J.C. Philpot

Posted by admin | | zondag 26 oktober 2008 7:57 pm

Enkele dingen uit het leven van Joseph Charles Philpot

 

Joseph Charles Philpot werd op 13 september 1802 te Ripple (in het graafschap Kent) in Engeland geboren. Al in zijn prille jeugd wordt duidelijk dat hij een intelligente jongen is, zodat zijn vader hem al vroeg de eerste beginselen van de Latijnse en Griekse taal bijbrengt.   

 

Op jonge leeftijd wordt hij ernstig ziek; hij krijgt longtering, waarvan hij, tegen ieders verwachting in, weer mag herstellen. Enige tijd later krijgt hij ook een bronchiale aandoening. Van beide kwalen ondervindt hij zijn levenlang de gevolgen; gedurende zijn gehele pelgrimstocht zijn ze een zwaar kruis voor hem.

 

Op 19-jarige leeftijd wordt hij toegelaten aan de universiteit te Oxford, waar hij zeer grote kennis van het Grieks, Latijn en Hebreeuws verkrijgt. Zijn persoonlijke aantekeningen worden door hem altijd in het Latijn aan het papier toevertrouwd, tot aan het eind van zijn leven toe. Werelds voordeel en eer zijn dan zijn voornaamste streven. Na succesvol eindexamen te hebben afgelegd (1825), gaat hij lesgeven aan aankomende studenten. Van zijn universiteitsjaren zal hij later echter zeggen: ‘In die tijd was ik zonder God en zonder hoop in de wereld.’

 

In het voorjaar van 1826 verzoekt de heer Pennefather uit Ierland hem om gouverneur van zijn twee zoons te worden. Omdat dat voor hem grote financiële voordelen oplevert, stemt hij daarin toe. In Ierland valt hem onverwachts een grote beproeving ten deel; de Heere wil deze smartelijke weg echter gebruiken om hem aan zijn verloren staat te ontdekken. Terwijl hij in 1830 en 1831 veel met ziekte te kampen heeft, behaagt het de Heere om Zijn werk in de ziel van Joseph Charles te verdiepen, en enige jaren later mag hij tot volle ruimte komen: in 1840 werd hij, naar eigen zeggen, ‘geleid in de waarheid, zoals die in Jezus is.’

 

Hij keert terug naar de universiteit van Oxford (herfst 1827), en gaat weer lesgeven. Maar zijn veranderde, religieuze opvattingen zorgen ervoor dat er een grote kloof tussen hem, zijn superieuren en de studenten ontstaat. Daarom wordt hij voorgoed van iedere promotie uitgesloten, zodat alleen nog maar de mogelijkheid bestaat om zich tot de parochiale arbeid te begeven. Op 1 juni 1928 wordt hij als predikant van de Engelse Staatskerk geordend; zijn eerste en enige standplaats van de Engelse Staatskerk wordt Stadhampton. Niet lang daarna komt hij in contact met William Tiptaft, wiens vriendschap van grote betekenis voor hem wordt. Op 22 maart 1835 treedt hij, na veel innerlijke strijd, vanwege ‘de vele dwalingen en verdorvenheden’ uit de Staatskerk. Hij schrijft een ‘open brief’ over zijn afscheid van deze kerk aan de rector van het Worcester College, die verschillende herdrukken beleeft.

 

Op verzoek van Joseph Parry preekt hij daarna vijf zondagen te Allington. In deze tijd gaat zijn vriend Tiptaft over tot de Bijzondere Baptisten. Philpot is ervan overtuigd dat onder deze Baptisten de kerk Gods zich het zuiverst openbaart. Na weer veel innerlijke strijd en worsteling wordt hij door John Warburton door onderdompeling gedoopt (in de herfst van 1835, op 13 september). Warburton schrijft daarover in een brief aan William Gadsby: ‘Vorige week ging ik naar Allington, waar ik de heer Philpot doopte; en ik twijfel niet, of de Heere was daar tegenwoordig. Hoe meer ik van hem weet, hoe meer vereniging ik met hem gevoel.’ En Philpot zelf getuigt ervan: ‘Ik had het voorrecht de dierbare Heere te volgen door het doopwater. Nimmer tevoren had ik zulk een gevoelig besef van mijn onwaardigheid dan op die dag. Het behaagde Hem mij ervoor te behoeden dat ik ook maar de minste kou vatte, en mij meer vrijmoedigheid te geven om in Zijn watergraf af te dalen dan ik had durven verwachten met het oog op mijn lichamelijke en geestelijke beproevingen en oefeningen. De heer Warburton doopte mij op plechtige wijze, met zalving en toegenegenheid.’

 

In de zomer van 1836 onderneemt hij de reis naar het stadje Oakham, gelegen in Rutland, waar een zuster en zwager van William Tiptaft (fam. Keal) wonen. Zowel in Oakham als in Stamford en omringende plaatsen gaat hij voor in de dienst des Woords. Hij heeft daar veel bekendheid gekregen door zijn ‘open brief’. De Heere geeft hem veel opening en laat hem zien dat hier een arbeidsveld voor hem ligt. Hij voelt zich erg thuis in het doktersgezin Keal, waar hij vaak logeert, en met alle mogelijk liefde omringd wordt. Op 16 februari 1837 krijgt hij verkering met de oudste dochter, Sarah Louise Keal, die zeventien jaar jonger is dan hij. Tien dagen later krijgt hij het verzoek om predikant van Oakham te worden. Intussen vraagt John Gadsby herhaaldelijk aan Philpot of hij bijdragen wil gaan leveren aan het maandblad ‘The Gospel Standard, dat voor het eerst in 1835 verscheen, waar hij tenslotte in toestemt.

 

Om de kosten te drukken, stellen de vrienden voor om in Stamford te komen wonen, en de ene zondag te Oakham en de andere zondag te Stamford te preken. Na enige overweging neemt hij dit voorstel aan, zodat beide plaatsen zijn gemeente gaan vormen. Op 24 juli 1838 treden Joseph Charles en Sarah Louisa te Oakham in het huwelijk. Ze krijgen in hun huwelijk vier kinderen, Sarah, Charles William, Deborah Maria en Joseph Henry. Philpot heeft een uitgesproken slecht handschrift, daarom dicteert hij zijn brieven en artikelen voor ‘The Gospel Standard’ aan zijn vrouw; later neemt zijn oudste dochter Sarah die taak over; ook veel preken worden in haar keurig nette handschrift uitgeschreven; tot aan haar vaders dood toe blijft zij dit werk doen.

 

Philpot wordt mede vanwege zijn bekendheid door zijn redacteurschap van en zijn artikelen in ‘The Gospel Standard’ meer en meer de leidende figuur van de Bijzondere Baptisten. En hoewel hij dat wel bemerkt, blijft hij de eenvoudige man, die afkerig is van de toejuiching der mensen. Zijn zwaarste kruis is zijn eigen zondige ik, dat hem laag aan de grond houdt. Vooral vanaf 1857 zijn er contacten met Nederland; in die tijd zijn inmiddels al 45 preken, met medeweten van hem, vertaald, die zeer gretig aftrek vinden. De heer J. Nieuwland heeft in die tijd veel preken in onze taal overgezet. Drie jaar later wordt de heer G. Tips, die regelmatig met Philpot correspondeert, uitgenodigd naar Engeland te komen, welke uitnodiging hij aanvaardt. Omdat Philpot de Nederlandse taal wel vlot kan lezen, maar niet spreken, verloopt het contact wat stroef. De correspondentie blijft echter bestaan, en er zijn banden tussen hen gevallen die de eeuwigheid verduren.

 

In 1864 legt hij in Stamford en Oakham de herdersstaf neer. Hij voelt dat hij het vochtige, koude klimaat niet nog een winter zal doorstaan. Hij verhuist dan naar Croydon, waar de heer Francis Covell voorganger is in ‘De Voorzienigheidskapel’. Indien nodig, assisteert Philpot hem; ook preekt hij nog vaak op andere plaatsen. In november 1969 vat hij na de kerkgang een kou, waarvan hij niet meer herstellen zal. Hij voelt aankomen dat zijn einde nabij is, en zegt dat Fr. Covell hem te Croydon begraven moet. In de nacht van 9 december zegt hij o.a.: ‘O, mocht ik nu heengaan en bij Christus zijn, want dat is zeer verre het beste.’ Zijn laatste woorden zijn: ‘Loof den HEERE, o mijn ziel!’ Om half drie in de ochtend blaast hij rustig de adem uit, en gaat na een zeer arbeidzaam leven, de eeuwige heerlijkheid in.

 

Dwaling van Philpot : vergelijk deze preek met deze weerlegging

DJK : weerlegging standelijke heilswegleer die Philpot ook aankleefde

 

Enkele predicaties van J.C. Philpot op het internet

 

J.C. Philpot :  Mijn afscheid uit de Engelse Staatskerk

 

J.C. Philpot : Wat is het dat een zondaar zalig maakt…??

 

J.C. Philpot : Over het beproeven der geesten, naar 1 Joh. 4 vers 1a

 

J.C. Philpot : Twee belangrijke brieven over Doop en Avondmaal

 

J.C. Philpot in een weerlegging : De doop is een geestelijke ordinantie!

 

J.C. Philpot in een brief aan de heer Isbell over de Heilige Doop

 

J.C. Philpot in een predicatie over Romeinen 6 vers 5

 

John Kershaw over Hand. 10:47-48a  Over het bevel van de doop

 

J. Mc Kenzie over Kol. 2:12a De verborgenheid van de doop der gelovigen

 

 

DJK : Joseph Charles Philpot is het troetelkind van de afgescheiden kerken in behoudend kerkelijk Nederland. Hij leerde en stelde het geestelijk leven uit Christus in zijn prediking te vroeg, namelijk onder de ontdekking der wet die niet uit het geloof is en niet machtig is tot levendmaking (Gal. 3:12,21), in plaats van het leven Christi alleen onder het verzoenende bloed van Jezus Christus, en het levende water des Geestes te verklaren. William Gadsby was hierin wel zuiverder dan zijn ambtsbroeder Philpot. Hoewel zijn bevindingen best zuiver waren, heeft ook hij helaas nooit beseft dat hij in deze mensenwerk onder een verbroken wet en Christus’ volbrachte werk met elkaar vermengde. Zeer velen hebben zich door deze vermenging van Wet en Evangelie heimelijk rijker gerekend dan ze uiteindelijk waren.  Philpot had helaas ook geen enkel woord voor onbekeerde zielen. Ik bemin de bevinding die hij mocht preken, maar verfoei de leerdwalingen die hem in deze aankleefden. Waarin ik hem wel bemin is, zijn kerkelijk standpunt omtrent het sacrament van de heilige doop, die hij in zijn gemeenten praktiseerde en beschouwde als de toegang tot de Tafel des Heeren. Hierin was hij zeer Bijbels! Want hoe erg hij ook dwaalde in de toeleidende weg tot Christus, zo werd er in zijn kerken evenwel niemand gedoopt zonder een waar geloof in Jezus Christus, en nam derhalve geen ongelovige deel aan de Tafel des Heeren, waardoor de dood niet over het leven heersen kon zoals het in de kerken der afscheiding helaas wel het geval is. Ongetwijfeld was er in zijn gemeente ook kaf onder het koren, want ook Philpot was geen hartenkenner en nierenproever. Ik besluit met een kostelijk citaat van hem wat ik onlangs las omtrent de de geestelijke doop in de dood van Jezus Christus. Want ondanks zijn dwalingen heeft hij ook hele mooie dingen gezegd, met name wanneer het ging over de geestelijke doop, ofwel, over eenwording met Christus in Zijn kruisdood. Ik citeer:

“Door deelgenoten gemaakt te zijn van de Geest van Christus hebben de leden van Zijn symbolische lichaam een levende vereniging met Hem, want ‘die de Heere aanhangt, is één geest met Hem’ (1 Kor. 6:17). Door alzo gedoopt te zijn door de Heilige Geest zijn ze eensgeestes gemaakt met de Heere en hebben zo een gemeenschap met Hem in Zijn lijden, dood en opstanding. Zoals Hij stierf onder de vloek der wet en de schuld en last van de zonde, ja, de dood stierf aan de wet en de zonde, door de dood bevrijd zijnde van de vloek der wet en de straf der zonde, zo sterft de gelovige onder de vloek van de wet en de last van schuld en zonde in zijn geweten.”  (overgenomen uit dit artikel)

 

“Want Gij zult u herinneren, dat de voornaamste kracht van onze tekst hierin vervat is: dat ‘wij met Hem een plant geworden zijn in de gelijkmaking van dien dood’. Wij kunnen niet werkelijk sterven gelijk Christus stierf, al werden wij zelfs letterlijk gelijk Hij gekruist; want zelfs in dat geval zouden wij alleen voor onszelf sterven, maar Hij stierf voor de Gemeente. Zo wij dus met Christus zullen gekruist worden, worden wij niet werkelijk en letterlijk in onze lichamen gekruist, maar in de gelijkmaking van dien dood in onze zielen. Laat mij dit een weinig duidelijker en vollediger verklaren, en dan zult gij zien hoe wij, als wij één plant moeten worden in de gelijkmaking van Christus’ sterven, onder dezelfde zaken moeten sterven onder welke Christus stierf, of anders zal er geen gelijkmaking zijn.

a. Ten eerste dan, moeten wij onder de wet sterven, of anders is er in dat opzicht geen gelijkmaking aan Christus’ sterven. Maar wanneer sterft gij onder de wet? Wanneer gij haren plechtige vloek op uw geweten gevoelt; wanneer gij er door veroordeeld bent en schuldig voor God ingebracht bent; wanneer gij door haar moordend vonnis in uw hart van alle hoop afgesneden bent en bijna in wanhoop verzonken bent onder een kennis van hetgeen de wet eist en uw onbekwaamheid om die te volbrengen. Indien gij nu nooit onder de vloek en de veroordeling der wet gestorven bent, bent gij ook nimmer in de gelijkmaking van Christus’ dood een plant geworden, daar Hij, gelijk wij gezien hebben, onder haren vloek lag.

b. Wederom, Christus stierf onder de zonde, die op Zijn heilig hoofd geladen werd, toen Hij zonde voor ons gemaakt werd. Nu moet gij op dezelfde wijze sterven of anders bent gij geen plant geworden in de gelijkmaking Zijns doods. Sommigen van Uw kunnen wellicht dit sterven onder het gewicht van uw zonden duidelijker zien, dan het punt dat ik zo even behandeld heb in het sterven onder de wet. Ik geloof volkomen dat velen van de kinderen Gods in hun bevinding duidelijker kunnen nagaan wat zij gevoeld hebben van het gewicht der zonde, dat hen verpletterde en doodde aan alle wettische hoop, dan de strengen vloek en de veroordeling der wet gelijk ik aangetoond heb. Wij weten dat de kruisiging een langzame dood was. Zo sterven velen een langzame dood onder de last der zonden, die, althans in hun eigen gevoel, geen plotselinge dood sterven, onder de vloek der wet. Heeft de zonde nu immer als een zeer zware last op uw geweten gelegen? Bent gij ooit schuldig voor Gods vierschaar gedaagd? Waren uw zonden nooit bergen hoog en zeeën diep in uw schatting? Was gij ooit afgesneden,. door een kennis van uw ontzettende zonden, van alle hoop om in uzelf behouden te worden? Dan bent gij gestorven onder derzelver beschuldiging op u en door het sterven bent gij één plant geworden in de gelijkmaking van Christus’ dood.

c. Wederom, gij moet sterven onder een bewustzijn van Gods wraak, die uw zonden heeft veroorzaakt, het misnoegen des Almachtigen op uw geweten gevoelen en onder hetzelve sterven, zodat gij geen hoop van zaligheid hebt door dien toorn weg te nemen door iets, dat gij kunt verrichten; of anders is er geen gelijkmaking van Christus’ dood. Wij moeten één plant worden in die gelijkmaking. Maar als er zulk een sterven niet is als ik beschreven heb onder de wet, noch onder het gewicht der zonden, noch onder de toorn Gods, waar is die gelijkmaking dan? Iemand brengt mij een foto van een vriend om te bezien. ‘Wie is dat?’ zo vraag ik: ‘Ik weet niet dat ik hem ooit gezien heb’. ‘O ja, voorzeker, het is die en die.’ ‘Wel neen, dat kan niet zijn, het moet een vergissing zijn; het gelijkt niet.’ Hij brengt mij een ander om te zien. ‘O ja,’ roep ik uit, ‘Ik zie in een ogenblik wie het is. Welk een wonderlijke, welk een treffende gelijkenis’. Past nu dit beeld toe. Zo gij nooit één plant geworden bent in de gelijkmaking van Christus’ dood, door te sterven onder de wet, onder de last der zonde en onder de toorn des Almachtigen: gij brengt mij uw bevinding, ik bezie dezelve; maar waar is de gelijkmaking? Ik kan er Christus niet in zien; er is niet één trek in van het beeld Zijns lijdens. Maar als gij een sterven onder de wet, onder het gewicht der zonde en onder de toorn des Almachtigen hebt ondervonden, dan is er gelijkmaking: Christus in het beeld Zijns lijdens wordt dan in uw ziel teruggekaatst.”  (Uit preek over Rom. 6:5)