Heilige Doop

Posted by admin | | maandag 12 april 2010 1:31 pm

Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd!

DJK : De Heere zegt bij monde van de apostel Paulus in Rom. 2:26 dat de rechten der wet in de voorhuid werden bewaard. In Gods Woord is sprake van tweeërlei voorhuid, de voorhuid in het vlees en de geestelijke voorhuid van het hart van een zondaar. Middels de uitwendige besnijdenis werd bij de man, in zijn vlees waar vanuit hij vrucht kon voortbrengen, de vrouw kon alleen vrucht dragen, deze verbroken rechten doorsneden met het dodende stenen mes der gerechtigheid. Want uit u geen vrucht meer in der eeuwigheid, uw vrucht worde uit Mij gevonden! Middels dit ritueel werd de besnedene opgenomen in het verbond dat God met Abraham (en zijn nakomelingen) had gesloten, lees Genesis 17. De besnijdenis diende op de achtste dag na de geboorte te geschieden, medisch gezien was dit de dag dat het bloed en het vlees het snelst zou stollen en genezen, op deze achtste dag ontving het jongetje ook zijn naam. In de Heilige Schrift staat het getal 8 symbolisch voor een nieuw begin, vergelijk Lev. 9:1. Geestelijk gezien is dit wezenlijk niet anders, derhalve was het aardse bondsvolk Israel ook in dit opzicht een afschijnsel van het geestelijk verkoren Israel dat God vergaderd uit Jood en heiden. Hierom ging bij de beloofde Messias, Jezus Christus Gods Zoon, ofwel de Tweede Man, in plaats van Zijn verkoren bruidskerk bij de verwerving van Zijn Heil het dodende mes in Zijn vlees opdat haar zondige overtreding veroordeeld kon en zou worden in Zijn aangenomen vlees. Wanneer nu Zijn verkoren bruidskerk in het uur der minne met Hem wordt verenigd middels een zaligmakend geloof door een besnijdenis zonder handen geschiedt, vergelijk Joel 2:13, in Welken gij ook besneden zijt met een besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleses, door de besnijdenis van Christus; Zijnde met Hem begraven in den doop, in welken gij ook met Hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, Die Hem uit de doden opgewekt heeft, Kol. 2:11-14, Rom. 6:3-8, Gal. 2:19-22, Gal. 3:27, verliezen zij hun bestaan voor God en wordt hun oude verdorven vlees begraven in het geheiligde graf van Jezus Christus en staan zij door de geestelijke kracht van Zijn heerlijke opstanding met Hem op tot een nieuw geestelijk leven. Dan leven zij niet meer, maar Christus leeft in hen door Zijn verworven Geest, Gal. 2:20. Zoals de Heere Jezus stierf onder de vloek der wet en de schuld en last van de zonde, ja, de dood stierf aan de wet en de zonde, door de dood bevrijd zijnde van de vloek der wet en de straf der zonde, zo sterft de gelovige onder de vloek van de wet en de last van schuld en zonde in zijn geweten. Golds volk sterft in het uur der minne een geestelijke kruisdood, om vervolgens een langzame kruisdood te sterven tot aan hun sterfdag hier op aarde. Ik had onlangs een stichtelijke samenspraak met een dierbare vriend over Rom. 2:25-29. Sommige dingen uit deze teksten vond ik aanvankelijk nog best zwaar om te verstaan. Hetgeen hij me hierover schreef wilde ik graag met u delen: “Er is niemand rechtvaardig voor God; want wij zijn allen overtreders der wet; ook diegenen die het uiterlijk teken van de besnijdenis hebben ontvangen. De voorhuid bewaart de rechten der wet; namelijk het oordeel Gods over onze zonden. Echter, wanneer de voorhuid afgesneden wordt door de inplanting in Christus, Hij heeft namelijk het oordeel in de voorhuid volkomen weggedragen, dan is er geen wet en geen veroordeling meer. Halleluja!! Christus heeft ons vlees aangenomen, lees; onze voorhuid, en in dat vlees heeft Hij aan de rechten der wet volkomenlijk voldaan. De godsdienstige mens denkt dat hij zich kan beroepen op zijn besnijdenis of doop; maar ik zeg u dat Abraham is gerechtvaardigd in de voorhuid  als een goddeloze, en niet in de besnijdenis als een vrome. Het dodende stenen mes van Gods gerechtigheid moet erin.”  

Velen in onze dagen zijn vanuit een waangeloof helaas al levend gemaakt en met Jezus Christus opgestaan, echter zonder dat ze Hem zielsbevindelijk kennen als hun dierbare Borg en Zaligmaker, voordat ze een geestelijke kruisdood met Hem zijn gestorven. Dit is de vervloekte heersende valse wedergeboorteleer van onze dagen: van levendmaking door de wet / naar heiligmaking ofwel verbeteringen zonder levensvernieuwing en Gode aangenaam worden en geschikt zoeken te worden voor Gods genade / naar kruisdood / naar de rechtvaardiging (dit laatste maakt echter niet iedereen mee, maar je moet er wel naar staan en uitzien), die vanuit de rechtvaardigingsleer van Christus en Zijn apostelen op generlei wijze valt te verdedigen. Een zielsmisleidende leer met een schijn van godzaligheid waarin Gods heilige recht zeer listig en vernuftig wordt omzeild. Gods Woord leert het ons anders, namelijk dit: geestelijke ontwaking van het geweten ofwel de zonden worden door de wet levend gemaakt / geestelijke kruisdood ofwel verloren gaan voor God / wedergeboorte door geestelijke opstanding ofwel rechtvaardiging door het geloof / heiligmaking / heerlijkmaking. Maar in die stonde waar een zondaar daadwerkelijk als in ene stonde in een punt des tijds een geestelijke kruisdood met Christus sterft en met Hem mag opstaan tot een nieuw leven, daar stort de uitgestorte Pinkstergeest de liefde van Christus in het hart en neemt het uit Christus en verkondigt het Zijn verkoren bruidskerk tot zaligheid en vrede, Joh. 16:13-15. Op deze dag van hun geestelijke besnijdenis en opstanding zijn ze geestelijk ingelijfd in het genadeverbond van het geestelijke verkoren Israël en ontvangt de bruid van Christus ook haar nieuwe naam. Deze geestelijke besnijdenis gewerkt door de Heilige Geest uit zich in het hart van de verkoren zondaar middels een hartverscheurend berouw over de vele bedreven zonden, vanwege het schuldig staan jegens Gods heilige Wet en vanwege het ongeloof aangaande de oproep tot geloof en bekering vanuit de boodschap van het Heilig Evangelie waarmee God voor een Leugenaar werd gehouden. Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechten weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israel tot een Vader, en Efraim is Mijn eerstgeborene, Jer. 31:7-9. Vanaf deze geestelijke trouwdag dat het Heil in Christus hen is toegepast door de Heilige Geest is de bruidskerk gedoopt in de kruisdood en opstanding van Jezus Christus, wordt ze Zijn zalving deelachtig en gaat zij de naam (christen/christin) van haar Tweede Man dragen. Middels deze geloofsvereniging begint deze bruidskerk vruchten uit haar Zaligmaker te dragen. Zoals de Heere Jezus Christus bij Zijn doop door Johannes de doper Zijn heilig ambt ontving van Zijn Hemelse Vader, ontving Hij tevens de Heilige Geest in de gedaante van een duif nederdalende uit de hemel waardoor Hij middels Zijn ambt van Profeet, Priester en Koning veel vrucht droeg. Zijn bruidskerk heeft Zijn inwonende Geest met mate, de Heere Jezus zonder mate. Evenzo ontvangen de christenen, die in Zijn kruisdood en opstanding geestelijk gedoopt zijn geworden, het geestelijk ambt aller gelovigen van hun Hemelse Vader wanneer Hij Zijn liefde door de verworven Geest van Christus instort in hun harten. Want deze ingestorte liefde Christi is de vervulling der wet. Zo dan, mijn broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens Anderen, namelijk Desgenen, Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden, lees Rom. 7:4-6. Het oude leven onder de veroordelingen der wet is dan voorbij, doordat zij een kruisdood met Christus stierven heeft die eerste vloekende man zijn zeggenschap over haar verloren, in Hem en op grond van Zijn toegepaste (en toegerekende) volbrachte werk is het alles nieuw geworden.

Hierom werd Abraham en zijn mannelijke nakomelingen onder het oude verbond in het vlees besneden, en worden zijn gelovige nakomelingen in het nieuwe genadeverbond geestelijk in hun hart besneden, lees Rom. 4. Zijn geestelijke nakomelingen is de verkoren bruidskerk van Christus, bestaande uit gelovige mannen en vrouwen. Derhalve mochten alleen ware gelovige mannen en vrouwen gedoopt worden. Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt; en er werden op dien dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen. En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden, lees Hand. 2:41-42. Ik ben er stellig van overtuigd dat wanneer men op kerkelijk gebied deze materie dieper zou onderzoeken dan nu gebeurt, men zich ook veel meer bewust zou worden van de on-Bijbelse heersende leerdwalingen omtrent het leerstuk der wedergeboorte, en hoop hiermee op grond van Gods Woord kortelings te hebben aangetoond waarom de doop niet in de plaats van de besnijdenis is gekomen. Ik hoop en bid daarbij dat velen uit hun waangeloof zullen ontwaken aleer het voor eeuwig te laat zal zijn. Bedenk toch dat de geplante kerk uit de heidenen nooit de plaats van Israel heeft ingenomen. Helaas is de kinderdoopleer wel gegrondvest op deze vervangingsleer. De ondergang in het doopwater ziet op de doding en begrafenis van het zondige vlees (= besnijdenis) waaruit de mens Gode geen vruchten meer kan dragen, omdat de wet krachteloos is geworden door ons vlees waarmee wij gezondigd hebben, de opgang en verrijzenis uit het badwater van de doop ziet op levendmakende kracht van de beloofde Pinkstergeest. Dit is de Geest der Waarheid waarover Christus sprak in Joh. 16, en waarvan de apostel betuigt in Rom. 8:9, het is de Geest der aanneming tot kinderen, Rom. 8:15b, Gal. 4:6. In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte; Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregene verlossing, tot prijs Zijner heerlijkheid, Efeze 1:13-14. Lees onderaan verder.

 

Kant. 46 – verzegeld geworden

Deze wijze van spreken is genomen van de mensen, die tot versterking van enige beloften verzegelde brieven plegen te geven, en dat menigmaal met opdrukking van hun eigen wapen of beeld. De beloften van de vergeving onzer zonden, van onze aanneming tot kinderen en onze eeuwige erve, worden ons gedaan door het Evangelie, en worden door het geloof ons toegeëigend. De verzegeling des Geestes, die daarbij gevoegd wordt, is de wedergeboorte of vernieuwing van Gods beeld in ons, waarmede Hij onze zielen begaaft en daarop drukt, als wij in Christus geloven, om ons meer en meer te verzekeren van de uitvoering van zijne beloften, 2 Cor. 1:21,22, en 2 Cor. 3:18. En betuigt bovendien hetzelve aan ons gemoed, als met een Goddelijke inspraak, waarover wij ook God als onzen Vader durven aanroepen, Rom. 8:15; Gal. 4:6, en roemen op de hoop der heerlijkheid Gods; Rom. 5:2, en Rom. 8:38,39.

=========================================================

.

En alzo zij over weg reisden, kwamen zij aan een zeker water; en de kamerling zeide: Zie daar water; wat verhindert mij gedoopt te worden? En Filippus zeide: Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd. (Hand. 8:36-37)

. 

Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, welke den Heiligen Geest ontvangen hebben, gelijk als ook wij? (Hand. 10:47-48)

.

Want ook wij allen zijn door een Geest tot een lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen in een Geest gedrenkt. (1 Kor. 12:13)

. 

Zijnde met Hem begraven in den doop, in welken gij ook met Hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, Die Hem uit de doden opgewekt heeft. (Kol. 2:12-14)

Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. (2 Kor. 3:6-9)

Het oude is voorbij gegaan, ziet het is alles nieuw geworden. (2 Kor. 5:17)

Die wel gedood is in het vlees, maar levend gemaakt door den Geest. (1 Petrus 3:18-21)

Dit is een getrouw woord, want indien wij met Hem gestorven zijn, zo zullen wij ook met Hem leven. (2 Tim. 2:11) 

 

 

.

 

J.C. Philpot : Twee belangrijke brieven over Doop en Avondmaal

.

J.C. Philpot in een weerlegging : De doop is geestelijke ordinantie!

.

J.C. Philpot in een brief over de Heilige Doop aan de heer Isbell

.

J.C. Philpot in een predicatie over Romeinen 6 vers 5

.

John Kershaw over Hand. 10:47-48a  Over het bevel van de doop  &  mp3

.

John Bunyan over het sacrament en gebruik van de Heilige Doop

.

John Norcott over het recht Bijbels gebruik van de Heilige Doop

.

John Norcott : 22 tegenwerpingen tegen de geloofsdoop Bijbels weerlegd 

.

C.H. Spurgeon : weerlegging kinderdoopvisie Thomas Watson

.

C.H. Spurgeon : citaten over de Heilige Doop en Heilig Avondmaal

.

C.H. Spurgeon over Rom. 6 vers 3-4 : De doop een begrafenis

.

C.H. Spurgeon : kinderen tot Christus…en niet naar doopvont brengen

.

C.H. Spurgeon :  noodzakelijk dooponderzoek voor de doopbediening

.

C.H. Spurgeon over Marcus 16 vs 16  Wie gelooft zal hebben en gedoopt zal zijn

.

Mozes en het volk Israel en hun wonderlijke doortocht door de Rode Zee.pps

.

Schematisch overzicht van de geestelijke betekenis van de Heilige Doop.pps

.

DJK : Gij zijt niet meer onder de wet, maar onder de genade (schets)

.

Statenvertaling: vooringenomen foutieve vertaling, dopen met = dopen in water

.

Leerzame brief omtrent weigering kinderdoop binnen de Ger. Gemeenten

.

Eenmalige reactie/weerlegging artikel GPPB omtrent visie kinderdoop DJK

.

DJK : De uitwendige en geloofsdoop van Naäman de Syriër in de Jordaan

.

DJK : Verhandeling over de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan

.

DJK : De dienstbaarheid van Gods volk onder de eerste beginselen der wereld

.

DJK : briefje aan ds. W. Pieters over de doop    &   bijlage van ds. WP

.

DJK : lees, luister en download hier verder op deze website

.

Ds. KV in Ter Aar: theologische verklaring van Gal. 3:27   &   DJK commentaar

.  

Toespraak ds. KV op Balkanzendingsdag met uitspraken over de geloofsdoop

. 

Enkele opmerking M.G. Van der Hoeven aan DJK omtrent de kinderdoop

.

Via een inzendster : De betekenis van de Doop der gelovigen

.

J. Van de Gevel : Wat leert Gods Woord, geloofsdoop of zuigelingendoop?

.

Hollebrandse: Is er een Bijbelse grond voor de zuigelingendoop.pdf   

.

Gereformeerde doopleer in kaart gebracht :  “Terug naar Golgotha”   &  vervolg

.

——————————————————————————————

..

Doopformulier om zuigelingen te besprengen  &  Ontstaangeschiedenis   &  HHK

.

Calvijn doopte zuigelingen op grond van verondersteld toekomstig geloof.pdf

“….de kinderen worden gedoopt tot de toekomstige bekering en het toekomstige geloof; want ofschoon die nog niet in hen gevormd zijn, ligt toch het zaad van beide door de verborgen werking des Geestes reeds in de kinderen besloten. (Institutie, boek 4, hfst. 16, par. 20)”

 

———————————————————————————————————

 

William Huntington over de Heilige Doop

Huntingtons standpunt over de Doop was mild. Hij was een voorstander van de kinderdoop, maar wilde de baptisten niet veroordelen. Wanneer iemand in zijn gemeenten de volwassendoop of overdoop door onderdompeling begeerde, dan liet hij een baptistenpredikant komen. Velen onder de zogenaamde ‘strict baptisten’ in de 19e eeuw waren erg op Huntington gesteld. Zij stonden, evenals hij, kritisch tegenover de leer van Andrew Fuller en hadden vaak dezelfde visie over de wet als Huntington aanhing. Toch zocht deze geen contact met hen, omdat zij een strenge toelating hadden en niemand dan alleen baptisten aan hun Avondmaal duldden. Huntington voelde zich in dit opzicht meer aangesproken door John Bunyan, die met alle gelovigen, van welke kerk dan ook, aan de tafel des Heeren gemeenschap begeerde. Door verschillende is geprobeerde te bewijzen, dat Huntington in zijn hart baptistische gevoelens had. Wel had men hem bijna bewogen baptist te worden, maar uiteindelijk miste hij de vrijmoedigheid om zich opnieuw te laten dopen. Later wees hij op de nutteloosheid van de Doop als er geen sprake was van de doop met Gods Geest. “De doop met de Heilige Geest is onmisbaar tot zaligheid, maar het water daartoe is van geen betekenis. Als zou u iemand van Dover naar Calais door het water slepen, het zou hem niet baten.”

 

Citaat uit :  Van kolendrager tot predikant (blz. 194) –  L.J. Van Valen

 

 

——————————————————————————————————————————————— 

 

 

DOOR HETWELK DE DOOP BEDUID WORDT

„Gij, die naar Uw streng oordeel de ongelovige en onboetvaardige wereld met de zondvloed gestraft hebt en de gelovigen Noach met zijn achttal uit uw grote barmhartigheid behouden en bewaard; Gij, die de verstokten Farao met al zijn volk in het ronde meer verdronken hebt en Uw volk Israël droogvoets daardoor geleid, DOOR HETWELK DE DOOP BEDUID WORDT!”

 

JUSTINUS de Martelaar dan zegt bij de aanhaling van Jesaja 54: 9: „Jesaja leert ons dat de zondvloed van Noach de verlossing van het menselijk geslacht voorbeduid heeft. Gelijk Noach met de zijnen op het hout, dat op de wateren vlotte, behouden bleef, zo wordt de kerk door het water des doops en door het hout des kruises, terwijl zij aan Christus gelooft, behouden.”

 

En zo schrijft TERTULLIANUS

„Evenals, nadat de wateren van de zondvloed er geweest waren, door welke de goddeloosheid der oude wereld was weggewassen, (evenals) na zulk een doop, om zo te spreken, een duif, (eerst) een bode van Goddelijke gramschap (Gen. 8: 8, 9.) overal aan het aardrijk de vrede der wereld verkondigde, als zij losgelaten was uit de ark en met de olijftak terugkeerde, … zo snelt, volgens dezelfde bedeling der geestelijke werking, der aarde, dat is ons vlees, dat uit de doopvont weer boven komt (nadat de oude misdaden daarin verdronken zijn) de duif des Heiligen Geestes ons te hulp en brengt ons de vrede Gods aan, waartoe zij is uitgezonden van de hemel; terwijl de kerk door de ark beduid wordt. Maar de wereld is andermaal afgevallen, en in dit opzicht zou men de doop slechts met de zondvloed vergelijken, daarom is zij ten vure bestemd,”  „Hoeveel bewijsvoeringen zijn er dan niet in de natuur, hoeveel voorrechten der genade, hoeveel plechtige inrichtingen van orde en tucht, voorbeelden, leringen van overoude en machtige toeroepingen die de heiligheid des doops verordend hebben! Dat ik dit eerst aanvoere: toen het volk uit Egypte geheel vrijgekomen, aan de dwingelandij van de Egyptische koning door het water heen de doortocht gekregen hebbende, ontkwam, was het immers het water dat de koning zelf met al zijn benden verdronk. Bestaat er een beeld, meer duidelijk, dan hetgeen wij daarvan hebben in het sacrament des doops?”  

 

Nemen wij nu iets uit de 3” eeuw. Hier hebben wij ORIGENES.

Hij zegt op 1 Kor. 10: „De Apostel leert ons dat de doop in Mozes voltrokken is in de wolk en in de zee, opdat gij, die in Christus gedoopt wordt, met water en met de Geest, weten zou dat de Egyptenaren u op de hielen zijn, en dat de machten dezer wereld en de geestelijke boosheden u weer tot hun dienst willen terugbrengen. Maar u daalt in het water af en ontgaat zo veilig hun vervolging, en herboren komt u weer uit het water op, afgewassen van alle onreinheden der zonden, bereid om het nieuwe lied te zingen: De Egyptenaren die u vervolgen, worden verdronken in de diepte.”

 

En zo schrijft CYPRIANUS:

„Petrus …heeft het bepaald gezegd, dat in de ark van Noach weinige, dat is, acht mensenzielen behouden zijn door het water, ten blijke dat ook ulieden de doop behouden zal; immers bewijst en betuigt hij daarmede dat die een ark van Noach een voorbeeld geweest is van een Kerk. Even zomin als toenmaals in dien doop, ener van schuld afgewassen en gereinigde wereld, er één door het water kon zalig werden. die niet in Noachs ark was, even zomin kan er nu één levend gemaakt worden door de doop, zo hij niet in de kerk is, bij welke alleen het dopen staat.” En elders schrijft hij: „In de doop verliezen alle slechtigheden hare kracht. Zo heeft de koning Farao lang tegengeworsteld en hij volhardde in zijn trouweloosheid, (maar) hij kon slechts tot zover weerstaan en de bovenhand behouden, totdat hij aan het water kwam; daarheen gekomen, is hij overwonnen en verdronken. Dat die zee een zichtbaar waarteken is geweest van de doop, dat verklaart ons de zalige Apostel Paulus, als hij zegt: “Want ik wil niet, broeders”, enz. 1 Kor. 10.”

 

AMBROSIUS schrijft op Gen. 6: „Door middel van water en hout werd Noach met zijn gezin behouden; zo wordt de gemeente (het gezin) van Christus behouden door de doop en het kruis.” En: „In de Rode zee was een figuur van de doop. Was er zodanige kracht in het voorbeeld van de sacramenten, welke kracht is er dan in de vervulling van dezelve.”  „Gij ziet dat reeds toen in dien doortocht van de Hebreeën, er een voorbeeld van de Heiligen doop tevoren plaats had, in welken de Egyptenaar verdronk en de Hebreeër ontkwam.”  „De vuurkolom was Christus de Heere, de wolkkolom de Heilige Geest; in de zee was het volk, de wolkkolom volgde hen als een overschaduwing van de Heilige Geest. Gij ziet dan hoe hij door de Heilige Geest en door het water het beeld van de doop heeft aangewezen.”

 

GREGORIUS NAZIANZENUS: “De zee stond in verband met het water des doops, de wolk met de Heilige Geest.”

 

OPTATES MILEVITANUS: „Wat kan er meer voor ons wezen, dan hetgeen u aangevoerd hebt dat de zondvloed om een gelijke vorm daar te stellen met de doop, slechts eenmaal heeft plaats gehad.” En: „Gij maakt gewag van de zondvloed, deze was zeker, het is waar, een beeld van de doop, daar toch de gehele bezoedelde aarde, bij het verdronken worden van de zondaars, door tussenkomst van het waterbad, moest gereinigd worden om er uit te zien als van te voren.”  

De geleerde nu PIN tekent hier van zichzelf ook bij aan, dat door de zondvloed en de besnijdenis de doop beduid werd.

 

CYRILLES: „Wij zeggen dat dit alles de bij ons bestaande heilige verordeningen beduid heeft. Want ook wij, vóór wij tot het geloof aan Christus kwamen, hebben, in slavernij gehouden door de begeerlijkheden der boze geesten, een andere (ongeziene) Farao gediend, dat is, de satan, de aanstichter van al het kwaad. Maar de Middelaar Gods en der mensen, Christus Jezus, die Zichzelven tot een losprijs voor allen gegeven heeft, heeft ook ons vrijgemaakt. Hij heeft ook ons als door een zee heen geleid, door de verheffing van de golven van dit leven heen, dat heeft Hij volkomen daargesteld door de Heiligen doop. Hij zelf was de wolk daarboven en onzichtbaar, die aan degenen die Hem liefhebben levend water verschaft; dat levend water is de Geest,”

 

CYRILLES HIEROSOL. „Het begin der wereld is water; het begin van de Evangeliën de Jordaan (de doop van Johannes). De vrijheid van de dienst van Farao viel Israël te beurt door de zee, en de vrijheid van de dienst der zonden en der wereld wordt door het waterbad in het Woord van God ons toegebracht. Overal waar een verbond met sommigen gemaakt wordt is water, het verbond met Noach werd plechtig gesloten na de zondvloed.”  Uit de 5” eeuw hebben wij het getuigenis van AUGUSTINUS: „Beide (de zondvloed en de doortocht door de Rode zee) zijn een teken van de heilige doop, door hetwelk de gelovigen moeten doorgaan om in liet nieuwe leven te komen, terwijl hun zonden als zovele vijanden verdronken worden en sterven.”

 

Het moge u aangenaam zijn dat ik hier van CHRYSOSTOMES datgene aanhaal, wat de grote VALCKENAER in zijn Scholis in N.T. op 1 Kor. 10, als zo voortreffelijk de mening des Apostels weergevende, aanbeveelt: „Merk op de gelijkvormigheid van het beeld met de waarheid, en op de voorrang, dien de waarheid heeft boven het voorbeeld. Waarin ligt dan die gelijkvormigheid van het voorbeeld met de waarheid? Daarin, dat aldaar allen, en ook hier weer allen (samen genomen worden); aldaar gaan zij door het water; ook hier door het water heen; genen zijn van dienstbaarheid vrijgemaakt geworden, maar ook wij evenzo, alhoewel niet van gelijke dienstbaarheid; want genen kwamen vrij van de dienstbaarheid der Egyptenaren, wij van die der duivelen, genen van die der vreemde dwingelanden, wij van de dienstbaarheid der zonde.”

 

„De Apostel wil ons door deze dingen te verstaan geven dat, gelijk het genen niet gebaat heeft van zodanige gaven genot te hebben gehad, dat het zo ook aan dezen niets bijzet, dat zij zo gelukkig geweest zijn de doop te ontvangen en werkelijk deel te hebben aan de geestelijke geheimenissen (het avondmaal), indien zij niet willens waren om een der genade waardig levensgedrag aan de dag te leggen; daarom brengt de Apostel zowel dat bij, wat de doop als wat de geheimenissen (het avondmaal) beduid heeft”. 1)

 

Ik vat alles samen wat CHRYSOSTHOMUS op 1 Kor. 10 wil, als ik u zeg, dat hij leert: „dat doop en avondmaal voor de Christenen van geen nut waren, zo zij zich niet bekeerden, even zoals genen het niets nut is geweest, wat zij van Christus toenmaals ontvangen hadden. Want Hij, die toenmaals door de Rode zee geleid heeft, is dezelfde die thans de doop geeft; Hij, die genen het manna en water uit de rotsteen gegeven heeft, is geen andere als die thans bij het heilig avondmaal Zijn lichaam en bloed geeft. Want de natuurlijke rotssteen had genen toch het water niet gegeven, maar/een andere geestelijke rotssteen, dat is Christus, die bij hen was, en die overal en alleen al die wonderen deed.”

 

HIERONYMUS zegt op 1 Kor. 10: 1: „Dat niemand daarop alleen vertrouwen dat hij gedoopt is, of wane dat God hem, indien hij zondigt, verschonen zal omdat hij de geestelijke spijst en drank geniet.” Verder: „Zij zijn allen in Mozes gedoopt; in Mozes, die het voorbeeld van Christus in zich droeg; overigens geschiedden al deze dingen onder voorbeelden en schaduwtrekken”.

 

SEDUMUS: „Onder het geleide van Mozes zijn zij gereinigd geworden door zulke zichtbare tekenen.” — „Er wordt gezegd, dat zij gedoopt zijn omdat zij de vorm ontvingen van ons sacrament. Mozes beduidt hier Christus, de wolk de Heiligen Geest, de zee het doopwater.”

 

THEODORETUS: „De zee droeg het voorbeeld van de doopvont; van de Geest de wolk; van Christus de Zaligmaker, Mozes; van het kruis, deszelfs staf; en zo droeg Farao het beeld van de duivel; de Egyptenaren van de boze geesten; en het manna van het Goddelijk brood; het water uit de rotssteen van het zaligmakende bloed.”

 

Nog al duidelijk is het wat GENNADIUS zegt: „Dat genen onder de wolk waren, was een bekendmaking der genade van de Geest, en wat voor genen de doortocht door de Rode zee bewerkstelligde, te weten de volkomen verlossing van de vijanden en een voor de toekomst gewaarborgde vrijheid, dat is ons tegen onze vijanden de doop geworden.”

 

In de 6e eeuw hebben wij ISIDORUS. Deze maakt in zijn verklaring van Genesis 6 en 7 telkens toespeling op de doop. „Het geheel,” – zegt hij, bij de beschrijving van de ark, – „wordt tot één teruggeleid, want er is één God uit wie alle dingen zijn, en één geloof, één doop.” Verder op de woorden van Gen. 7: 10: „Nadien wij in de hoop op de toekomende rust, welke door de zevenden dag aangeduid wordt, gedoopt worden, zo is alle vlees, dat buiten de kerk was, in de zondvloed omgekomen; want buiten de kerk (de gemeenschap) strekt het water des doops, ja even datzelve, niet tot behoudenis, maar tot verderf.” En op Exodus 13 schrijft hij: „De Rode zee beduidt de doop die door het bloed van Christus geheiligd is.” En: „Wie is hier de Aanvoerder op de weg, zo niet Hij, die ook voor ons de Aanvoerder en de Weg is, Jezus Christus. de Zoon van God? Hij zelf namelijk is de vuurkolom, omdat Hij waarachtig God is; Hij zelf is evenzo de wolkkolom, omdat Hij waarachtig mens is. En waartoe is deze kolom ons voorgegaan? Is het niet om ons de weg aan te wijzen dat wij ontkomen aan Farao, de koning van Egypte, ik meen, aan de duivel, die de vorst dezer wereld is? Is het niet bovendien om ons de weg door de Rode zee te openen, dat is de genade eens doops, die rood is door Zijn bloed?”

 

THEODORUS, zo ik wel heb in de 7e eeuw, zegt op 1 Kor. 10: „(Paulus) noemt zowel spijs als drank een geestelijke, omdat de Geest beiden naar Zijn oneindige kracht door Mozes heeft laten toedienen.”

 

In de 8e eeuw hebben wij BEDA: „De vorm van de doop,” zegt hij, “is gelijk gemaakt aan dien van de ark en van de wateren van de zondvloed.”

 

ALCUINUS. Deze heeft zeer veel wat betrekking heeft tot de getallen der dagen, die wij in Genesis 6 en 7 aangetekend vinden, op de doop uitgelegd, wat hier minder afdoet.

 

Wij nemen daarom bij voorkeur JOHANNES DAMASCENUS, ter hand: „In den beginne zweefde de Geest Gods over de wateren; zo getuigt dan de Schrift, dat aan het water reeds vanouds de kracht om te zuiveren is bijgelegd. Ten tijde van Noach heeft God de zonde der wereld door water uitgedelgd.” „De eerste doop was de zondvloed, deze vond plaats om de zonde uit te wassen. De tweede doop was die, welke door de zee en door de wolk geschiedde, want de wolk is een waarteken van de Geest, gelijk de zee van het water. De derde doop was die, welke bij de wet was voorgeschreven, want al wie onrein was, wies zich met water en wies ook zijn klederen en keerde zo in het leger terug. De vierde doop is die van Johannes geweest, nadien hij hen, die zich dopen lieten, tot de bekering bracht, dat zij in Christus zouden geloven.” Hij heeft hier nog iets, dat ik er graag bijvoeg: „Christus heeft Zich laten dopen, niet omdat Hij de reiniging van node had, maar om mijn reinigmaking op Zich te nemen, maar om de kop der draken in de wateren te vertreden, om de zonde te overstelpen en de gehele oude Adam in het water te begraven.”  

 

Op 1 Kor. 10:1 zegt hij: „De Apostel wil het beeld naast de waarheid plaatsen; terwijl hij van het beeld spreekt, houdt hij er de zaak zelf en de woorden (der vervulde) waarheid hij, en zo is dan dit waterbad (de zee en de wolk) de heilige doop; wat er onmiddellijk op volgt (het water uit de rotssteen en het manna) is het heilige avondmaal.”

 

In de 9e eeuw hebben wij PROTIUS. Op 1 Kor. 10 zegt hij: „Het was de kracht van de geestelijke rotssteen, die het water der zee tot een rotsmuur maakte, die de hemel boven hen als een akker bouwde tot voeding en spijzing, en de rotssteen in water¬bronnen veranderde. En wie was dan die geestelijke Rotssteen? Immers Christus, die ook nu nog aan ons hetzelfde, ja nog meer doet.”

 

Laat ons nu overgaan tot de 12e eeuw. Hier hebben wij RUPERTUS. Zo schrijft hij op Exodus: „Wie is hier de overste leidsman op de weg, zo niet Hij, die ook voor ons de Leidsman en de weg zelf is, Jezus Christus, de Zoon van God? Hij zelf toch is de vuurkolom, omdat Hij waarachtig God is; Hij zelf is evenzo de wolkkolom, omdat Hij waarachtig mens is. En waartoe is deze kolom ons voorgegaan? Is het niet om ons de weg aan te wijzen, dat wij ontkomen aan Farao, de koning van Egypte, ik meen aan de duivel, die de overste dezer wereld is? Is het niet bovendien om ons door de Rode Zee de weg te banen, dat is, de genade eens doops, welke rood is door Zijn bloed?”

 

De fikse pennentrekken van ANSELMUS LAUDUNENSIS, uit het begin dier eeuw, in zijn Glossa interlinearis, tekenen hetzelfde aan, wat ik u nu reeds van velen heb medegedeeld.

 

Nemen wij nu nog een uit de 13de eeuw. THOMAS AQUINAS. Op 1 Cor, 10 schrijft hij hetzelfde wat wij van Sedulius en Damascenus vernamen: „Zij zijn gedoopt in de wolk en in de zee, dat is, door deze zichtbare tekenen zijn zij gereinigd geworden van hun onwetendheid, of van hun ondeugden, door het geloof, toen namelijk de Egyptenaren in het water ondergegaan waren. Zij zijn gedoopt, dat is, zij hebben het teken des doops ontvangen. Want de doop bestaat uit water en geest, (Joh. 3.) De wolk nu is een waarteken van de Geest, de zee van het water.”

 

Bron :  Historisch theologische gesprekken omtrent het doopformulier   H.F. Kohlbrugge 

 

————————————————————————————————————————————— 

 

DJK : Hoewel ik het standpunt van dr. H.F. Kohlbrugge omtrent de kinderdoop niet deel, lees bijv. ook deze preek van hem over Kol. 2:11-12, wilde ik u niet onthouden wat onze kerkvaders hebben opgemerkt omtrent de geestelijke betekenis van het sacrament van de heilige Doop. Toen keizer Karel V op de rijksdag te Augsburg aan de roomse geestelijken vroeg of zij iets konden inbrengen tot weerlegging van de Augsburgse Geloofsbelijdenis, destijds opgesteld door Maarten Luther en Philippus Melanchton, zeiden de roomse geestelijken: “Niet vanuit het Woord, wel vanuit de vaderen.” Waarop Karel V concluderend antwoordde: “Dan staan zij in de Waarheid, en wij erbuiten!” Dit is naar mijn bescheiden mening met de gereformeerden wezenlijk niet anders wanneer het de kinderdoop betreft, ….niet vanuit het Woord maar wel vanuit de traditie der vaderen. Het begint al bij Calvijn die voor wat betreft de kinderdoop nog tot aan zijn knieën in de roomse modder stond te redeneren: “….de kinderen worden gedoopt tot de toekomstige bekering en het toekomstige geloof; want ofschoon die nog niet in hen gevormd zijn, ligt toch het zaad van beide door de verborgen werking des Geestes reeds in de kinderen besloten”. Lees daarbij ook eens het dankgebed in het formulier dat gelezen wordt wanneer kinderen met water besprenkeld worden. De meesten klampen zich vast aan een verbondsmatige prediking waarin een verondersteld geloof geleerd en gepreekt wordt. Vergelijk dit eens met de veronderstelde geloofsleer van ds. G.H. Kersten, of met de veronderstelde wedergeboorteleer van A. Kuiper. Ten diepste wezenlijk niet anders. Lees hier wat ik daarmee bijvoorbeeld bedoel te zeggen. Verschrikkelijk! God heeft geen verbond met ongelovige verworpen zielen. Rome heeft zijn kerken destijds gebouwd o.a. vanuit gedoopte kinderen die hun veronderstelde geloof rondom hun 18e levensjaar zelf bevestigen voor God door het doen van de heilige commune. Hierdoor verkreeg men een kerkelijk recht tot het verbroken Lichaam van Christus. Dit is helaas nooit veranderd, en de reformatoren zijn daar helaas nooit van terug gekomen. Wat heeft ons dit gebracht? Duizenden onbekeerde ambtsdragers waardoor de dood in de kerken uiteindelijk over het leven is gaan heersen, tienduizenden onbekeerde Avondmaalgangers met een kerkelijk recht zonder een Goddelijk recht, en hevige buikkrampen en grote kopzorgen bij de nog enkele rechtzinnige dominees rondom de  bediening van het Heilig Avondmaal. Rome ten top gevoerd! Maar toch weigert men hiervan terug te komen, het roer wordt niet omgegooid! Toch meen ik dat er velen zijn die hieraan deelnemen met een beschuldigend geweten. Hoe ik het zie is, dat de ondergang in het doopwater ziet op de geestelijke besnijdenis, en de opgang uit het water ziet op de levendmaking door de Geest van Christus. Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren; alzo dat wij dienen in nieuwigheid des geestes, en niet in de oudheid der letter, (Rom. 7:6). In het diensthuis wordt het hart gescheurd door een hartverscheurend berouw over de bedreven zonden, het bloed wordt gestreken tot verzoening en het vlees gegeten tot vereniging, en de Geest van Christus tot inwoning ontvangen. Het bloed der verzoening en het water van de Geest tot vernieuwing. Daarna werd Israël uitgeleid in vrijheid, en door de wolkkolom voorgegaan richting het water van de Rode Zee. Bloed en water! De Rode Zee was de toegang en doorgang tot het manna eten in de woestijn, zo was bij Bunyan, Spurgeon en de Strict Baptists de Doop de toegang tot het HA. De tabernakeldienst kende dezelfde volgorde : In de voorhof het brandoffer waar het onschuldig bloed vloeide, daarna het koperen wasvat, deze waren de toegang tot het eten van de toonbroden in het Heilige. Hoewel J.C. Philpot geestelijk leven voor de rechtvaardigmaking leerde, was/is zijn kerkorde naar mijn bescheiden mening daarentegen de meeste Bijbelse waarin de Doop de toegang tot het Lichaam des Heeren (HA) is. “Want u komt de belofte toe en uw kinderen”, is waarheid geworden bij de gelovige kinderen van Stefanus en van de stokbewaarder. Dit is door de eeuwen heen telkens gebleken, God werkte als een rode draad dwars door de geslachten heen waarin hij Zijn volk had. Ik werd de laatste tijd bij het volgendemeerdere malen bepaald. Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden, Markus 16:16. Weet u waarom de kinderen van Stefanus de diaken gedoopt werden, 1 Kor. 1:16…?? Ten eerste niet omdat zij naar 1 Kor. 7:14 in hun vader geheiligd waren, maar temeer omdat de kinderen van een ouderling en/of een diaken, naar de verordening van de apostel Paulus in Titus 1 vers 6, gelovig dienden te zijn. Ten tweede, lezen we in 1 Kor. 16:15 dat de huisgenoten van Stefanus zichzelf de heiligen ten dienste hebben geschikt, waaruit bleek dat zij gelovigen waren.  In Hand. 16:14 zegt Paulus, dat Lydia een vrouw was die God vreesde, en dat zij gedoopt werd en haar huis. Hand. 16:40 zegt ons, dat deze huisgenoten broeders (in de Geest) waren, die door de apostel werden vertroost. Dat het geloof eerst komt en dan de doop, bleek ook bij de kinderen van de stokbewaarder. Hoewel de stokbewaarder geen ambt bekleedde, waren zijn kinderen toch ook eerst (met hun bekeerde vader) aan God gelovig geworden, door de prediking des Woords van Paulus en Silas, alvorens zij gedoopt werden. Lees Handelingen 16 vers 26-34. We lezen nergens in Gods Woord dat er ongelovige zielen gedoopt werden. Was het geloof dat beleden werd, dan allemaal waar geloof? Bij Simon de tovenaar bleek van niet, en misschien bij sommigen uit de gemeente van Korinthe ook niet. Daaruit blijkt dat de apostelen en hun helpers (die vaak doopten) ook geen hartenkenners en nierenproevers waren. Maar het gaat nu even om de Bijbelse volgorde, en dan blijkt met name vanuit het boek Handelingen der apostelen, dat eerst het Woord gepredikt werd, daarna dit Woord gelooft werd, de zielen de verzegeling van de Heilige Geest ontvingen (Efeze 1:13), en pas daarna gedoopt werden, en daarna volhardende waren in de brekingen des broods. Zo was eerst de geestelijke doop, en daarna de uitwendige doop, de toegang tot het verbroken Lichaam des Heeren. Bij het aardse Israel was dit wezenlijk niet anders. Verzoening door bloedstorting in het diensthuis van Egypteland, daarna de Rode Zee die al onze vaderen zien als de verzegeling van de Heilige Geest, en daarna het manna eten in de woestijn. Daarbij ziet in Gods Woord de doop telkens op het ontvangen en de verzegeling van Gods Heilige Geest. De Heilige Geest paarde Zich bij de doop van Christus aan Zijn drievoudige ambt, als zijnde het Voorwerp des geloofs, zo ook bij de onderwerpen des geloofs wanneer zij door de geestelijke doop het ambt aller gelovigen ontvangen en zij groot van God gaan spreken, en zij door inlijving vruchten gaan voortbrengen der bekering waardig. Denk in dit geval eens aan die geestelijke gedoopte Samaritaanse vrouw uit Johannes 4, die gedoopt werd met het levende Water, en daardoor ook meteen vruchtbaar werd voor anderen. Want, velen gingen tot Christus door haar geloofsgetuigenis. Geliefde lezer, hoewel het voor u misschien moeilijk te verteren is, meen ik op grond van Gods Woord van ganser harte dat de geloofsdoop vele malen beter te verdedigen is dan de zuigelingendoop. Ik drijf mijn standpunt niet, hoewel ik niet schroom mijn standpunt naar voren te brengen wanneer men dit van mij  verlangt. Ik veracht anderen ook niet wanneer zij hun kinderen vanuit de kerkelijke traditie toch laten dopen. Ik veroordeel dus wél deze roomse kerkelijke traditie, maar niet de personen die hiervan (meestentijds onwetend) misbruik maken. In mijn hart ben ik een gereformeerde baptist, hoewel ik mij geheel niet verbonden voel met de gereformeerde baptistenbewegingen in huidig kerkelijk Nederland. Ik deel wel hun Bijbelse opvattingen voor wat betreft het sacrament van de Heilige Doop, voor zovér die stroken en overeenkomen met de rechtvaardigingsleer der apostelen, maar deel niet hun bevindingen, deel niet hun manier van (s)preken, en deel niet de wijze waarop zij meestentijds hun kerkdiensten beleggen. Ik bemin de zuivere leer der apostelen, die wij allen helaas verkwanseld hebben. Soms vrees ik weleens dat er op kerkelijk terrein voor mij geen enkele plaats meer zal zijn, tenzij God er Zelf plaats voor zal gaan maken, middels een vernieuwde reformatie in het Israël van het westen, is mijn hartelijke wens en heilbede.