Zacheus de tollenaar

Posted by admin | | vrijdag 28 mei 2010 3:31 pm

Artikel in pdf : klik hier

.

En zie, er was een man, met name geheten Zacheus; en deze was een overste der tollenaren, en hij was rijk; En zocht Jezus te zien, wie Hij was; en kon niet vanwege de schare, omdat hij klein van persoon was. En vooruitlopende, klom hij op een wilden vijgeboom, opdat hij Hem mocht zien; want Hij zou door dien weg voorbijgaan. En als Jezus aan die plaats kwam, opwaarts ziende, zag Hij hem, en zeide tot hem: Zacheus! haast u, en kom af; want Ik moet heden in uw huis blijven. En hij haastte zich en kwam af, en ontving Hem met blijdschap, Lukas 19:2-6.

 

Geliefde lezer, de Heere Jezus zegt in Joh. 6 vers 44: Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. Zie hier de reden waarom Zacheus naar buiten ging opdat hij Jezus mocht zien. Deze rijke tollenaar zocht Jezus te zien, wie Hij was; en kon niet vanwege de schare, omdat hij klein van persoon was. Waarom zocht deze man Jezus te zien? Zou het geweest zijn uit pure nieuwsgierigheid? Ik denk van niet, ik weet zelfs zeker van niet. Hoe weet ik dit zo stellig? Namelijk uit het vervolg van de tekst. Christus zei tegen hem dat Hij heden in zijn huis moest zijn, en in datzelfde huis zou op dat moment de zaligheid in Christus geschieden. Wanneer we dit weten, kunnen we ook weten wat daaraan vooraf is gegaan. Zoals er in Johannes 4 vers 4, geschreven staat: “En Hij moest door Samaria gaan.” Opdat Hij een overspelige Samaritaanse vrouw te drinken zou geven van het levende Water dat alleen in Hem te verkrijgen is. Alzo staat in het begin van Lukas 19 geschreven: “En Jezus, ingekomen zijnde, ging door Jericho.”  Wanneer we dan weten wat er in het huis van Zacheus is geschiedt, dan mogen we hieruit opmaken dat Christus door Jericho moest gaan, om een zondige tollenaar met een bezoekje vanuit de hemel te willen vereren. Wanneer we dan vanuit vers 9 ook weten dat: “Heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook deze een zoon van Abraham is.” Dan moeten we hieraan verbinden, dat waar de zaligheid geschiedt, altijd de vloek en de rampzaligheid vooraf geschiedt. Hoe weten we dat zo stellig? Dat kunt u lezen in de leerbrieven der apostelen, met name de Galaten en de Romeinenbrief. De apostel zegt in Rom. 6 vers 5-8 het volgende: Want indien wij met Hem een plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding; Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen. Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde. Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven.

 

Ja lezer, in de zendbrieven aan de Galaten en Romeinen staat de bekering van al Gods lieve volk. Dit breng ik vanuit het Woord naar voren, om u te verklaren en te willen verduidelijken, waarom en in welke zielsgestalte Zacheus naar buiten ging en zelfs in een boom ging zitten, opdat hij Jezus mocht zien. Want, waar de zaligheid in een ziel indaalt, aldaar is een ziel geestelijk met Christus uit de doden opgestaan, door de kracht van Zijn opstanding. Nou, voor de geestelijke opstanding met Christus, ligt een kruisweg en een vloekdood aan vooraf, lezer. Vandaar dat de apostel het schrijft: Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde. Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven. Een ziel moet dus eerst de kruisdood sterven wil hij leven, eerst door de vloek der wet gevonnist wezen wil hij vrij wezen, eerst verloren gaan wil hij behouden worden, eerst begraven worden wil hij met Christus op kunnen staan uit de doden tot de eeuwige zaligheid. Zo verging het Zacheus de tollenaar ook, geliefde lezer. Trap en mate zij Gode bekend, maar hier heeft hij iets van beleefd. Wanneer dit niet waar was, dan had er geen plaats geweest voor de zaligheid in Christus, die op dat moment geschiedt was in zijn tolhuisje. Zie daar de verklaring waarom Zacheus eerst zijn eerste geestelijke man moest afsterven, aleer hij de geestelijke bruid van Christus kon worden, Rom. 7:1-4. Want waar de wet nog leeft, aldaar kan het Evangelie geen kracht doen tot behoudenis. Deze man was aan het einde van de wet gebracht, en verloren gegaan, en werd nu als door een onzichtbare Hand naar buiten geleidt, opdat hij Jezus mocht zien. Zie daar de trekkende liefde des Vaders, die Zacheus door Zijn ver-doemende recht heeft getrokken, om hem door Zijn verzoenende recht in Christus te doen opstaan uit de doden. Want alwaar een ziel opstaat uit zijn graf der zonden, aldaar is de zaligheid in zijn ziel ingedaald. Niet de heiligheid, en niet de rechtvaardigheid ingedaald, maar de zaligheid dewelke geschiedt door het zaligmakende geloofd, werkende door de liefde. De heiligheid en rechtvaardigheid worden hem in Christus toegerekend, maar de zaligheid wordt door de liefde in zijn ziel ingestort. Maar wanneer Die (=Geest van Christus) zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelven niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen. Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen. Al wat de Vader heeft, is Mijn; daarom heb Ik gezegd, dat Hij het uit het Mijne zal nemen, en u verkondigen, Joh. 16:13-15.

 

Ook waren het de goedertierenheden des Heeren die Zacheus tot de waarachtige bekering hebben geleidt. Weet u hoe? Deze rijke man was arm geworden met zijn vele aardse rijkdommen. God bracht bij Zacheus de eeuwigheid in de tijd, en zegde hem innerlijk de rust op. God bracht Zijn wet in, en de zonden werden levend in het hart van deze tollenaar, waardoor hij een Weg of een Middel ging zoeken om van zijn zonden af te komen. Niet wetende dat Jezus de Weg, de Waarheid en het Leven is. Niet weten dat Hij de Middelaar is door wie wij tot de Vader moeten komen. Eerst heeft deze rijkaard gepoogd zijn leven een weinig op te knappen. Hij doornatte zijn bedje met tranen, kreeg een liefde tot het Woord, zocht de plaatsen der eenzaamheid om te bidden, maar het bracht Zacheus geen voldoening. Telkens was daar die stem in zijn binnenste, die tot hem sprak dat het alles nog te kort was. Zelf nog erger, omdat al wat hij deed zelfs vervloekt was. Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven, Gal. 3:10-11. Tot op zekere dag hij van Jezus hoorde. Hetzelfde lezen we van de bloedvloeiende vrouw, die door het toevluchtnemende geloof haar redding in Hem zocht. Dit horen van Jezus was een ander horen dan menigeen van Jezus hoorden. Hoevelen volgden Hem niet om de broden en wonderen die Hij deed…?? Bij Zacheus was het anders. Deze man liep met een last van schuld en zonde, van schuld verslagen, haast niet meer te dragen. Het was voor Zacheus een verloren zaak geworden, lezer.

Dit is geen inlegkunde, maar eigenlijk de gehele inhoud van het Goddelijke Woord. Degenen die zeggen dat dit inlegkunde is, verstaan werkelijk niets van de zaligheid die er in Christus Jezus, uit vrije genade om niet, te verkrijgen is. Een mens moet eerst ontledigd worden, wil hij vervuld in Christus kunnen worden. Met deze wetenschap moet u dus deze volgende woorden verstaan: “En zie, er was een man, met name geheten Zacheus; en deze was een overste der tollenaren, en hij was rijk; En zocht Jezus te zien, wie Hij was; en kon niet vanwege de schare, omdat hij klein van persoon was. En vooruitlopende, klom hij op een wilden vijgeboom, opdat hij Hem mocht zien.”

 

En dan zegt de Heere Jezus het zo kostelijk en dierbaar in Joh. 6:37, al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. Daarom was het niet Zacheus die Hem zocht, maar Goddrie-enig zocht Zacheus te verlossen uit zijn diensthuis van zonden. Het was de Geest der Dienstbaarheid Die hem overtuigde van schuld, straf, hel, vloek en eeuwig oordeel. Het was de Vader Die Zacheus trok tot de geloofsgemeenschap met Christus, het was Christus Die Zacheus op kwam zoeken, nadat de Vader hem naar buiten deed gaan om Hem te zien. Zie daar lezer, hoe een zwarte zondige bruid en een blanke Bruidegom gereed staan om door het zaligmakende geloof met elkaar verenigd te worden, door de liefde Gods in Christus. Zie daar hoe de Goede Herder een schurftig zwart zondig schaap op Zijn schouderen wil nemen, om Zacheus hemelwaarts te dragen. Zie daar, hoe Zacheus op het punt staat alles verkocht hebbende, die Parel van grote waarde uit vrije genade om niet te mogen kopen door de kracht van het zaligmakende geloof. Zie daar, hoe de Hemel een helwaardige Zacheus ontmoet. Zie daar, hoe Christus in de plaats van Zacheus ging staan aleer Hij aan het kruis voor al de Zijnen gestorven was. Zie daar, hoe een arme Zacheus een rijke Christus ontmoet. Daar zag Christus van verre een gegevene des Vaders in een boom zitten, opdat hij Hem mocht zien. Daar vergeet Christus de gehele schare, en stopt bij die boom. En op het moment dat Zacheus zijn doodvonnis verwacht, krijgt hij een liefdeskus van zijn lieve Heere Jezus. Lieve Zacheus, kom gauw af uit die boom, want ik moet heden in uw huis zijn, zegt Christus tot hem. Zacheus kan zijn oren niet geloven, en haast zich om af te komen uit de boom. Daar staat Hij dan, Zijn Zaligmaker in en door Wie het nog zou kunnen. Daar klinkt het in z’n oren, “Deze is Mijn geliefde Zoon in Dewelke Ik Mijn welbehagen heb: Hoort Hem.” Als je ooit nog zalig wilt worden, hoort dan naar Zijn woorden van vrede, van blijdschap, en zaligheid, Zacheus. Dat vermag nu het geloof, lezer. Het geloof weet zeker dat in Hem de zaligheid te vinden is om niet. Door dat zelfde geloof klom Zacheus in een boom, getrokken zijnde van de Vader, opdat hij Jezus mocht zien. Dit geloof was in het hart van Zacheus geboren, in de verdoemenis van zijn bestaan voor God. Doch eer het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring gesteld, en zijn besloten geweest tot op het geloof, dat geopenbaard zou worden. Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden. Maar als het geloof gekomen is, zo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester, Gal. 3:23-25.

 

Wist u dat het onder de Joden een traditie was, dat de bruidegom zijn huis verlaat om zijn toekomstige bruid op te halen? Daarbij was het dan vaak, dat de bruid hem onderweg tegemoet komt. Zie daar, hoe die hemelse Bruidegom het huis van Zijn Vader wilde verlaten voor Zijn toekomstige zwarte bruid. Vlees geworden is van hetzelfde vlees als Zacheus. Been van zijn been. In een voerbak van beesten gelegd wilde worden, opdat Hij geestelijk voer zou worden voor zondige beesten als Zacheus, Joh. 6: 53-55. Voor een zwarte bruid die niet anders kon dan zondigen. Niet anders kon dan de geldgod aanbidden. Niet anders dan zijn eeuwig oordeel kon verzwaren. Op weg reizende was naar de hel om nooit meer weder te keren. Op weg was om straks voor eeuwig God te gaan vloeken. Op weg was om voor eeuwig weg te zinken in de toorn en gramschap van God over zijn vele zonden. Wie zal dat wonder kunnen doorgronden, lezer. Dat God nog om wilde zien naar zo een als Zacheus was. Nog redenen uit Zichzelf wilde nemen, om de Hemel in de hel van zijn bestaan te doen laten neerdalen. En dan wordt de geboren Christus in zijn ziel op zijn geestelijke boezem gelegd, en roept dat geboren Kind in hem uit: “Heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook deze een zoon van Abraham is. Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.”

 

Ziet u lezer, dat Zacheus als een verlorene naar buiten was gegaan, en in die boom was gaan zitten, opdat hij Jezus mocht zien…?? Wat had Zacheus anders met Jezus moeten doen…?? Want, waar geen verlorenheid is, daar heeft de Behoudenis immers geen waarde. Waar geen levende zonden zijn, behoeft immers geen Bloed gestort te worden tot verzoening. Neem de verdoemelijke schuld in Zacheus weg, en hij nooit in die boom geklommen, opdat hij Hem mocht zien. Neem de helwaardigheid van zijn bestaan weg, en de hemel had geen enkele waarde voor Zacheus gekregen. Neem zijn doodsvonnis weg, en Zacheus had in Hem nooit het Leven gezien door de kracht van het geloof. Ja lezer, ook deze Zacheus was een aardse en geestelijke zoon van Abraham. Hij was een aardse en een geestelijke verkoren Jood, die niet alleen uit de besnijdenis was, maar die op dit moment ook mocht wandelen in de voetstappen des geloofs van zijn vader Abraham, Rom. 4:12, Rom. 9:8. Wat zal daar een aanbidding in zijn ziel tot God zijn overgebleven. Wat zal hij verblijd zijn geweest, dat Christus hem uit de verlorenheid van zijn verdorven bestaan heeft willen redden. Hier passen eigenlijk geen woorden meer, maar alleen de stille aanbidding in de ziel tot Goddrie-enig, lezer. Hier kan een ziel alleen maar stilletjes wenen tot God. Hier ligt een ziel namelijk verslonden in de Evangelische liefde. Wat is dat, zal iemand mij opmerken? Een wettisch berouw beweent de zonden voor God, maar een Evangelisch berouw beweent de vergeven zonden voor God, aan de voeten van Hem die ze weg heeft willen dragen. Die uit de Hemel neder kwam om de zonden tot zonden te worden, de hel tot een hel, en de dood tot een dood. Hier op zulk een moment ligt een zondaar te bewenen en te bewonderen wat Hem bewoog om in zijn plaats te willen gaan staan. Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven. Een vrouw, wanneer zij baart, heeft droefheid, dewijl haar ure gekomen is; maar wanneer zij het kindeken gebaard heeft, zo gedenkt zij de benauwdheid niet meer, om de blijdschap, dat een mens ter wereld geboren is, Joh. 16:21. Hier in deze stonde was Zacheus het eigendom van Christus geworden, was Christus in zijn ziel geboren geworden, was hij met Hem uit de doden opgestaan tot een nieuw leven. En ziet Zacheus, al het oude is voorbij gegaan, het is alles in Hem nieuw geworden. Alle benauwdheden, alle ellenden, alle geschreide tranen, zijn voorbij gegaan, Zacheus. Maar, nu waren er andere tranen in zijn ziel gekomen, lezer. Namelijk de tranen van blijdschap en verheuging. De tranen van het wenen aan Zijn doorboorde voeten. Doorboorde voeten….?? Maar Hij moet toch nog gekruisigd worden, schrijver…?? Geliefde lezer, in het eeuwige Wezen Gods bestaat geen tijd, en daarom ook niet in het zaligmakende geloof waardoor hij met Hem verbonden is geworden. Hier weent Zacheus het aan Zijn voeten stilletjes uit, niet een andermans zonden, maar het waren zijn zonden waarvoor Hij straks in de volheid des tijds aan het kruis moest gaan sterven. Zacheus was de geestelijke kruisdood alrede met Christus gestorven, alvorens Hij voor hem in de tijd nog aan het kruis moest gaan. Ja lezer, wie zal dat geheim nu verstaan? Dat zijn er helaas niet zoveel. Toch is het m’n wens en bede dat God u dit geheim nog eens zou willen openbaren, lezer. Openbaren, dat is openleggen, c.q. openen of ontbloten. Hij moet daartoe Zijn Licht in uw duistere ziel brengen, anders ziet u het nooit. Dat geve den Heere, uit vrije genade om niet, aleer het voor u voor eeuwig te laat zal zijn, lezer. Bedenk dat de weg der zaligheid dwars door de vloek der hel heengaat. Door de weg van het kruis van Christus, door het graf van Christus. Opdat de vloek van uw zonden, door Zijn vloekdood en in Zijn graf, teniet en voor eeuwig begraven zouden gedaan worden. Zo niet, dan zult u de vloek en de toorn over uw zonden straks voor eeuwig zelf moet dragen, lezer. Dat zal toch wat wezen! Om eeuwig van God te zijn verlaten, in de smarten der hel. Hierbij moet u bedenken, dat ge uw rechtvaardige Rechter voor eeuwig zult gaan vloeken en lasteren, waarbij elke vloek de vlammen van uw hel zullen oplaaien. Het is niet te beschrijven wat dat zal zijn, geliefde lezer. Het gezelschap der duivelen, de vlammen uit die vurige oven, zijn toch slechts maar bijzaak, in vergelijking met de toorn en de gramschap die ge daar voor eeuwig in uw ziel zult voelen branden. Daar zal Gods heilige wet u tot in alle eeuwigheid toebrullen: “betaal Mij wat gij schuldig zijt…!!” Ja lezer, en daar is geen trekkende liefde des Vaders meer, en daar is geen Zoon meer die het Huis van Zijn Vader om uwentwil zal willen verlaten. Nee, daar zit de deur op het nachtslot. Maar toch zult ge in uw wanhoop een weg trachten te zoeken, om hiervan verlost te kunnen worden, maar deze nooit meer vinden. Kijk lezer, en dat zal nu de eeuwige wanhoop in de hel wezen. Nooit komt daar meer een einde aan. Nooit is er enige hoop op verlichting van pijn en moeite. Nooit is daar meer een weg te vinden tot behoudenis en ontkoming. Nooit is daar meer een plaats waar ge op uw knietjes zult kunnen vallen, smekende uw God om vergeving van zonden.

 

Maar m’n geliefde lezer, nog leeft u in het heden der genade. Nog is het de welaangename tijd. Ge mocht nu eens in uw eeuwige oordeel gaan geloven. Ge mocht nu eens gaan zien dat ge met al uw zonden een heilig God in de hemel heeft vertoornd. Ge mocht nu nog eens in het verborgene op uw knietjes voor Hem neervallen. Nog is het de tijd, nog is het niet te laat. Misschien is daar een lezer, die me zegt: Heeft u misschien nog een woord, voor ziel die in de vloek van zijn bestaan loopt, en niet meer weet hoe te bidden, niet meer weet wat voor God aan te wenden om z’n hemelhoge schuld te kunnen betalen. Met name tot u, maar ook tot vele andere mag ik het zeggen dat, het bloed van Jezus Christus van alle zonden reinigt. Komt dan herwaarts tot Mij, gij die vermoeid en belast zijt van schuld en zonden, en Ik zal u rust geven, zegt Christus in Zijn Woord tot verloren zondaren. O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk! Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij, en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen.

 

Goddrie-enig zegene dit eenvoudige onderwijs, kon en mocht het zijn aan de harten van al m’n lezers tot eeuwige zaligheid, uit vrije genade om niet, om Jezus wil alleen. Amen.        

 

 

 

D.J. Kleen