Instelling van het pascha

Posted by admin | | donderdag 23 februari 2012 11:08 am

Artikel in pdf – klik hier

 

Het onderscheid tussen de instelling en de viering van het Pascha

Spreekt tot de ganse vergadering van Israel, zeggende: Aan den tienden dezer maand neme een iegelijk een lam, naar de huizen der vaderen, een lam voor een huis. Maar indien een huis te klein is voor een lam, zo neme hij het en zijn nabuur, de naaste aan zijn huis, naar het getal der zielen, een iegelijk naar dat hij eten kan; gij zult rekening maken naar het lam. Gij zult een volkomen lam hebben, een manneken, een jaar oud; van de schapen of van de geitenbokken zult gij het nemen. En gij zult het in bewaring hebben tot den veertienden dag dezer maand, (Exodus 12 vers 3-6a).

 

Geliefde lezer, het heeft God behaagt Zijn verkoren bondsvolk Israel een weg tot verlossing aan te wijzen tussen het negende en tiende gericht/plaag in de ijzeroven van Egypteland. Een weg waardoor Israel kon ontkomen van het dodelijk verderf dat God over het vervloekte diensthuis brengen zou. Een weg waardoor Zijn volk het beloofde land Kanaan zou gaan beërven. Het dodelijk verderf kon aan de eerstgeborenen (=erfgenamen) alleen voorbij gaan wanneer er een tussentreder  was aangesteld om te sterven in zijn plaats. Voordat God de gerechtigheid in Egypteland zou opeisen omtrent het onschuldig vergoten bloed van de vermoorde jonge Hebreers, wees God een weg aan tot ontkoming van het dodelijk verderf dat Hij over gans Egypteland brengen zou. Het volk Israel droeg immers het beloofde Vrouwenzaad in haar schoot. Zij waren het aardse verkoren volk van God dat de beloofde Messias der Schriften baren zou. Ondanks dat het merendeel van de Joden Hem verwierp, was de zaligheid evenwel toch uit de Joden. Dit Zaad heeft de duivel door Farao en zijn drijvers geprobeerd uit te roeien, door de jongetjes van de Hebreeërs te vermoorden en de mannen zich letterlijk dood te laten werken. Dit heeft de duivel later nogmaals geprobeerd door Haman aan het hof van Ahasveros, en bij de kindermoord te Bethlehem door Herodus.

In Hebr. 9 vers 14-17 staat geschreven: “Want waar een testament is, daar is het noodzaak, dat de dood des testamentmakers tussen kome”. Dit geldt het geestelijk verkoren Israel vergaderd uit Jood en heiden. Maar door Israels verlossing uit Egypteland wilde God betonen hoe Hij Zijn geestelijk verkoren Israel verlossen zou. God had immers een eed van trouw gezworen aan Abraham, Izak en Jacob. Want indien de erfenis uit de wet is, zo is zij niet meer uit de beloftenis; maar God heeft ze Abraham door de beloftenis genadiglijk gegeven, (Gal. 3:18). Israel kon zichzelf niet verlossen door hun weeklagen en harde werken onder de geselslagen van de drijvers van Farao. Waar Israel geen weg meer wist tot ontkoming, daar ging God Zijn volk een weg aanwijzen tot verlossing. Maar dat moest door de dood heen. In de nacht dat God de dood over het diensthuis brengen zou, moest er een lam geslacht, gebraden en gegeten worden, en zijn bloed worden gestreken aan de deurposten van de huizen. Een dienstknecht kan alleen verdienen met werken, maar een kind is opgenomen in een testament waardoor het een erfgenaam is en blijft. God had Zijn aardse verkoren bondsvolk Israel aangenomen als Zijn volk, en derhalve in Zijn testament opgenomen om hen het aardse Kanaan te kunnen doen beërven. Nu wilde God Zijn bondsvolk Israel betonen dat de zonen der dienstbaren niet konden erven met de zonen der vrijen. Israel was onder Jozef en zijn farao als vrij volk in Egypteland komen wonen, maar had zich tenslotte gevangen laten nemen door de latere farao waardoor zij als slaven onder zijn heerschappij van dienstbaarheid hard moest werken. Door middel van het aards verkoren Israel wilde God laten zien wie en wat Zijn geestelijk verkoren Israel na hun val in Adam geworden waren. Ook zij waren in vrijheid geschapen in het paradijs, maar hebben zich door schuld als slaaf der zonden verkocht aan koning satan die hen tot zonden verleid heeft, waardoor zij onder de heerschappij der zonden terecht kwamen met een vloekende wet boven hen. Door weeklag en hard werken kon ook het geestelijk verkoren Israel zichzelf niet verlossen. De wet die hen ten leven was is hen ten dood bevonden. De ziel die zondigt zou de dood sterven. Wilde God Zijn volk kunnen verlossen zonder Zijn heilige deugden te krenken, moest de dood en derhalve de oorzaak van de dood teniet worden gedaan. Doch ik zeg, zo langen tijd als de erfgenaam een kind is, zo verschilt hij niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles; Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot den tijd van den vader te voren gesteld. Alzo wij ook, toen wij kinderen waren, zo waren wij dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen der wereld. Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. (Gal. 4:1-5)  

Het lam dat in het diensthuis genomen, gekoesterd, geslacht, gebraden, gegeten en verbrand moest worden, wees dus op het Lamme Gods dat als een dienstknecht geboren wilde worden, opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat zij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. Hij moest het vlees aannemen van Zijn verkorenen opdat hun zonden veroordeeld konden worden in Zijn aangenomen vlees. Om de dood en de zonden (= doodsoorzaak) te vernietigen moest Hij de vervloekte kruisdood sterven en begraven worden. Zo dan mijn broeders, gij zijt der wet gedood door het aangenomen vleselijke lichaam van Christus, schrijft de apostel aan de gemeente te Rome. Kijk lezer, daartoe moest Israel in haar diensthuis een volkomen mannelijk lam nemen, opdat dit lam de plaatsvervanger zou zijn van de erfgenamen die gedood moesten worden. Door het dodelijk verderf dat God over het diensthuis brengen zou, zouden zij de vloek ontvangen in plaats van de zegen. Maar nu ontving Israel de zegen en de erfenis door het bloed van het paaslam dat in hun plaats geslacht moest worden. Lees hier wat de profeet Jesaja over het Lamme Gods dat geslacht moest worden destijds al profeteerde:  “Doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. Als dezelve geëist werd, toen werd Hij verdrukt; doch Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open, Jes. 53:6b-7.”God moest Zijn toorn en Zijn gramschap stillen omtrent de bedreven zonden van Zijn verkorenen. Deze heeft Hij gestild in Zijn eniggeboren Zoon. Opdat het recht der wet vervuld zou worden in de verkorenen Gods, Rom. 8:1-4. God heeft Zijn Zoon gedood, opdat Zijn aangenomen zonen / kinderen het leven in Hem, door Zijn dood en opstanding, zouden beërven. Want een testament is vast in de doden, dewijl het nog geen kracht heeft, wanneer de testamentmaker leeft, Hebr. 9:17. Israels verlossing en leven in vrijheid lag dus verklaard in de dood van een plaatsvervanger.

Hoevelen in onze dagen hebben alrede een verlossing en het leven in vrijheid gevonden zonder dat er een mannelijk Lam voor hen werd geslacht, zonder te hebben gegeten van Zijn geroosterde vlees tot vereniging, zonder dat het bloed aan de deurposten van hun hart werd gestreken tot verzoening. Deze zielen bedriegen zichzelf voor de eeuwigheid, of hebben zich door anderen vreselijk laten bedriegen. Zij zoeken een weg tot zaligheid buiten de weg van Gods recht en gerechtigheid om. Hoe helder en nuchter sommigen in het aardse ook kunnen redeneren, hoe bedrieglijk ze zijn wanneer het om de eeuwige dingen gaat. Ze verdraaien de waarheid tot hun eigen verderf. Het liefst zouden ze sommigen hoofdstukken uit Gods Woord scheuren. God laat het toe dat ze Zijn Woord voor zichzelf en anderen verdraaien, want het is de meesten niet gegeven deze verborgenheden te verstaan (Mark. 4:11-12), maar een innerlijke vrede met God en een hemelse blijdschap die alle verstand te boven gaat kunnen zij niet maken of opwekken. Dat ontbrak er alleen nog aan, lezer. Waarom kunnen zij dat niet? Omdat de Nederlanders in de oorlog met Nazi Duitsland ook niet innerlijk innerlijk konden juichen toen zij overheerst werden. Er was geen enkele reden tot blijdschap. Er moest immers een sterke legermacht komen om Nazi Duitsland uit ons land te verdrijven, vergelijk Matth. 12:29. Zo ook geestelijk, lezer! Er moet een Sterke Vorst komen om Zijn vaten uit het huis van koning Satan te ontroven, Markus 3:27. Om dit te kunnen bewerkstelligen moet de oorzaak teniet worden gedaan waardoor die verkoren vaten in het huis en/of onder de heerschappij van satan terecht zijn gekomen. Die oorzaak was de erfzonden en de dadelijke zonden van de verkorenen Gods. God moest deze zonden naar Zijn streng en rechtvaardig oordeel straffen, anders zouden Zijn Goddelijke deugden geschonden worden. Ik zal het nog scherper stellen; indien God de zonden ongestraft zou laten zou God ophouden te bestaan. Want God kan naar Zijn heiligheid en rechtvaardigheid geen gemeenschap hebben met de zonden. Weet u wat rechtvaardigen betekent? Dat is vlak maken door een vereffening. Want zonder bloedstorting door het Lamme Gods is er geen vergeving, Hebr. 9:22. Ik wenste dat u dit eens ging verstaan, lezer. Indien u verlost bent, zou u uw verlossing beter gaan verstaan. Hoe weinigen van Gods volk hebben hun zinnen enigszins geoefend in de woorden der gerechtigheid, waardoor ze traag zijn om te verstaan de dingen die geschiedt zijn, Hebr. 5:12-14. En waardoor ze de hemelse vertroostingen vanuit het Woord Gods menigmaal moeten ontberen, Lukas 24:25.  

Ik wijd teveel uit, en moet nu terug naar m’n tekst. U moet heel goed beseffen dat de instelling van het pascha voorafgaat aan de viering van het pascha. Wat bedoel ik hiermee…?? Namelijk dit, alvorens het paaslam werd geslacht moest Israel dit lam enkele dagen in huis nemen. In dit lam kreeg Israel zijn weg tot verlossing te zien, maar daarmee was Israel nog niet verlost. Zie daar het geestelijk onderscheid tussen proeven en eten. Proeven doen we met onze tong, maar eten slikken we door tot het stillen van onze honger en tot gemeenschap. Want hetgeen gegeten wordt, wordt één met het lichaam. Met proeven op de tong kan een mens niet leven! Zo kan het zijn dat een ziel vanuit zijn geestelijke diensthuis een Weg heeft gezien tot zaligheid. Na een lange of korte periode van reformeren, ofwel van het bestaan opknappen voor God vanuit een verbroken werkverbond, drogen de tranen op en komt er een duisternis in het hart (= negende plaag). Sommige overtuigde zielen dachten alrede levend te zijn gemaakt. Ze redeneerden van: ‘heeft een dode dan ook last van zijn zonden, en heeft een dode dan ook verdriet en tranen vanwege zijn bedreven zonden tot God?’ Maar wanneer de tranen dan beginnen op te drogen….slaat spoedig de schrik om het hart. De ziel wordt gewaar dat zijn heimelijke bekering niet anders bestond als uit tranen, uit eigen goedbedoelde werken, en uit gebeden tot zelfbehoud. Het recht der wet is in hem/haar nog niet vervuld geworden. Hij heeft zijn klederen, maar (nog) niet zijn hart gescheurd. Het was een houdbare, maar nog geen onhoudbare nood geweest. Gij zijt vermoeid door uw grote reis, maar gij zegt niet: Het is buiten hoop; gij hebt het leven uwer hand gevonden, daarom wordt gij niet ziek, Jes. 57:10-15. Velen blijven hierin steken. Ze kenden wel enige gerichten (= plagen) Gods in hun leven, maar zijn nooit afgesneden van hun oude levenswortel. Ze zijn in de kindergeboorte blijven steken, omdat ze geen kracht hadden om te baren. Ze hebben niets dan lucht en wind gebaard! Hoe is dat met u, lezer? Maar er zijn ook zielen die eerlijk werden gemaakt voor God. Ze beseften dat God een heilige twist in hun diensthuis begonnen was, maar beseften dat de gerichten Gods over het diensthuis waarin ze woonden hen geen verlossing bracht. Deze gerichten maakten het leven steeds meer onleefbaar en onhoudbaar. Het is als een man die getrouwd is met een kijfachtige vrouw, die tenslotte verlangd naar een andere vrouw. Het is als een werknemer die werkt bij een baas waar hij geen enkel goed kan doen, die tenslotte uitkijkt naar een andere baas. Het is als een vrouw die getrouwd is met een man die haar niet anders afkeurt en veroordeeld, die tenslotte verlangd naar een andere man. Zo ook geestelijk, lees hier: Weet gij niet, broeders! (want ik spreek tot degenen, die de wet verstaan) dat de wet heerst over den mens, zo langen tijd als hij leeft? Want een vrouw, die onder den man staat, is aan den levenden man verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet des mans, Rom. 7:1-2. Doch eer het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring gesteld, en zijn besloten geweest tot op het geloof, dat geopenbaard zou worden. Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden, Gal. 3:23-24.

Maar wanneer deze overtuigde en ontgronde zondaar dan begint te zien dat het van en uit hem nooit meer zal kunnen, toont God hem een Weg tot verlossing waardoor hij nog wel zalig zou kunnen worden. Het zien van deze mogelijkheid kan zeer lieflijk en best vol zijn, maar is de verlossing nog niet. De ziel begint hier tot God te smeken: “O God, als ik dan nog zalig zou kunnen worden, wil Gij me tonen hoe, maar bovenal door Wie”, want nu heeft hij gehoord van die ene Naam onder de wolken tot zaligheid. Dan kan het weleens zijn dat zo’n ziel in de kerk zit, en wanneer er dan van Christus in Zijn lijdensgangen gepreekt wordt, over hoe Hij Zich liet geselen, over hoe Hij Zich liet bespotten en honen, Zich liet bespugen en liet slaan, Zich liet kronen met een kroon van doornen, Zich gewillig liet kruisigen, en dat voor vijanden die van Hem niet wilden weten en Hem nooit zochten. Dan kan de ziel weleens gevoerd worden met smeking en geween, dan kunnen ze hem wassen in zijn tranen. Dan komt hij wenend en biddend de kerk uit: “O God, geef me die Jezus…of ik sterf”. Maar dat is het nu net, lezer. Want deze ziel is nog niet gestorven, want er staat immers geschreven: “Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde, Rom. 6:7.” Gestorven waaraan dan? Namelijk aan de rechtvaardige eis van Gods heilige wet. Ik heb u enigszins geprobeerd voor te schilderen welk een liefdesuitgangen in de ziel er tot het Lamme Gods kunnen zijn, maar dat hij/zij toch tot het innerlijk besef moet komen zijn handen er niet omheen te kunnen slaan. Er is nog geen vrede en nog geen hemelse blijdschap, er is nog geen bloed gestreken over zijn geweten, Hebr. 9:14. Wanneer een ziel hierin loopt, dan weet hij dit niet. Dan is het maar wie je geestelijke onderwijzers zijn. Vele bakers zijn ophouders op de weg. Maar wanneer de ziel in het Goddelijk gericht daadwerkelijk één plant met Hem geworden is in Zijn kruisdood en opstanding, en hier enig licht over heeft mogen krijgen, dan pas gaat hij het geestelijk onderscheid tussen de instelling en de viering van het Pascha verstaan. Bij de instelling van het pascha toonde God hem een weg tot ontkoming van het verderf, maar bij de viering van het pascha, wanneer God het dodelijk verderf brengt over het diensthuis, wordt deze volgende getoonde inhoud een geestelijke doorleving: “En dat bloed zal ulieden tot een teken zijn aan de huizen, waarin gij zijt; wanneer Ik het bloed zie, zal Ik ulieden voorbij gaan; en er zal geen plaag onder ulieden ten verderve zijn, wanneer Ik Egypteland slaan zal. En deze dag zal ulieden wezen ter gedachtenis, en gij zult hem den HEERE tot een feest vieren; gij zult hem vieren onder uw geslachten tot een eeuwige inzetting, Exodus 12:13-14.”           

God doet Zijn verkorenen een aanzoek tot gemeenschap door het Lamme Gods, Zijn eniggeboren Zoon, om Hem in vrijheid te dienen. Door bloed en water wil Hij hen verlossen, en tot een God en Vader zijn. Mag u daarvan weten, lezer? Heeft God u weleens een vriendelijk aanzoek gedaan? Bent u hierdoor weleens werkzaam gemaakt? Daar vraagt iemand mij: wat moet ik dan doen opdat ik gemeenschap met God kan hebben door het geslachte Lamme Gods? U kan en moet niks doen, en toch heeft u geen innerlijke rust. Wacht totdat God tot u komt, dan komt de Vader in Zijn trekkende liefde tot u en eist door Zijn heilige wet Zijn beeld van gerechtigheid en heiligheid op, opdat u wordt ontdaan van uw jasje van eigengerechtigheid, van ongeloof, van ongerechtigheid, en van onheiligheid. In dit tiende gericht wordt u veroordeeld tot op het bot, en stelt God u schuldig aan het vergoten bloed van Zijn lieve Zoon, wordt u Adam voor God, wordt u ingewonnen door de trekkende liefde des Vaders om verloren te gaan als in een punt des tijds, en middels een hartverscheurend berouw sterft u in uw geweten de vervloekte kruisdood met Christus. En daar in die stonde van dat dodelijke gerecht, waar u het niet meer had verwacht, openbaart Hij Zichzelf door Zijn lieve Geest aan uw helwaardige ziel en spreekt Hij van vrede en zaligheid. Daar neemt Zijn Geest het, niet meer uit de veroordelende Wet, maar uit de Vervulde Wet, en begint u vanuit Zijn volbrachte werk te zegenen, te spijzen en te laven. Daar mag u het Pascha vieren onder een verbrijzelend liefde Gods in Christus die haast niet te dragen is. Daar bent u zichzelf even kwijt, daar bent u met Christus in de hemel, Hij in mij en ik in Hem. “Ik voor u daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven!”, wordt daar ingeleefd. Daar ligt de verloste zondaar te wenen aan zijn doorboorde voeten. Daar wordt de zondaar gewaar waarom Hij Zijn kleed moest uittrekken opdat hij met Zijn Kleed van gerechtigheid en heiligheid gekleed zou worden, 1 Kor. 1:30. Mag u hiervan weten, lezer? Sommigen vragen mij weleens hoe diep dit doorleefd moet worden. Zo diep dat u niet meer kon leven bij uw eerst man, zo diep dat u niet meer kon werken onder uw eerste baas! Trap en mate van de viering van het pascha kan verschillen, lezer. Maar in die onhoudbare nood van dat tiende gericht was dat Lamme God hen allen tot een Behouder ten eeuwige leven. Daarom mocht het bloed en de huid van het lam niet verbrand worden. Het bloed tot verzoening en de huid tot overkleding. Maar bedenk heel goed dat Israel het vlees van het lam niet rauw eten mocht. Hoevelen in onze dagen hebben het vlees van Christus niet rauw gegeten? Nee lezer, het vlees moest in het vuur zijn geweest en geen onbesnedene mocht eten van het geroosterde vlees van het paaslam, Exodus 12:44,48. Het ware geloof bestaat uit doding en levendmaking, gedood door de Geest der dienstbaarheid en levendgemaakt door de Geest der aanneming tot kinderen. Bedenk toch dat, de Pinksterlingen niet konden eten alvorens hun harten doorstoken / besneden waren (Kol. 2:11a), de tollenaar in de tempel niet gerechtvaardigd naar zijn huis af kon gaan aleer hij eerst als een onrechtvaardige voor God (in zijn geweten) verloren was gegaan. Nog een laatste opmerking. Doorleefd dan iedere verkorene Gods daadwerkelijk alle gerichten / plagen op een geestelijke wijze zoals deze in het boek Exodus zijn opgetekend? Daarin is God vrij, Hij heeft het opgetekend om te gedenken Hij Zijn aardse bondsvolk Israel uit hun banden wilde verlossen. Dit aardse Israel is een afschaduwing van het geestelijke Israel dat eenmaal zalig worden zal, vergaderd uit Jood en heiden. De toeleidende weg tot de gemeenschap met God in Christus kan verschillen, maar naar mijn bescheiden mening doorleven al de verkorenen Gods in de weg der ontdekking doorgaans wel het eerste en het tiende gericht, de één sterft de hongerdood en de ander de dood door het zwaard. Thomas Boston heeft deze tien plagen in zijn boek de Viervoudige Staat vertaald in de zgn. twaalf afkappingen, bij de twaalfde afkapping is de ziel afgesneden van de oude wortel (Adam onder een verbroken wet) en ingelijfd door het geloof in de Tweede Adam onder een vervulde wet. Maar ook hij besluit zijn betoog met deze woorden: “Door hetgeen hierboven gezegd is, heb ik waarlijk geen oogmerk om te pijnigen of tedere consciënties te benauwen; want hoewel er zulke (tedere consciënties) tegenwoordig meer zeer weinige zijn, nochtans God verhoede dat ik misdoen zou aan enigen van Christus kleinen! Maar, helaas, een doodslaap is op dit geslacht gevallen; zij willen niet worden wakker gemaakt, laten wij zo aan het leven komen als wij kunnen; en daarom vrees ik, dat er een ander soort van waakermaking op dit predicatie-verharde geslacht wacht, die de oren van hen die het horen, zullen doen klinken.”

Ik hoop niet dat u inwendig probeert te ziften met vragen zoals: ‘hoe ging het dan bijv. met Johannes de doper in de buik van zijn moeder?’ Want deze uitzonderingen op de regel zijn namelijk ook verlost door het verzoenende bloed van het Lamme Gods en het water des Geestes tot levensvernieuwing. Er zijn helaas ook maar weinige kinderen Gods die dit op een zakelijke en Bijbelse wijze kunnen verwoorden. Hoewel dit jammer is, is dit evenwel geen voorwaarde om zalig te kunnen worden. Gelukkig is er geen zaligheid voor mooipraters, anders was de hemel misschien wel te klein. Nee lezer, maar alleen zij worden zalig die in Hem geloofd hebben tot zaligheid. Het zij door een groot of klein geloof, hetzij door een sterk of zwak geloof. Hoe dieper de nood in de weg van ontdekking en afsnijding, hoe groter de uitkomst en het geloofd waardoor ze in Hem worden ingelijfd. Maar zij allen weten wel degelijk hoe hun levensader (= de Nijl) werd veranderd in bloed, en hoe God in de nacht van het pascha het dodelijk verderf (tiende gericht) over hun diensthuis der zonden kwam te brengen. Geen leed zal het ooit uit hun geheugen kunnen wissen hoe zij toen met opgeschorte lendenen en met schoenen aan hun voeten met haast uittogen in vrijheid. De tien plagen kunnen we ook projecteren op het leven, de prediking,  en het lijden en sterven van Christus. Hij werd geboren in de gouden eeuw van het farizeïsme. Door Zijn prediking werd de werkheiligheid van het farizeïsme, hun levensader (= de Nijl), veranderd in bloed. Zijn leven, Zijn spreken en Zijn lijden en sterven, was een ergernis voor hen die hun vrome rug nog enigszins recht wisten te houden. In Zijn prediking door middel van de gelijkenissen lag een verborgen boodschap: “Laat Mijn volk van hier uittrekken, opdat ze Mij dienen in vrijheid!” Maar wie merkte het op? Door Zijn prediking viel de geestelijke donder en hagelstenen uit de hemel in de harten van vele hoorders die hem volgden om de broden, waardoor ze Hem tenslotte verlieten. “Want, deze rede was hard…wie kon dezelve horen en nog langer verdragen…??” Door Zijn prediking kwamen de geestelijke sprinkhanen die alles opvraten van de akkers van eigengerechtigheid, waardoor de farizeeërs en Schriftgeleerden hem tenslotte zochten te doden. Zijn prediking had alleen waarde voor berooide uitgewerkte verloren zondaren, die niets meer hadden en niets meer waren. Voor mensen als Zacheus de verachte tollenaar en de uitgeworpen blindgeborene. Voor zielen die Hem verachten en minachten was Zijn prediking als een reuke des doods ten dode, zij zeiden met Pilatus: “Wat moet ik met Jezus doen?” Hij hield het pascha met Zijn discipelen…als een voorbereiding op de slachting die Hem te wachten stond. Doe dat tot Mijn gedachtenis! Voordat Hij de dood inging en Hij Zijn leven gewillig aflegde voor God was er een drie-urige duisternis op de kruisheuvel Golgotha, denk aan het negende gericht/plaag dat in Egypteland drie dagen duurde. Dan het tiende gericht, waaronder het Lamme Gods als zijnde een dienstknecht Zijn bestaan aflegde voor God. De zonen der dienstbaren mochten niet erven met de zonen der vrijen! Daarom stierf Hij in dienstbaarheid opdat Zijn aangenomen kinderen konden erven door Zijn opstanding. Want Hij was de Eerstgeboren Zoon des Vaders! Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden, 1 Petrus 1:3, Openb. 20:6. En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente, Hij, Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn, Kol. 1:18. God deed Hem sterven en de vervloekte kruisdood ingaan opdat Zijn aangenomen kinderen het leven in vrijheid zouden beërven. Toen Hij in gehoorzaamheid (zonder ene zonden gedaan te hebben) stierf onder de dodende letter der stenen wet, scheurde het voorhangsel van boven naar beneden. En waar dit verworven Heil nu in het uur der minne wordt toegepast aan een verkoren zondaar, daar scheurt de zondaar zijn hart voor God. Daar wordt de zondaar geestelijk in Zijn dood en opstanding gedoopt (Rom. 6:3-5), en heeft hij Christus aangedaan, Gal. 3:27. Dit is de geestelijke besnijdenis en inlijving door God den Heilige Geest, Kol. 2:11-14. Misschien verstaat u nu iets beter waarom geen onbesnedene mocht eten van het onschuldig geslachte paaslam, 2 Kor. 3:6-9. Zijn doding in het vlees ging vooraf aan Zijn opstanding uit de doden door de Geest, Rom. 8:11. Hoe schoon en hoe dierbaar heeft het Oude Testament van Hem geprofeteerd, lezer. Hoe is alles niet heerlijk vervuld geworden? Hoe heeft Zijn doop ook niet getuigt van hoe Hij Zijn leven af zou leggen onder de toorn en gramschap van Zijn hemelse Vader, en hoe Hij zou opstaan uit de doden door Zijn verworven Geest. Toen Hij opkwam uit het water ontving Hij de Heilige Geest, en toen Hij opvoer ten hemel ontvingen Zijn knechten Zijn verworven Pinkster-Geest. Bij Israels verlossing uit Egypteland ging het niet anders. De doding van het vlees (besnijdenis) ging vooraf aan het eten van het paaslam ten leve en behoudenis, waarna Israel metterdaad uittoog onder leiding van de wolkkolom des daags en de vuur des nachts. Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader! (Rom. 8:15)

Ik wil besluiten met een lieflijke nodiging tot het vlees en bloed van het Lamme Gods. Omdat ik niet weet wie God verkoren heeft, nodig ik u allen tot Zijn bloed dat reinigt van alle zonden, en tot het water des levens om niet. Voor wie is dit Lamme Gods dan gestorven en opgestaan? Voor radelozen die niet meer weten hoe ze zalig moeten worden. Voor zielen die omkomen en verdrinken in hun ongerechtigheden voor God. Voor zielen die zich niet meer drijvende kunnen houden met werkheiligheden en eigengerechtigheden. Voor zondaren die barsten van schuld en zonden, en niets meer hebben tot betaling voor God. Wie van Zijn bloed en van dat Water des levens heeft gedronken zal nooit meer dorsten tot in der eeuwigheid. O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk! (Jes. 55:1) Wat heeft het Lamme Gods een verdriet gehad om het hardnekkige Jeruzalem dat zich niet tot Hem wilde bekeren en leven. Jeruzalem, Jeruzalem, Ik heb u bijeen willen vergaderen gelijk een hen haar kuikens…maar gij heeft niet gewild. Het zal toch wat wezen wanneer ge, vanwege uw hardnekkigheid, en uw eigengerechtigheid en ongeloof, Zijn gestorte bloed als onrein zal hebben geacht en daarmee God voor een Leugenaar hebben gehouden. Dan zal God dit vergoten Bloed tot in alle eeuwigheid in uw verloren ziel opeisen door de vloek en donder van Zijn heilige wet. Maar wie dan slecht en enkel ongerechtigheid is, die kere zich herwaarts en kome tot Hem. Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen, Joh. 6:37. Waarom weegt u nog langer geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij, en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen. Want, tenzij dat gij het vlees des Zoons des mensen eet, en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in uzelven. Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. Want Mijn vlees is waarlijk Spijs, en Mijn bloed is waarlijk Drank. Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die blijft in Mij, en Ik in hem. Gelijkerwijs Mij de levende Vader gezonden heeft, en Ik leve door den Vader; alzo die Mij eet, dezelve zal leven door Mij, Joh. 6:54-57.” Amen

 

DJK