig gebruik: ter vermaning

Wees gewaarschuwd en laat u ertoe bewegen om “te vlieden van den toekomenden toorn.” Let nu op de eeuwigheid en leg u nauwgezet toe op het werk van uw zaligheid. Wat doet u, zolang u daarmee niet bezig bent? Is de hemel een fabel, of de hel slechts een vogelverschrikker? Moeten wij eeuwig leven, en willen wij niet meer moeite doen om aan de eeuwige ellende te ontsnappen? Zullen halfgemeende wensen “het Koninkrijk der hemelen innemen met geweld”? En zullen zulke slaperige pogingen waarmee de meeste mensen zich tevreden stellen, geacht worden als “te vlieden van den toekomenden toorn”? U die al tot Christus gevloden bent, sta op en werk voort. U bent het werk al begonnen; ga ermee door, treuzel niet, maar “werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven” (Filipp. 2:12). “Vreest veelmeer Hem, Die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel” (Matth. 10:28). Denk erom dat u nog niet in de hemel bent opgevaren. U bent nog in uw middenstaat. “De eeuwige armen” hebben u uit de afgrond waarin u geworpen was in uw natuurstaat, opgetrokken. Ze zijn nog onder u, zodat u er nooit meer in kunt vallen. Niettemin hebt u de top van de steenrots nog niet bereikt; de diepte beneden u is beangstigend; kijk ernaar en verhaast uw opklimming. U die nog in uw natuurstaat bent, hef uw ogen op en werp een blik op de eeuwige staat. Sta op, godlozen, onwetenden, vormelijke huichelaars, vreemdelingen van de kracht der Godzaligheid en “vliedt van den toekomenden toorn.” Laten jonge mensen het niet wagen het nog een moment langer uit te stellen, en laten ook oude mensen het werk niet langer uitstellen. “Heden, indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet”, opdat Hij niet in Zijn toorn zal zweren, dat u nooit in Zijn rust zult ingaan. Het is geen tijd om te talmen in een staat van zonde, zoals in Sodom, wanneer er vuur en zwavel op neerdaalt van de Heere. Houd op tijd rekening met een waarschuwing. Zij die in de hel zijn, worden niet met zulke waarschuwingen lastiggevallen, maar zij zijn woedend op zichzelf, omdat zij de waarschuwing geminacht hebben, toen zij die kregen. Denk over het volgende, zo smeek ik u, eens goed na:

 

1.         Hoe onbehaaglijk is het om een hele nacht op een zacht bed te liggen, terwijl men volkomen gezond is, en men graag zou willen slapen, maar niet in slaap kan komen. Hoe dikwijls zal men in dat geval rust verlangen! Hoe zal men dan liggen woelen! Maar ach! Hoe ontzettend moet het dan zijn om in alle eeuwigheid in smart neer te liggen, gehuld in verschroeiende vlammen, in die plaats waar zij geen rust meer zullen hebben dag noch nacht!

2.         Hoe verschrikkelijk zou het zijn om gedurende veertig of zestig jaar zonder onderbreking onder hevige pijnen van galsteen en niersteen te leven! Toch is dat slechts een gering iets in vergelijking met het eeuwig gescheiden zijn van God; in vergelijking met de worm die nooit sterft en het vuur dat nooit uitgeblust wordt.

3.         De eeuwigheid is een vreselijke gedachte: o, lange, lange, eindeloze eeuwigheid! Zal niet ieder moment in de rampzalige eeuwigheid een maand schijnen, en ieder uur een jaar in deze zeer ellendige en wanhopige toestand? Dit betekent daarom, als het ware, voor eeuwig een dubbele eeuwigheid. De zieke die “s nachts ligt te woelen in zijn bed, zegt: “Het zal nooit dag worden.” Hij klaagt dat zijn pijn steeds maar voortduurt, en nooit, nooit afneemt. Zijn deze onbetekenende eeuwigheden in de tijd, die de mens zichzelf in zijn verbeelding vormt, al zo smartelijk? Helaas! Hoe smartelijk, hoe totaal ondraaglijk moet dan de echte eeuwige rampzaligheid en alle mogelijke ellende zijn!

4.         Er zal daar ’tijd’ genoeg zijn om na te denken over alle slechte dingen van iemands hart en leven, waarvoor men nu geen tijd heeft om over te denken. Er zal tijd genoeg zijn om te zien dat alles wat er gezegd werd over het gevaar van onboetvaardige zondaars, waar was en dat er de helft niet over gezegd was. Er zal tijd genoeg zijn in de eeuwigheid om door te gaan met het klagen over uitgesteld berouw. Er zal tijd genoeg zijn om zijn dwaasheden te betreuren wanneer het te laat is. Er zal tijd genoeg zijn om in een staat die niet meer hersteld kan worden, de volgende vruchteloze wensen uit te spreken: “O, dat ik nooit geboren ware! Dat de baarmoeder mijn graf was geweest en ik nooit de zon had gezien! O, dat ik de waarschuwingen op tijd ter harte had genomen en gevloden was van die toorn, terwijl de deur der genade nog voor mij open stond! O, had ik maar nooit het Evangelie gehoord en had ik maar gewoond in de een of andere hoek van de wereld, waar niet één keer over de Zaligmaker en de grote zaligheid gesproken werd!” Maar alles tevergeefs. Wat gedaan is, kan niet ongedaan worden gemaakt. De gelegenheid die men voorbij heeft laten gaan, kan niet teruggekregen worden. De tijd die voorbij is, kan niet teruggeroepen worden. Benut daarom de tijd, zolang u die hebt en voer uzelf niet moedwillig naar de ondergang door uw oren dicht te stoppen voor de boodschap van het Evangelie.

 

En nu, als u gered zou willen worden van “de toekomende toorn” en nooit zou willen gaan “in deze plaats der pijniging”, neem dan geen rust in uw natuurstaat. Geloof de zondigheid en de ellende ervan en tracht er haastig uit te komen, door tot Jezus Christus te vlieden door het geloof. De zonde in u is het zaad van de hel. Indien de schuld en de regerende kracht ervan in de tijd niet verwijderd worden, dan zullen ze u brengen in de tweede dood in de eeuwigheid. Er is geen mogelijkheid dat ze verwijderd worden, dan alleen door het ontvangen van Christus, zoals Hij in het Evangelie wordt aangeboden tot rechtvaardigmaking en heiligmaking. Hij wordt nu met al Zijn zaligheid aan u aangeboden. “En zie, Ik kom haastelijk, en Mijn loon is met Mij, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn. En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet” (Openbaring 22:12, 17). Jezus Christus is de Middelaar van de vrede en de Fontein van heiligheid. Hij is het Die ons verlost van de toekomende toorn. “Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest” (Rom. 8:1). De verschrikkingen van de hel, zowel als de vreugden van de hemel, worden u voorgesteld om u op te wekken om Hem met al Zijn zaligheid te ontvangen, en u over te buigen naar de weg van geloof en heiligheid, waarlangs u alleen kunt ontkomen aan het eeuwige vuur. Moge de Heere Zelf ze tot het einde toe bewerkstelligen! 

 

Citaat uit: De viervoudige staat, van Thomas Boston