Twaalf bijlslagen

Posted by admin | | vrijdag 12 december 2008 11:55 am

 

D E   T W A A L F    A F K A P P I N G E N – Thomas Boston

 

 

Artikel in pdf :  klik hier  &  mp3

 

Hoe de ranken afgesneden worden van de natuurlijke stam,voorgesteld in twaalf bijzonderheden of afkappingen:

 

Ik moet nu aantonen hoe de ranken (dat zijn de uitverkorenen) worden afgesneden van de natuurlijke stam, de eerste Adam, en ingeënt in de ware Wijnstok, de Heere Jezus Christus. Gedankt zij de Landman, niet de rank, dat die werd afgesneden van zijn natuurlijke stam, en geënt in een Nieuwe. De zondaar in zijn afkomen van de eerste stam is lijdelijk en kan noch wil uit zichzelven daar van af, maar kleeft die aan, totdat almachtige kracht hem doet afvallen, Joh. 6 vers 44: ‘Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader Die Mij gezonden heeft, hem trekke.’ En hoofdstuk 5 vers 40: ‘Gij wilt niet tot Mij komen. Opdat gij het leven moogt hebben.’

 

De ingeënte ranken zijn Gods akkerwerk, 1 Kor. 3:9. Een planting des Heeren, Jes. 61:3. De gewone middelen, daar Hij gebruik van maakt in dit werk, zijn de bedienaars van het Woord, 1 Kor. 3 vers 9 : Wij zijn Gods mede-arbeiders. Maar de krachtdadigheid daarvan is geheel van Hem, hoe groot ook  de gaven of godzaligheid van de Leeraar mocht zijn, vers 7: Zo is dan noch hij die plant iets, noch hij die nat maakt, maar God Die de wasdom geeft. De Apostelen predikten tot de Joden, nochtans het lichaam van dat volk verbleef in ongeloof, Rom. 10 vers 16 : Wie heeft onze prediking geloofd? Ja, Christus Zelf, die sprak zoals nooit één mens sprak, zegt aangaande het gevolg van Zijn eigen bediening: Ik heb tevergeefs gearbeid, Ik heb Mijn kracht onnuttelijk en ijdelijk toegebracht, Jes. 49:4. De ranken mogen besnoeid en behakt worden door de prediking van het Woord; maar  de slag zal nooit doorgaan, totdat het op hen wordt thuisgebracht door een Almachtige arm. Evenwel Gods gewone weg is, door de dwaasheid der prediking zalig te maken die geloven, 1 Kor. 1:21.

Het afsnijden der rank van de natuurlijke stam, wordt volbracht door het snoeimes van de Wet, in de hand van den Geest van God, Gal. 2 vers 19 : Ik ben door de Wet der Wet gestorven. ’t Is door de band van het verbond der werken, gelijk ik tevoren zei, dat wij zo verknocht zijn aan onze natuurlijke stam. En daarom, gelijk een vrouw, onwillig om verstoten te worden, pleit en hangt aan de huwelijks-band, zo doen de mensen aan het verbond der werken. Zij houden daaraan vast, gelijk die man in ’t water het schip van de vijand vasthield met zijn beide handen en toen zijn ene hand afgehakt was, het met de andere vast hield,en beide handen zijnde afgehouwen, het met zijn tanden nog vasthield. Dit zal bleiken door een onderscheidene beschouwing van het werk des Heeren aan de mensen, in hen af te brengen van de oude stam, ’t welk ik nu aanbied in de volgende twaalf bijzonderheden :

 

I. Wanneer de Geest van de Heere komt met een persoon te handelen, om hem tot Christus te brengen, vindt Hij hem in Laodicea’s geval, in een vaste slaap van zekerheid, dromende van de hemel en de gunst van God, hoewel  vol van zonden tegen de Heilige Israëls, Openb.3 vers 17: Gij weet niet, dat gij zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt. En daarom schiet Hij enige stralen van Zijn licht in de donkere ziel en laat die mens zien dat hij een verloren mens is, zo hij niet verbeterd wordtt en zichzelf begeeft tot een nieuwe koers van leven. Dus door de Geest van de Heere, werkende als een Geest van dienstbaarheid, is er een gerechtshof opgericht in de mens z’n boezem. Waar hij wordt ingedaagd, beschuldigd en veroordeeld over het breken van de Wet van God, overtuigd van zonde en oordeel, Joh.16:8. En nu kan hij niet langer veiliglijk slapen in zijn vorige wijze van leven. Dit is de eerste slag, die de rank krijgt, om haar af te snijden.

 

II. Hierop verlaat de mens zijn vorige profane wegen, zijn liegen,zweren, sabbath-breken, stelen en dergelijke handelingen, hoewel ze hem zo lief zijn als zijn rechteroog; hij wil toch liever deze verlaten, dan zijn ziel verderven. Het schip zal waarschijnlijk zinken en derhalve werpt hij zijn goederen overboord, opdat hij zelf niet vergaan zou. En nu begint hij zichzelf in z’n hart te zegenen en ziet met blijdschap op zijn bewijzen voor de hemel, denkende bij zichzelf nu een beter dienstknecht van God te zijn dan vele anderen: Lukas 18 vers 11:O, God! Ik dank U, dat ik niet ben gelijk andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers, enz. Maar hij krijgt haast alweer een andere slag met de bijl van de Wet, hem aantonende, dat hij het alleen is, die doet hetgeen in de Wet geschreven is, die daardoor zalig kan worden; en dat zijn ontkennende heiligheid een te bekrompen bedeksel is voor de storm van Gods toorn. En dus, alhoewel zijn zonde van bedrijf alleen tevoren zwaar op hem lag, zijn zonden van verzuim dringen nu in zijn gedachten, vergezeld met een nasleep van Wet-vloeken en Wet-wraak. En ieder van de tien Geboden brandt met donderslagen van toorn tegen hem los, wegens zijn verzuim van gevorderde plichten.

 

III. Na dit keert hij zichzelf tot stellige en meer heilige levensloop; hij is niet alleen nu niet profaan, maar hij volbrengt ook godsdienstige plichten; hij bidt, zoekt de kennis van beginselen van godsdienst, onderhoudt nauwkeurig des Heeren Dag, en gelijk Herodes, doet hij vele dingen en hoort predikaties gaarne. In één woord, daar is een grote overeenkomst in zijn uitwendige wandel aan de letter van de beide tafelen van de Wet. En nu is er een krachtige verandering bij die mens, zodat zijn naburen niet missen kunnen er kennis van te nemen. Hier vandaan wordt hij nu blijde toegelaten bij de godvruchtigen in hun gezelschap, als een biddend persoon, en kan met hen spreken omtrent godsdienstige zaken, ja, en omtrent ziels-oefeningen, waar sommigen niet mede bekend zijn. En hun goede bevattingen van hem bevestigt zijn goede bevatting die hij van zich zelf heeft.  Deze stap in de godsdienst is voor velen dodelijk, die nooit verder komen. Maar hier bereikt de Heere de uitverkerenen rank met een verdere slag. De conscientie vliegt is zijn aangezicht, over enige verkeerde treden in zijn omgang, het verzuim van enige plichten, of het bedrijf van sommige zonden, welke een vlek in zijn wandel zijn of waren; en dan…. verschijnt wederom het vlammig zwaard boven zijn hoofd en de vloek klinkt in zijn oren, omdat hij niet bleef in ALLES dat geschreven is in het boek der Wet, om dat te doen, Gal. 3:10.

 

IV. Op deze rekening is hij verplicht om een andere zalf voor zijn pijn te zoeken. Hij gaat tot God, belijdt zijn zonden, zoekt vergeving daarvan, belovende daartegen te waken voor de toekomende tijd en vindt zo rust, denkende dat hij die zeer wel nemen mag, terwijl de Schriftuur zegt: Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, 1 Joh.1:9, niet overwegende, dat hij grijpt naar een voorecht, ’t welk het hunne alleen is, die geënt zijn in Christus en onder het verbond der genade, en op welke de ranken niet kunnen pleiten, die nog groeien op de oude stam. En hier zijn somtijds formele en uitdrukkelijke beloften, gemaakt tegen zulke en zulke zonden, en een binding tot zulke en zulke plichten. Zo gaan velen al hun dagen daarheen, kennende geen andere godsdienst dan plichten te doen, te belijden, en om vergeving te bidden over ’t geen waarin zij nog feilen; belovende hunzelven eeuwige gelukzaligheid, hoewel zij uiterste vreemdelingen zijn aan Christus. Hier zijn vele uitverkorenen wel eens verwond terneder geworpen, en menige verworpenen zijn hier gedood, terwijl toch de wonden aan geen van beiden diep genoeg waren, om hen af te snijden van hun natuurlijke stam. Maar de Geest van de Heere geeft een nog dieper slag aan de rank, die afgesneden moet worden; tonende hem, dat hij alsnog maar een buitenzijdse heilige is, ontdekkende aan hem de vuile lusten, die in zijn hart huisvesten, daar hij tevoren geen kennis van nam,Rom.7 vers 9: Als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven. Dan ziet hij zijn hart te zijn een riool van helse lusten, vervuld met gierigheid, hoovaardij, boosheid, onreinigheid en dergelijke. Nu, zo haast als de deur van zijn gehele binnenkamer aldus aan hem geopend is, en hij ziet wat zij daar in het duister doen, zijn buitenzijdse godsdienst vliegt op als ongenoegzaam en hij leert een nieuwe les in de godsdienst, namelijk, dat hij geen Jood is, welke een uitwendige Jood in het vlees is, Rom. 2:28.

 

V. Hierop gaat hij verder, zelfs tot een binnenzijdse godsdienst, zet zich meer dapper aan ’t werk dan ooit, treurt over al dat kwade van zijn hart, en streeft om ten onder te houden de onkruiden, die hij vindt groeiende in die verwaarloosde en verwilderde hof. Hij arbeids om zijn hoogmoed en driften te bedwingen en bespiegelende onreinheid uit te bannen; hij bidt vuriger, hoort aandachtiger en tracht zijn hart aangedaan te krijgen in iedere godsdienstige plicht die hij verricht; en dus komt hij van zichzelf te denken dat hij niet alleen een uitwendig, maar ook een inwendig Christen is. Verwonder u hier niet over, want daar is niets in dit alles boven de krachten van de natuur, of waar dat iemand toe komen kan onder een sterke invloed van het verbond der werken. Derhalve, een andere, nog diepere slag wordt hem toegebracht. De Wet brengt thuis op des mans consciëntie, dat hij een overtreder is reeds van de baarmoeder af; dat hij in de wereld kwam als een schuldig schepsel, en dat in de tijd van zijn onwetendheid, en zelfs nadat zijn ogen waren geopend, hij schuldig is geworden aan zoveel dadelijke zonden, die of geheel bij hem over het hoofd gezien, of daar niet genoegzaam over getreurd is.(Want geestelijke zweren, niet geheeld door het bloed van Christus, maar toegelopen op enige andere wijze, zijn gemakkelijk geheeld maar ook even spoedig weer opengebroken.) En daarom, de Wet grijpt hem bij de keel, zeggende: Betaal hetgeen gij schuldig zijt!

 

VI. Dan zegt de zondaar in zijn hart: Zijt lankmoedig over mij, en ik zal U alles betalen; en valt zo aan ’t werk om een beledigd God te bevredigen en te verzoenen voor deze zonden. Hij vernieuwd zijn bekering, zij is dan zoals zij is, draagt geduldig de bezoekingen op hem gelegd; ja, hij kwelt zichzelf. Weigert zichzelf het gebruik van zijn wettige verkwikingen, zucht diep en veel, treurt bitterlijk, roept met tranen om vergeving, totdat hij zijn hart opgewrocht heeft tot een waan, dat hij het verkregen heeft, dus hebbende boete gedaan voor ’t verleden en voornemende een goede dienstknecht van God te zijn en aan te houden in uit- en inwendige gehoorzaamheid voor de toekomende tijd. Maar…. de slag moet nog nader aan het hart komen eer de rank afvalt. De Heere ontdekt aan hem, in de spiegel van de Wet, hoe dat hij volgens de Wet zondigt in al hetgeen dat hij zo in eigen kracht doet, zelfs als hij het beste doet dat hij doen kan; en daarom keert het vreselijk geluid weer in zijn oren,Gal.3 vers 10: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in alles, enz… Toen gij vaste en rouwklaagde, zegt de Heere, hebt gijlieden Mij, Mij enigszins gevast? Zal vuil water schone klederen maken? Zult gij voor de ene zonde voldoen met een andere? Waren uw gedachten niet verstrooid in zulk een plicht? Waren uw genegenheden niet laag in een andere plicht? Gaf uw hart niet een hoerachtig gezicht naar zulk een afgod? En kwam er geen vlaag van ongeduld op onder zulk een bezoeking? Zou Mij zulks aangenaam zijn van uw hand? Ja, vervloekt zij de bedrieger, die den Heere offert wat verdorven is, Mal. 1:13-14. En dus wordt hij zoverre afgebroken, dat hij eindelijk ziet niet bekwaam te zijn om aan de eisen der heilige Wet te voldoen.

 

VII. Hier nu, als een mens, die zich onmachtig vindt om al zijn schulden te betalen, gaat hij, om met zijn Schuldeiser het af te maken. En druk bezig zijnde in het najagen van rust en troost, doet hij wat hij kan om de Wet te vervullen, en waarin hij ontbreekt, ziet hij uit, dat God de wil voor de daad zal aannemen. Dus zijn plicht doende, en een wil hebbende om nog beter te doen, bedriegt hij zichzelf in een overtreding van de goedheid van zijn staat en hierdoor worden duizenden verdorven. Maar de uitverkorenen krijgen een andere slag, die hun aanvatsel in dit geval losmaakt. De leer van de Wet dringt in op hun consciëntiën, betogende aan hen, dat nauwkeurige en volmaakte gehoorzaamheid door hen vereist wordt, onder straf van de vloek; en dat het slechts DOEN is, en niet WENSEN TE DOEN, dat hen te stade kan komen. Wensen om beter te doen, zal niet beantwoorden aan de vereisten der Wet; en derhalve, de vloek klinkt al wederom: Vervloekt is hij die niet blijft in alles- om die te DOEN; dat is;  MET DER DAAD TE DOEN. IJdel is dan hier een wensen.

 

VIII. Zijnde nu ontzet van zijn hoop om het te vereffenen met de Wet, valt hij aan het ontlenen. Hij ziet, dat al wat hij kan doen om de Wet te gehoorzamen, en al zijn begeerten om beter te zijn en beter te doen, zijn ziel niet behouden kan. Daarom gaat hij nu naar Christus, smekende dat Zijn gerechtigheid vervullen mag ’t geen aan de zijne ontbreekt en bedekken al de gebrekkelijkheden van zijn doen en lijden, opdat zo God om Christus’ wil hem mocht aannemen en daarop verzoend zijn. Dus doende wat hij kan om de Wet te vervullen en ziende naar Christus om al zijn onvolkomenheden vol te maken, zo komt hij ten laatste weer in een gezond vel te slapen. Veel personen zijn in deze weg bedorven. Dit was de dwaling van de Galatiërs, waartegen Paulus in zijn zendbrief aan hen twist. Maar de Geest van God ontneemt hem ook dit steunsel, door in zijn consciëntie te brengen die grote waarheid: Gal. 3 vers 12: Doch de Wet is niet uit het geloof, maar de mens, die deze dingen doet, zal daardoor leven. Daar is geen vermenging van de Wet en het geloof in dit werk; de zondaar moet zich aan één van beiden houden en de ander laten gaan. De weg van de Wet en de weg van het geloof zijn zoveel verschillend, dat het niet mogelijk is voor een zondaar in de ene te wandelen, of hij moet van de andere afkomen; en zo hij voor het “doen” is, moet hij alles doen. Een kleed, samengesteld van verschillende soorten van gerechtigheid, is geen gevoeglijk kleed voor het hof des Hemels. Dus de man, die in een droom was, en dacht dat hij at, is door deze slag wakker geworden, en ziet, zijn ziel is flauw. Zijn hart zinkt in hem als een steen, terwijl hij bevindt: hij kan zijn last alleen niet dragen en hij kan daaronder in die staat blijvende, ook geen hulp krijgen.

 

IX. Wat kan iemand doen, die noodzakelijk betalen moet en echter zoveel van zichzelf niet heeft ’t geen hem buiten schuld kan brengen, noch ook zoveel te leen kan krijgen, en om te bedelen zich schaamt? Wat kan zulk één doen, zeg ik, dan zichzelf verkopen, gelijk die man onder de Wet, die arm geworden was? Lev.25:47. Derhalve, de zondaar, geslagen uit zoveel van zijn vastigheden, onderneemt een verdrag met Christus te maken, en zichzelf te verkopen aan de Zoon Gods, (indien ik zo mag spreken) plechtig belovende en zich verlovende, dat hij aan Christus wil zijn een dienstknecht, zolang als hij leeft, zo Hij zijn ziel wil zaligen. En hier maakt de zondaar dikwijls een personeel verbond met Christus, zichzelf aan Hem overtgevende op deze voorwaarden; ja, en neemt daarop het sacrament, om de koop zeker te maken. Hierop is de man zijn grootste zorg, hoe Christus te gehoorzamen, Zijn geboden te houden en zo Zijn vordering te vervullen. En hierin vindt de ziel een valse ,ongezonde vrede, voor een tijd, totdat de Geest van de Heere hem een andere slag geeft om de man ook hier in zijn toevlucht van leugenen af te snijden. En dat geschiedt wel op deze wijze: Wanneer hij feilt in de plichten waar hij zich toe verbond en valt weer in de zonden, daar hij nog pas een verbond tegen maakte, ’t word krachtdadig thuisgebracht op zijn consciëntie, dat zijn verbond gebroken is en zo gaat al zijn troost weg en verschrikkingen vatten opnieuw zijn ziel aan, als één, die zijn verbond met Christus gebroken heeft. En gewoonlijk, de mens om zichzelf te helpen, vernieuwd dan zijn verbond, maar breekt het ook wederom als tevoren. En hoe is het mogelijk, dat het anders zou zijn, terwijl hij nog op de oude stam is  Dus is dit het werk van velen al hun dagen, aangaande hun zielen, niet anders dan maken en breken van zulke verbonden, gedurig weer.

 

Tegenwerping. Sommigen zullen misschien zeggen Wie leeft er die niet zondigt?. Wie is er die niet feilt in de plichten daar hij zich toe verbonden heeft.? Indien gij dit als ongezond verwerpt, wie kan dan zalig worden ? Antwoord: Ware gelovigen zullen zalig worden, namelijk allen die door geloof Gods verbond aangrijpen. Maar dit soort van verbond is ´s mensen eigen verbond, verzonnen uit hun eigen hart, en niet Gods verbond, geopenbaard in het Evangelie van Zijn genade; en het maken daarvan is niet anders dan het maken van een verbond der werken met Christus, verwarrende de Wet en het Evangelie, een verbond dat Hij nooit zal onderschrijven, ofschoon wij het zouden ondertekenen met ons hartebloed. Rom. 4 vers 14: Want indien degenen die uit de Wet zijn, erfgenamen zijn, zo is het geloof ijdel geworden en de beloftenis teniet gedaan, vers 16. Daarom is ze uit het geloof, opdat ze zij naar genade, teneinde de belofte vast zij, alle den zade. Rom. 11:6. En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken, anderszins is de genade geen genade meer. En indien het is uit de werken, zo is´t geen genade meer: anderszins is het werk geen werk meer. Gods verbond is eeuwigdurend en eens daarin, nooit weer daaruit, en de weldadigheden daarvan zijn gewisse weldadigheden Jes.55:3. Maar het verbond van uzelf is een waggelend verbond, nooit vast, maar iedere dag alweer verbroken. Het is een enkel knechtelijk verbond, gevende Christus uw dient voor de zaligheid. Maar Gods verbond is een kinderlijk verbond, in hetwelk de zondaar Christus en Zijn zaligheid vrijelijk aangeboden, aanneemt en dus een zoon wordt, Joh.1 vers 12: Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden; en zijnde een zoon geworden, dient hij zijn Vader, niet OPDAT de erfenis de zijne ZOU WORDEN, MAAR OMDAT HET DE ZIJNE IS DOOR JEZUS CHRISTUS. Ziet Gal.4:24 en volgende. Te gaan in dat onecht verbond, is van Christus te kopen MET GELD; maar Gods verbond aan te grijpen, is van Hem te kopen ZONDER GELD EN ZONDER PRIJS, Jes.55:1, dat is te zeggen: van Hem te bedelen. In dat eigen verbond werken de mensen voor leven, in Gods verbond komen zij tot Christus om leven en werken uit leven. Wanneer een persoon onder dat verbond in zijn plicht mist, alles is weg!; het verbond moet wederom worden gemaakt + maar onder Gods verbond, ofschoon de mens feilt in zijn plicht en wegens zijn fouten en afwijkingen komt onder de tuchtiging van het verbond en onder het gewicht daarvan ligt tot die tijd dat hij opnieuw toevlucht heeft tot het bloed van Chritus om vergeving, en zijn bekering vernieuwd; nochtans , alles waar hij op betrouwde tot zijn leven en zaligheid, namelijk de gerechtigheid van Christus, staat nog ongeschonden en het verbond blijft vast. Ziet Rom. 7:24, 25 en Rom. 8:1. Nu, hoewel sommige mensen hun leven doorbrengen in het maken en breken van zulke eigen verbonden, de schrik op het breken derzelve wordt steeds zwakker en zwakker, totdat het op ’t laatst hun weinig of geen ongemakkelijkheid baart. Echter de mens, in wie het goede werk voortgezet wordt, totdat het zijn volkomenheid heeft, in hem af te snijden van de oude stam, bevindt deze verbonden te zijn als verrotte touwen, gebroken bij iedere aanraking, en de verschrikking van God daarop verdubbeld zijnde op zijn geest en de wateren telkens, zelfs tot in zijn ziel inkomende, is hij verplicht om los te laten zijn vasthouden van zulke verbonden en om hulp te zoeken door een andere weg.

 

X. Derhalve, de mens komt eindelijk te bedelen aan Christus deur om barmhartigheid; maar…..hij is nog een hoovaardig bedelaar, staande op zijn personele waardigheid. Want gelijk de Papisten hun middelaars hebben, om voor hen te pleiten, nevens den enen en enigen Middelaar; zoook de ranken van de oude stam hebben altoos iets voort te brengen ’t welk zij denken dat hun aan Chritus  kan aanprijzen en Hem verplichten om hun zaak in handen te nemen. Zij kunnen niet begrijpen van tot de geestelijke markt te komen zonder geld in hun hand. Zij zijn gelijk personen die eens middelen van zichzelf hebben gehad, maar daarna gebracht zijn tot de uiterste armoede, en gedwongen om te bedelen. Wanneer zij komen te bedelen, gedenken zij steeds aan hun vorige toestand; en ofschoon zij hun middelen verloren hebben, echter behouden zij veel van hun voorgaande geest; daarom kunnen zij niet denken dat zij behoorden behandeld te worden als normale bedelaars, maar verdienen een bijzondere behandeling; en als dat hun niet gegeven wordt, komen hun geesten tegen hen op, aan wie zij zich om onderhoud wenden. Dus geeft God aan een onvernederd zondaar vele algemene barmhartigheden en sluit hem niet op in de kuil volgens hetgeen hij verdiende; maar dit alles is niets in zijn ogen. Hij moest gezet worden aan de tafel van de kinderen, anders rekent hij zich hard behandeld en verongelijkt; want hij is alsnog zo laag niet gebracht om te denken dat God rechtvaardig is in Zijn spreken, (tegen hem) en rein van alle ongerechtigheid, wanneer Hij hem oordeelt naar zijn wezenlijke verdiensten, Ps.51:6. Hij denkt mogelijk, dat hij zelf voor zijn verlichting beter was dan vele anderen; hij overweegt zijn hervorming van leven, zijn berouw, het hartzeer en de tranen,die de zonden hem gekost hebben, zijn ernstige begeerte naar Christus, zijn gebeden en worstelingen om barmhartigheid en gebruikt die alle nu als zovele geschenken om genade te verkrijgen, leggende geen klein gewicht op dezelve, in zijn nederliggen tot de troon der genade. Maar…..hier schiet de Geest de Heeren een gehele bos pijlen in die mens z’n hart, waardoor zijn vertrouwen in deze dingen wegzinkt en vernield wordt; en inplaats van zichzelf beter te achten dan velen, wordt hij gemaakt zichzelf te zien erger dan iemand. De ondeugendheud van zijn hervorming van leven wordt ontdekt, zijn berouw komt aan hem voor, niet beter te zijn dan het berouw van Judas; zijn tranen als Ezau’s tranen; en zijn begeerten naar Christus zelfzuchtig en walgelijk, gelijk de schare die Christus zocht om de broden, Joh. 6:26. Zijn antwoord van Godswege schijnt nu te zijn: ga weg, hoovaardige bedelaar, hoe zal ik u onder de kinderen stellen? Hij schijnt straf op zich te zien, wegens zijn kleinachting van Jezus Christus door ongeloof, ’t geen een zonde is die hij tevoren nauwelijks kon zien; maar nu ten laatste ziet hij ze in al haar scharlaken kleuren, en wordt als met duizend pijlen doorstoken in het hart, terwijl hij ziet hoe blind hij steeds maar voortgegaan is, zondigende tegen het geneesmiddel voor de zonde, en in de gehele loop van zijn leven, vertredende het bloed van de Zone Gods. En nu is hij, in zijn eigen ogen, het ellendig en ongelukkig voorwerp van de wraak der Wet en ook van de wraak des Evangelies.

 

XI. De mens, zover zijnde vernederd, wil nu niet meer pleiten, dat hij waardig is voor wie Christus dit ding zou doen; maar integendeel, hij ziet nu op zichzelf als Christus onwaardig, en onwaardig de gunst van God. Wij mogen hem vergelijken in dit geval bij die jongeling, welke Christus volgde, hebbende een lijnwaad omgedaan over zijn naakte lijf, en die, toen de jongelingen hem aangrepen, zijn lijnwaad verliet en naakt heenvlood. Mark.14:51-52. Evenzo deze mens is Christus volgende geweest in het dunne en koude kleed van z’n eigen personele waardigheid; maar daarbij, (zelfs daarbij, waar hij zoveel op betrouwde) grijpt de Wet hem aan om hem een gevangene te maken, en dan is hij genoodzaakt het te verlaten, en vliedt naakt heen; nochtans, niet naar Christus, maar van Hem. Zo gij hem nu zegt, dat hij aan Christus welkom is, indien hij tot Hem komt, hij is gereed om te zeggen: kan zulk een snode, onwaardige en heilloze als ik ben, welkom zijn aan den heilige Jezus? Zo een pleister wordt toegepast op zijn verwonde ziel; hij wil niet aangrijpen en aankleven, hij zegt: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens, Luk.5:8. Geen mens behoeft hem te spreken van zijn bekering tot zijn verkwikking; hij kan haast zulke fouten daarin bespieden, die het ondeugend maken. Noch van z’n tranen, want hij is verzekerd dat zij nooit in des Heeren fles gekomen zijn. Hij disputeert zichzelf weg van Christus en besluit, nu hij zulk een verachter van Christus is geweest en zulk een onheilig en snood schepsel is; hij kan niet, hij wil niet en hij moet niet tot Christus komen; en dat hij moet zijn of in een betere Staat, of anders zal hij nooit geloven. En hier vandaan doet hij nu zijn stekste pogingen, om te verbeteren, ’t geen tevoren in zijn weg verkeerd was; hij bidt ernstiger dan ooit, treurt bitterder, strijdt tegen de zonden in zijn hart en leven meer kloekmoedig en waakt naarstiger, of hij door enige middelen ten laatste bekwamer mocht worden om tot Christus te komen. Iemand zou denken, die mens is nu wel vernederd; maar ach! Duivelse hoogmoed verschuilt zich onder het kleed van al deze schijn-nederigheid. Gelijk een bevallige rank van de oude stam, kleeft hij nogal aan en wil zich niet aan de gerechtigheid van God onderwerpen, Rom.10:3. Hij wil niet komen tot de markt van vrije genade zonder geld, hij is genodigd tot de Bruiloft van des Konings Zoon, daar de Bruidegom Zelf al de gasten voorziet met bruiloftsklederen, trekkende de hunne uit; maar hij wil niet komen, omdat hem een bruiloftskleed ontbreekt, hoewel hij druk bezig is om er één gereed te maken. Dit is een droevig werk en daarom moet hij een nog dieper slag hebben, anders is hij bedorven.  Deze slag wordt hem gegeven door de bijl van de Wet in derzelver aanzettende kracht. Dus de Wet bindende de ziel met koorden dse doods, en met de strenge geboden van gehoorzaamheid onder de straf van de vloek; en God in Zijn heilig en wijs beleid, onttrekkende Zijn wederhoudende genade, wordt de verdorvenheid getergd, de lusten worden geweldig in kracht en hoe meer zij worden tegengestaan, te meer woeden zij, gelijk een heftig paard als het bij ’t gebit getrokken wordt. Dan steken de verdorvenheden hun kop op, die hij nooit tevoren in zichzelf zag. Hier is dikwijls Godverlochening, lastering en in één woord, verschrikkelijke dingen aangaande God; vreselijke gedachten aangaande het geloof, opkomende in zijn boezem, zodat zijn hart een loutere hel is binnen in hem. Dus terwijl hij het huis van zijn hart uitveegt, nog niet bevochtigd zijnde met Evangelie-genade, en deze verdorvenheden die tevoren stil lagen in verzuimde hoeken, vliegen nu daarin op en neer gelijk stof. Hij is als iemand, die een dam verbetert en terwijl hij de breuken daarin verstelt en dichtstopt, versterkende ieder deel daarvan, een machtige vloed komt weer, keert zijn werken om en drijft alles voor hem weg, zowel ’t nieuw aangelegde als ’t geen er tevoren gelegd. Was.Leest Rom.7:8,9,10,13. Dit is een slag, die tot aan het hart gaat; en daardoor wordt zijn hoop, om zichzelf meer bekwaam te krijgen om tot Christus te komen, geheel afgesneden.

 

XII. Nu is de tijd gekomen wanneer de mens slingerend tussen hoop en wanhoop, zich voorneemt om TOT CHRISTUS TE GAAN ZOALS HIJ IS; en darhalve, gelijk een stervend mens zich uitstrekt juist voor zijn adem uitgaat, zo vergadert hij al de gebroken krachten van zijn ziel bijeen, beproeft om te geloven en in zekere mate grijpt hij Jezus Christus aan. En nu hangt de rank daar aan de oude stam, bij een enkele tak van een natuurlijk geloof, voortgebracht door de natuurlijke sterkte van iemands eigen geest, onder een allerdrukkendste noodzakelijkheid Ps. 78:34, 35; Als Hij ze doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weder, en zochten God vroeg. En zij gedachten dat God hun rotssteen was en God de Allerhoogste hun Verlosser; Hosea 8 vers 2: Dan zullen zij tot Mij roepen:mij God! Wij, Israël kennen U! Maar de Heere, voorhebbende Zijn werk te voltooien, brengt dan nog een andere slag toe, waardoor de rank geheel afvalt. De Geest van God ontdekt overtuigend aan de zondaar zijn uiterste onvermogen om enig ding te doen dat goed is; en dus sterft hij, Rom.7:9. Die stem slaat krachtdadig alles overstemmend en verbrijzelend door zijn ziel: Hoe kunt gij geloven? Joh.5:44. Gij kunt niet meer geloven, dan dat gij uw hand tot den hemel zoudt strekken en Christus vandaar nederbrengen! En dus ziet hij ten laatste dat hij zichzelf in eeuwigheid niet kan helpen, door werken noch door geloven; en niets meer hebbende om te blijven hangen aan de oude stam. valt hij daarom af. En terwijl hij dus in de uiterste verlegenheid is, ziende zichzelf waarschijnlijk weggevaagd te zullen worden door de vloed van Gods toorn; en nochtans onmachtig om zo veel als zijn hand uit te steken om een tak aan te grijpen van de Boom dse levens, groeiende aan de zijde der rivier, DAAR WORDT HIJ OPGENOMEN EN INGEENT IN DEN WAREN WIJNSTOK, DE HEERE JEZUS CHRISTUS, DIE HEM GEEFT DE GEEST DES GELOOFS.

 

 

Door hetgeen hierboven gezegd is, heb ik waarlijk geen oogmerk om te pijnigen of tedere conscientien te benauwen; want hoewel er zulke (tedere conscientieën) tegenwoordig meer zeer weinige zijn, nochtans God verhoede dat ik misdoen zou aan enigen van Christus kleinen! Maar, helaas, een doodslaap is op dit geslacht gevallen; zij willen niet worden wakker gemaakt, laten wij zo aan het leven komen als wij kunnen; en daarom vrees ik, dat er een ander soort van waakermaking op dit predikatie-verharde geslacht wacht, die de oren van hen die het horen, zullen doen klinken.

 

—————————————————————-

 

 

Overgenomen uit zijn befaamde werk, De viervoudige staat : klik hier