Hemel en Hel

Posted by admin | | dinsdag 28 oktober 2008 5:13 pm

Mattheus 5 vers 18-30

Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied. Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen. Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan der Schriftgeleerden en der Farizeeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan. Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doden; maar zo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht. Doch Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Raka! die zal strafbaar zijn door den groten raad; maar wie zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur. Zo gij dan uw gave zult op het altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft; Laat daar uw gave voor het altaar, en gaat heen, verzoent u eerst met uw broeder, en komt dan en offert uw gave. Weest haastelijk welgezind jegens uw wederpartij, terwijl gij nog met hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u den rechter overlevere, en de rechter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordt. Voorwaar, Ik zeg u: Gij zult daar geenszins uitkomen, totdat gij den laatsten penning zult betaald hebben. Gij hebt gehoord, dat van de ouden gezegd is: Gij zult geen overspel doen. Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw aan ziet, om dezelve te begeren, die heeft alrede overspel in zijn hart met haar gedaan. Indien dan uw rechteroog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde. En indien uw rechterhand u ergert, houwt ze af, en werpt ze van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.

 

 

Mattheus 7 vers 13-29

Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan; Want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die denzelven vinden. Maar wacht u van de valse profeten, dewelke in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven. Aan hun vruchten zult gij hen kennen. Leest men ook een druif van doornen, of vijgen van distelen? Alzo een ieder goede boom brengt voort goede vruchten, en een kwade boom brengt voort kwade vruchten. Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen. Een ieder boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. Zo zult gij dan dezelve aan hun vruchten kennen. Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is. Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt! Een iegelijk dan, die deze Mijn woorden hoort en dezelve doet, dien zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft; En er is slagregen nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond. En een iegelijk, die deze Mijn woorden hoort en dezelve niet doet, die zal bij een dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft; En de slagregen is nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangeslagen, en het is gevallen, en zijn val was groot. En het is geschied, als Jezus deze woorden geeindigd had, dat de scharen zich ontzetten over Zijn leer; Want Hij leerde hen, als macht hebbende, en niet als de Schriftgeleerden.

 

 

Mattheus 10 vers 26-42

Vreest dan hen niet; want er is niets bedekt, hetwelk niet zal ontdekt worden, en verborgen, hetwelk niet zal geweten worden. Hetgeen Ik u zeg in de duisternis, zegt het in het licht; en hetgeen gij hoort in het oor, predikt dat op de daken. En vreest niet voor degenen, die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem, Die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel. Worden niet twee musjes om een penningsken verkocht? En niet een van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader. En ook uw haren des hoofds zijn alle geteld. Vreest dan niet; gij gaat vele musjes te boven. Een iegelijk dan, die Mij belijden zal voor de mensen, dien zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is. Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, dien zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is. Meent niet, dat Ik gekomen ben, om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. Want Ik ben gekomen, om den mens tweedrachtig te maken tegen zijn vader, en de dochter tegen haar moeder, en de schoondochter tegen haar schoonmoeder. En zij zullen des mensen vijanden worden, die zijn huisgenoten zijn. Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig. En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig. Die zijn ziel vindt, zal dezelve verliezen; en die zijn ziel zal verloren hebben om Mijnentwil, zal dezelve vinden. Die u ontvangt, ontvangt Mij; en die Mij ontvangt, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft. Die een profeet ontvangt in den naam eens profeten, zal het loon eens profeten ontvangen; en die een rechtvaardige ontvangt in den naam eens rechtvaardigen, zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen. En zo wie een van deze kleinen te drinken geeft alleenlijk een beker koud water, in den naam eens discipels, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen.

 

 

Mattheus 23 vers 2-37

De Schriftgeleerden en de Farizeeën zijn gezeten op de stoel van Mozes; Daarom, al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet naar hun werken; want zij zeggen het, en doen het niet. Want zij binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouderen der mensen; maar zij willen die met hun vinger niet verroeren. En al hun werken doen zij, om van de mensen gezien te worden; want zij maken hun gedenkcedels breed, en maken de zomen van hun klederen groot. En zij beminnen de vooraanzitting in de maaltijden, en de voorgestoelten in de synagogen; Ook de begroetingen op de markten, en van de mensen genaamd te worden: Rabbi, Rabbi! Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden; want Een is uw Meester, namelijk Christus; en gij zijt allen broeders. En gij zult niemand uw vader noemen op de aarde; want Een is uw Vader, namelijk Die in de hemelen is. Noch zult gij meesters genoemd worden; want Een is uw Meester, namelijk Christus. Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn. En wie zichzelven verhogen zal, die zal vernederd worden; en wie zichzelven zal vernederen, die zal verhoogd worden. Maar wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden! want gij sluit het Koninkrijk der hemelen voor de mensen, overmits gij daar niet ingaat, noch degenen, die ingaan zouden, laat ingaan. Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden, want gij eet de huizen der weduwen op, en dat onder den schijn van lang te bidden; daarom zult gij te zwaarder oordeel ontvangen. Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden, want gij omreist zee en land, om een Jodengenoot te maken, en als hij het geworden is, zo maakt gij hem een kind der helle, tweemaal meer dan gij zijt. Wee u, gij blinde leidslieden, die zegt: Zo wie gezworen zal hebben bij den tempel, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij het goud des tempels, die is schuldig. Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, het goud, of de tempel, die het goud heiligt? En zo wie gezworen zal hebben bij het altaar, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij de gave, die daarop is, die is schuldig. Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, de gave, of het altaar, dat de gave heiligt? Daarom wie zweert bij het altaar, die zweert bij hetzelve, en bij al wat daarop is. En wie zweert bij den tempel, die zweert bij denzelven, en bij Dien, Die daarin woont. En wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods, en bij Dien, Die daarop zit. Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden, want gij vertient de munte, en de dille, en den komijn, en gij laat na het zwaarste der wet, namelijk het oordeel, en de barmhartigheid, en het geloof. Deze dingen moest men doen, en de andere niet nalaten. Gij blinde leidslieden, die de mug uitzijgt, en den kemel doorzwelgt. Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden, want gij reinigt het buitenste des drinkbekers, en des schotels, maar van binnen zijn zij vol van roof en onmatigheid. Gij blinde Farizeeër, reinig eerst wat binnen in den drinkbeker en den schotel is, opdat ook het buitenste derzelve rein worde. Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden, want gij zijt den witgepleisterden graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinigheid. Alzo ook schijnt gij wel den mensen van buiten rechtvaardig, maar van binnen zijt gij vol geveinsdheid en ongerechtigheid. Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden, want gij bouwt de graven der profeten op, en versiert de graftekenen der rechtvaardigen; En zegt: Indien wij in de tijden onzer vaderen waren geweest, wij zouden met hen geen gemeenschap gehad hebben aan het bloed der profeten. Aldus getuigt gij tegen uzelven, dat gij kinderen zijt dergenen, die de profeten gedood hebben. Gij dan ook, vervult de mate uwer vaderen! Gij slangen, gij adderengebroedsels! hoe zoudt gij de helse verdoemenis ontvlieden? Daarom ziet, Ik zend tot u profeten, en wijzen, en schriftgeleerden, en uit dezelve zult gij sommigen doden en kruisigen, en sommigen uit dezelve zult gij geselen in uw synagogen, en zult hen vervolgen van stad tot stad; Opdat op u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed des rechtvaardigen Abels af, tot op het bloed van Zacharia, den zoon van Barachia, welken gij gedood hebt tussen den tempel en het altaar. Voorwaar zeg Ik u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht. Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en gijlieden hebt niet gewild.

 

Thomas Watson :   Over de rechtvaardigheid Gods   &   De heiligheid Gods

Thomas Watson :   Over de eeuwigheid Gods   &   De barmhartigheid Gods

 

Thomas Watson :  Over trap en mate in de zonden, en het loon der zonde

 

Joh. Calvijn :   Over het wonderlijke heilige rechtvaardige Wezen Gods

 

W. a  Brakel :   Van de engelen en duivelen

 

W. a  Brakel :   Van de besluiten Gods in het algemeen

 

W. a  Brakel :   Van de eeuwige verkiezing en de verwerping Gods

 

John Bunyan :   Over de uitverkiezing   &   De verwerping aangetoond

 

John Bunyan :   Enige kreten uit de hel

 

John Bunyan :   De opstanding der doden en het laatste oordeel

 

John Bunyan :   Over het nieuwe Jeruzalem

 

Th. Boston :  Over de hemelse gelukzaligheid   &  Eeuwige rampzaligheid

 

George Larkin  :   Over de rampzaligheid der hel

 

Christopher Love :  Over de schrikkelijkheid der hel

 

Doctor Davis :  Een aangrijpend verhaal van een onbekeerde stervende

 

Octavius Winslow :  Over de hemel   &    Over de hel

 

Ds. Ledeboer :  Roepstem uit de gewesten der eeuwige rampzaligheid

 

 

 

Hoe dacht dr. Maarten Luther over de hel ?

 

 

Wat nu de hel betreft, dat wil zeggen vóór het aanbreken van de Jongste Dag, daarover heb ik geen volstrekte zekerheid. Dat er een aparte plaats zou zijn waarin nu al de zielen van de verdoemden verkeren, zoals schilders dat plegen uit te beelden en zoals de buikdienaren plegen te prediken, lijkt mij niet geloofwaardig. Immers, zelfs de duivels vertoeven thans nog niet in de hel maar zijn, zoals Petrus zegt ‘met strikken aan de hel vastgebonden’, 2 Petrus 2:4. Bij Paulus heten zij ‘vorsten en geweldhebbers dezer wereld, die boven ons zweven in de lucht’, Efeze 6:12; terwijl ook Christus zelf de duivel de ‘overste dezer wereld heeft genoemd in Johannes 14:30.

 

Welnu, waren zij in de hel dan zouden zij niet de wereld kunnen regeren en hier zoveel kwaad kunnen stichten en zoveel ellende kunnen veroorzaken. De pijn zou hen er wel van weerhouden. Vervolgens, ook van vele heiligen verhaalt de Schrift dat zij ter helle zijn gevaren, gelijk als Jona hier. Bijvoorbeeld Job (17:13). En Jacob, die immers klaagde: ‘Ik zal tot mijn zoon in de hel nederdalen’, Genesis 37:35. (Luther wijkt soms af van de StatenVertaling – CJB)

 

Het woord “scheôl” gebruikt de Schrift om er de nood en de angst mee aan te duiden van mensen die op hun uiterste liggen, stervende zijn. Hiermee drukt zij zich uit op een wijze die beantwoordt aan wat deze mensen zelf voelen. Van hen zelf is het namelijk niet anders dan of zij wegzinken in de hel, zij voelen zich bezwijken onder Gods toorn, al weten zij niet van een bepaalde plaats waar zij heengaan.

 

Iedereen is vergezeld van zijn eigen hel, ongeacht de plaats waar hij zich bevindt, welke hij ervaart wanneer hij in doodsnood verkeert en de toorn Gods voelt. In die zin heeft Petrus (Handelingen 2:27) Psalm 16:14, ‘Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten’, enz., op Christus betrokken, na eerst gesproken te hebben over de “weeën van de dood” die God verbrak. Onder de “hel” heeft hij hier dus verstaan de weeën van de dood die Christus voelde toen Hij stierf aan het kruis en viel in de handen van God.

 

Op de Jongste Dag zal het echter heel anders worden, dan zal er wel een aparte plaats zijn die hel heet, waarin de verdoemden dan zullen verkeren onder de eeu-wige toorn Gods. Doch genoeg hierover. Zoveel is er niet aangelegen of iemand zich de hel voorstelt  op de wijze waarop men  haar geschilderd of gepreekt heeft, al dan niet. Want eens zal zij zeker er zo uitzien, en bovendien reeds nu is zij veel erger dan wie ook maar uitbeelden, uitspreken of zich voorstellen kan.

 

Het boven geciteerde is te vinden in het boekje  Maarten Luther en het boek Jona, vertaald en ingeleid door drs. K. Exalto, uitgegeven in 1971. Een werkje van Luther -zoals alle geschriften van hem- zeer de moeite waard. Luther zegt veel dingen die voor mij persoonlijk allang een uitgemaakte zaak zijn. Dat de bekering van de Ninevieten een waarachtige bekering is geweest is bij Luther aan geen twijfel onderhevig en dit zijn we goed met hem eens!

 

Er is echter een gedachte van dr. Luther die voor meerderen mogelijk omstreden is -zoal niet geheel onmogelijk geacht- namelijk dat er in de Schrift genoemde plaats “hel”, nog geen schepselen aanwezig zijn; noch duivelen, noch mensen. U hebt er kennis van kunnen nemen. We willen nog op enkele dingen wijzen:

 

Ø                 In onze Bijbelvertaling wordt heel veel gesproken van “hel”, terwijl hiermee wordt bedoeld het “graf”. In de “kanttekening” vindt u dat er niet de strafplaats “hel” mee wordt bedoeld, maar het graf. Dr. Kohlbrugge merkte al op dat de Statenvertaling dikwijls beter is in de kanttekening dan in de tekst!

 

Ø                 Luther geeft er enkele Schrift/bewijzen van dat de satan en zijn engelen nog niet opgesloten zijn in hun eeuwige strafplaats. Ze worden nu nog niet “gepijnigd”; het is nu hun tijd nog niet. ”Zijt Gij gekomen om ons te pijnigen vóór onze tijd?”, vragen ze aan Christus, (Matth. 8:29). Straks worden ze éérst voor 1000 jaar gebonden, om daarná voor eeuwig geketend te worden. 

 

Ø                 Het is voor Luther wel geheel duidelijk dat er na de Jongste Dag een strafplaats is voor de duivelen en de verdoemden, die daar zullen verkeren onder de eeuwige toorn van God en dat zal erger zijn dan wie ook maar uitbeelden, uitspreken of zich voorstellen kan.

 

Ø                 We willen nog opmerken dat als Luther spreekt van “buikdienaren” hij hiermee bedoelt de roomse geestelijken die met de meest schrikwekkende woorden spraken over de verdoemden in de hel, die in een letterlijk vuur als het ware geroosterd worden, waar de duivelen met grote tangen en haken de mensen in het vuur smijten en ze om en om wentelen in de vlammen. Alsof de duivelen daar nog zullen heersen! Roomse schilders maakten er de meest vreselijke beelden van op doek en papier. Waarom werd dit allemaal gedaan? Om geld in het laatje te krijgen. De  verwanten van overledenen wisten hun geliefden doorgaans in het vagevuur en hoe sneller zij betaalden, en vooral véél, des te sneller werd de ziel van de helse pijnigingen verlost.

 

Ø                 Het was niet de bedoeling van dit artikel verder op de Schriftuurlijke gegevens van de hel in te gaan. We wilden u alleen de mening van Luther doorgeven dat de hel, als zodanig, nog niet bevolkt is. Ongetwijfeld zal het eens blijken dat veel, van wat we voor waarheid hebben aangenomen, bijgesteld zal moeten worden. Als de Jo-den tot bekering komen en het nieuwe licht doorbreekt zullen we dat wel merken!

 

 

 

Citaat uit :  Verwachting 2009 – nummer 4