Het leven van Noach

Posted by admin | | vrijdag 24 oktober 2008 10:07 am

Artikel in pdf-formaat :   klik hier

 

 

Het eenzame en onbegrepen leven van Noach

 

 

Tekst – Genesis 6 : 3 & 13-14a

‘Toen zeide de HEERE: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mens, dewijl hij ook vlees is; doch zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren. Daarom zeide God tot Noach: Het einde van alle vlees is voor Mijn aangezicht gekomen; want de aarde is door hen vervuld met wrevel; en zie, Ik zal hen met de aarde verderven. Maak u een ark !!´

 

 

Schriftlezing : Genesis 6

En het geschiedde, als de mensen op den aardbodem begonnen te vermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden. Dat Gods zonen de dochteren der mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden. Toen zeide de HEERE: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mens, dewijl hij ook vlees is; doch zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren. In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochteren der mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name. En de HEERE zag, dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde, en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was. Toen berouwde het de HEERE, dat Hij den mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart. En de HEERE zeide: Ik zal den mens, die Ik geschapen heb, verdelgen van den aardbodem, van den mens tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels toe; want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. Maar Noach vond genade in de ogen des HEEREN. Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God. En Noach gewon drie zonen: Sem, Cham en Jafeth. Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht; en de aarde was vervuld met wrevel. Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde. Daarom zeide God tot Noach: Het einde van alle vlees is voor Mijn aangezicht gekomen; want de aarde is door hen vervuld met wrevel; en zie, Ik zal hen met de aarde verderven. Maak u een ark van goferhout; met kameren zult gij deze ark maken; en gij zult die bepekken van binnen en van buiten met pek. En aldus is het, dat gij haar maken zult: driehonderd ellen zij de lengte der ark, vijftig ellen haar breedte, en dertig ellen haar hoogte. Gij zult een venster aan de ark maken, en zult haar volmaken tot een elle van boven; en de deur der ark zult gij in haar zijde zetten; gij zult ze met onderste, tweede en derde verdiepingen maken. Want Ik, zie, Ik breng een watervloed over de aarde, om alle vlees, waarin een geest des levens is, van onder den hemel te verderven; al wat op de aarde is, zal den geest geven. Maar met u zal Ik Mijn verbond oprichten; en gij zult in de ark gaan, gij, en uw zonen, en uw huisvrouw, en de vrouwen uwer zonen met u. En gij zult van al wat leeft, van alle vlees, twee van elk, doen in de ark komen, om met u in het leven te behouden: mannetje en wijfje zullen zij zijn; Van het gevogelte naar zijn aard, en van het vee naar zijn aard, van al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard, twee van elk zullen tot u komen, om die in het leven te behouden. En gij, neem voor u van alle spijze, die gegeten wordt, en verzamel ze tot u, opdat zij u en hun tot spijze zij. En Noach deed het; naar al wat God hem geboden had, zo deed hij.

 

Geliefde lezer, met de hulpe des Heeren wensen wij met enkele gedachten over het eenzame en onbegrepen leven van Noach te overdenken. En in deze overdenking willen wij zes gedachten telkens in ogenschouw houden, namelijk : Noach de man Gods’

 

1.      Een godvrezend man

2.      Een gehoorzaam man

3.      Een eenzaam man

4.      Een onbegrepen man

5.      Een prediker der Gerechtigheid

6.      Een bouwer van de Ark der behoudenis

 

We verplaatsen ons in gedachten naar de tijd dat de eerst geschapen mensen zich begonnen te  vermenigvuldigden, naar het gebod van de Heere(Gen. 1:28). Kaïn, die na zijn omzwervingen in het land Nod was gaan wonen, trouwde tenslotte met een zuster van hem, want in Genesis 5 vers 4, staat geschreven dat Adam nog (vele) zonen en dochteren gewon. Vanwege dat God de mens had bevolen zich te vermenigvuldigen, en er toen nog geen verbod was op het trouwen met een broer of zuster(Leviticus18), moet Kain wel met een zuster of een nicht van hem zijn getrouwd, vanwege dat er (nog) geen andere geslachten op aarde leefden, dan alleen de nazaten van Adam en Eva. Als we hier aan moeten twijfelen, dan moeten we tevens aan het gehele scheppingswonder Gods’ ook gaan twijfelen, hetgeen wij in der eeuwigheid niet zouden wensen. Volgens de Joodse historicus Flavius Josephus, was ‘het aantal kinderen, zoals de oude traditie schrijft, 33 jongens en 23 meisjes. Waarop deze hypothese is gebaseerd weten we niet, maar in ieder geval staat er dat Adam bij Eva, zonen en dochteren won, en hij de zeer hoge leeftijd van 830 jaar bereikte. Laten we hierbij ook niet vergeten dat ook Abraham met een halfzuster van hem trouwde. (Gen.20:12)

 

Maar niet alleen de mensen hadden zich vermenigvuldigd, maar ook de zonden der mensen. Want in vers 11 en 12 lezen we : “Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht; en de aarde was vervuld met wrevel. Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.” De zonden en het kwaad der mensen waren opgeklommen voor het aangezicht des Heere. En dan lezen we meerdere malen, dat het den Heere HEERE berouwde den mens te hebben geschapen. “Toen berouwde het de HEERE, dat Hij den mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart.”(Gen. 6:6)

 

De kanttekenaren van de SV merken hier het volgende over op :

 

Dit is ook menselijker wijze van God gesproken, om ons te tonen dat God een groot mishagen aan den mens, uit oorzaak zijner boosheid, had. Verg. Jes. 63:10; zo wordt ook aan God droefheid toegeschreven, Ef. 4:30

 

Als we dan de verwijsteksten erop naslaan, dan geeft dit, naar de mens gesproken, duidelijk aan hoe zeer Gods’ Heilige Geest, bedroefd werd door Zijn zondig schepsel, middels het kwaad der zonden. We hoeven hiermede beslist niet te denken, dat God van eeuwigheid niet geweten zou hebben, wat er in de tijd van Zijn schepsel zou worden, noch wat er van Zijn maaksel was te wachten. Anders moesten we gaan twijfelen aan Gods’ alwetendheid. Dat zij ons verre!! Maar het geeft ons eigenlijk meer aan hoe heilig den Heere in Zijn Goddelijke wezen was en is, en dat Hij geen gemeenschap kan hebben met de gruwelen van de mensheid. Want Gode zijn Zijn wegen van eeuwigheid bekend, en bij het wezen Gods’ is slechts sprake van berouw om onze zwakke menselijke natuur enigszins te onderwijzen in de heilige deugden van Zijn goddelijke heilige Wezen. Het onderwijst ons een weinig van Zijn heilige goddelijke aard, welke geheel zonder enige zonde is, en tegelijk geeft het de zondige geaardheid van de gevallen zondige mens aan. God kon daarom ook zonder een weg van recht en gerechtigheid, geen gemeenschap meer hebben met Zijn zondige maaksel.(Gen.6 : 3)

 

Want bij God is geen sprake van berouw, zoals wij dit bij ons mensen kennen, noch is er bij Hem enige schaduw van omkering te herkennen. “Alle goede gave, en alle volmaakte gift is van boven, van den Vader der lichten afkomende, bij Welken geen verandering is, of schaduw van omkering.” (Jacobus 1 :17)

 

En, zo staat er verder geschreven, in Genesis 6 vers 7 :

“En de HEERE zeide: Ik zal den mens, die Ik geschapen heb, verdelgen van den aardbodem, van den mens tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels toe; want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb.”

 

God had dus bij Zichzelf besloten, de mens en verder al wat ademde, te verdelgen van de aardbodem, en boodschapte deze ontzaggelijke boodschap aan Noach. Ontzaggelijk, geliefden. Noach kreeg hiermede het oordeel van de gehele mensheid aan te horen. Daarnaast kreeg Noach de goddelijke opdracht zich een ark te bouwen. En als we letten op wat er geschreven staat in 2 Petrus 2 vers 5, dan mogen we hier ook uit opmaken dat Noach tevens een goddelijke roeping ontving om de mensheid zijn oordeel aan te zeggen. ‘Den prediker der gerechtigheid’, schrijft Petrus in zijn tweede zendbrief.

 

Deze godvrezende man, moest al bouwende aan zijn ark, dus het Woord Gods gaan prediken, maar wie heeft zijn prediking nu geloofd??(Jes.53:1) Wat zal deze man in eenzaamheid zijn onbegrepen paadje gelopen hebben. Vele mensen zullen gezien hebben, wat hij aan het bouwen was. Een ark der behoudenis, midden op het land waar geen plasje water noch enkel gevaar was of dreigde. En geliefde lezer, dan moet je dingen van God gezien en te horen hebben gekregen, die niet meer af te bidden zijn, en die anderen niet zien. Ik heb het weleens van Leen Potappel gelezen, een godvrezend man uit Zeeland die wel eens treffende uitspraken deed, zeggende : “dat een mens nooit tegen de oordelen Gods’ in moet/mag bidden, daar die mens anders God in alles tegen krijgt…” – deze uitspraak ben ik nimmermeer vergeten, en kwam weer bij me terug toen ik het eenzame en onbegrepen leven van Noach begon te overdenken. Wat zullen de mensen Noach bespot hebben, met het bouwen van zijn ark, en met de prediking van zijn woorden der Gerechtigheid. En wat zal deze man bij tijden verzonken zijn geweest met de aanvechtingen van het ongeloof. Want het leven des geloofs in Christus Jezus, is nooit zonder aanvechtingen, geliefde lezer. Wat kunnen we hier veel over lezen in de Psalmen Davids’, denk bijv. aan Psalm 35. Maar gelukkig behoefde Noach zichzelf niet op de been te houden, daar het geloof een gave Gods’ is. Neen geliefde lezer, het geloof van Noach, waarvan ook Paulus heeft getuigt in zijn zendbrief aan de Hebreen, lag eeuwig vast in God drie-enig. “Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren.”(Hebr.11:13)

 

De mensen zullen het hem spottend gezegd hebben : ”Noach, wat maak je jezelf toch druk man!! Er is toch nog meer in het leven, dan alleen maar een ark te bouwen??”

Anderen zullen hem hebben gezegd : “Maar Noach toch, als straks dat regenbuitje komt, zitten wij toch wel droog in ons zelfgemaakte huisje, hoor!!”

 

En weer anderen, die zijn rechtvaardige woorden toch nog ietsje serieuzer namen, zullen hem gezegd hebben : “Noach, je kunt ons het toch niet kwalijk nemen, dat wij geen acht slaan op jouw woorden. Wij hebben immers niet gezien, wat jij gezien hebt. Zo gij geloof hebt, hebt het bij uzelven, Noach!! Wij zullen op onze manier toch ook eenmaal wel aan dat regenbuitje van Gods’ toorn, waar jij telkens over spreekt,  denken te zullen kunnen ontkomen…”

 

Dat is toch om moedeloos van te worden, geliefden. Je zou toch bij de pakken neer gaan zitten, met zulk een hoorders. Wat is het toch iedere keer weer een ontzaggelijke waarheid, geliefde lezers, wanneer Christus ons predikt in het evangelie van Johannes 20 : 29b “zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben.” Christus predikt ons hier over het zaligmakende geloof in Hem, welke eigenlijk dezelfde prediking der gerechtigheid was, als de prediking die Noach, in de Naam van God, mocht prediken. Maar den mensen geloofden hem niet, is later gebleken. En toch konden de mensen die hem gehoord hebben, nooit meer zeggen dat ze ongewaarschuwd verloren zijn gegaan. Maar Noach had genade gevonden in de ogen van de Heere, en hierom sprak God tot Noach dat hij zich een ark moest maken. Weet u wat die woorden Gods’ : ‘maak u een ark’ geestelijk inhouden, geliefden lezer? Namelijk dit, dat er buiten de bewuste toegepaste kennis aan het volbrachte werk van Christus Jezus, geen enkele mogelijkheid tot behoud is, tegen de komende en dreigende toorn Gods’ over onze zonden. We laten tot bewijs van deze ontzaggelijke waarheid, enkele teksten volgen

 

“Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.”(Joh.3:36)

 

“En Jezus zeide tot hen: Ik ben het Brood des levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten.”(Joh.6:35)

 

“Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet.”(1 Joh.5:12)

 

Nu, over dat ‘vlieden van de komende toorn Gods’ en over ‘het maken van een Ark’ wilden we met de hulpe des Heeren, overeenkomstig het leven van Noach, enkele dingen schrijven. Ik ken een man, welke in zijn leven ook zeer eenzaam en onbegrepen was, net als Noach. Nu zou deze man, als je het eerlijk aan hem zou vragen, zichzelf in de verste verte, nooit durven vergelijken met die godzalige Noach. Maar ik grijp dit beeld maar even aan, vanwege dat er vele trekken uit hun beider leven overeen komen. Deze man had in zijn leven lang lopen dwalen en dolen in de zuivere uitleg van de leer van Jezus Christus en Zijn apostelen. Door een wonder van Gods’ voorzienigheid werd hij hieruit verlost, en mocht hij een weinig licht in de Schriften krijgen, die van Hem getuigden. Het was of de ogen van zijn geestelijk verstand werden verlicht en geopend. Ondanks dat het waar is en blijft, dat een ieder van Zijn volk er hier op aarde maar ten dele van zal kunnen stamelen, zal kunnen schrijven, en maar ten dele zal weten en kennen, zie 1 Korinthe 13 : 9. Deze man had door het wonder van soevereine genade om niet, kennis en deel gekregen aan het Bloed van Jezus Christus. Hij had geestelijk mogen eten van Zijn verbroken Lichaam, en door het geloof, geestelijk mogen drinken van Zijn reinigende verlossende Bloed, in en door een weg van recht en gerechtigheid. Toen deze man uit zijn dwalingen verlost werd, heeft hij enkele maanden lang zijn werk niet naar behoren kunnen doen. Hij was verbijsterd, over hetgeen hij te zien had gekregen. Het was of deze man met de mokerslagen der waarheid, geveld werd, en voor een tijd compleet uitgeschakeld was geworden. Jeremia heeft hier het volgende over gezegd : “Is Mijn woord niet alzo, als een vuur? spreekt de HEERE, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat?”(Jer.23:29). Wat heeft deze man geweend over de dwalingen waarin ook hij lange tijd verkeerde. En wat had deze man een verdriet over de huidige prediking des Woords, welke schier niet zuiver meer te horen was. De waarheid was weg, bijna geheel weg, en dit werd ook de schuld van deze man. Want ook hij had (onwetend) meegedaan, om deze dwalingen, waarmee zijn arm vaderland geslagen is geworden, staande te houden. Ontzaggelijk, lezer!! En verder zag bijna niemand, wat hij te zien had gekregen. En vanwege dat deze man het grote gevaar van die leerdwalingen begon in te zien, begon hij, net als Noach, een ieder in zijn naaste omgeving te waarschuwen voor de dreigende komende gevaren, vanwege dat hij z’n naaste medereizigers niet over had voor het eeuwige verderf. Maar het was of hij tot doven en tot blinden sprak. Slechts enkelen begrepen wat hij bedoelde te zeggen, en namen het van harte ter harte. Anderen begrepen wel wat hij bedoelde te zeggen, maar namen de woorden van die man niet ter harte. Evenmin als de mensen die de prediking van Noach hoorden, noch ter harte namen.

 

Maar wat was nu feitelijk de inhoud van de prediking van deze man, tot zijn kennissen en vrienden?? Verkondigde deze man dan een on-Bijbelse waarheid?? Was het dan een nieuwe leer, die hij onder de aandacht van velen probeerde te brengen. Welnee, geliefde lezers!! De waarheid die hij bracht was juist een Bijbelse waarheid zonder dwalingen, maar vanwege dat z’n kennissen en vrienden nog tot over hun oren in de dwalingen zaten, net als hij destijds, verstonden zij hem niet, noch namen ze zijn woorden ter harte. Nu roept iemand mij toe :”wel schrijver kunt u dan kortelings uit de doeken doen, waarin het woord van die man dan verschilde met dat van hen, die hem niet wilde horen, noch zijn woorden ter harte namen?” Dat zal ik proberen, geachte lezer, en dan wel aan de hand van de gelijkenis van ‘de verloren zoon’. Wel, nadat deze zoon zijn verkregen erfenis met de hoeren dezer wereld er door heen heeft gebracht, komt er een hongersnood, waardoor hij gebrek gaat lijden. En als deze zoon dan bij de varkens neder zit, en zijn buik wenst te vullen met dat zwijnenvoer, hetgeen hem niet wordt toegelaten, komt hij tenslotte tot zichzelven, met die woorden : “En tot zichzelven gekomen zijnde, zeide hij: Hoe vele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger! Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel, en voor u; En ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden; maak mij als een van uw huurlingen.”(Lukas 15:17-19)

 

En dan maakt deze zoon de gang naar zijn lieve vader, die na zijn vertrek, nog dagelijks op de uitkijk staat in de hoop zijn zoon ooit nog eens terug te zullen zien. In de prediking des Woords, wordt deze gang vaak uitgebeeld als de toeleidende weg naar Christus. De vluchtweg naar die ene Vrijstad, waar Numeri 35 ook over spreekt, hetgeen ook geheel Bijbels is. En als die zoon dan terug komt bij zijn lieve vader, en hem in de armen valt met die kostelijke belijdenis, wordt die zoon eerst ontkleedt van zijn eigen kleed en daarna omkleed met een ander nieuw Kleed, hetgeen ziet op het Kleed der Gerechtigheid van het volbrachte werk van Christus, hetwelk is het beste Kleed. Waarna die zoon tevens een ring omkrijgt, hetgeen ziet op de verzegeling van zijn kindschap bij zijn vader. En dan zegt zijn vader het tegen allen: “En brengt het gemeste kalf, en slacht het; en laat ons eten en vrolijk zijn. Want deze mijn zoon was dood, en is weder levend geworden; en hij was verloren, en is gevonden! En zij begonnen vrolijk te zijn.”(Lukas 15:23-24)

 

En nu ging het die man, waarover ik schrijf, om die bepaalde zinsnede :

Want deze mijn zoon was dood, en is weder levend geworden !!!

 

Hetgeen toch duidelijk ziet op : Sterven aan de Wet, en leven door het Evangelie!!

Wanneer ontving die zoon nu het leven Gods’ uit en door het geloof in Christus Jezus? En wanneer werd nu die zoon geestelijk ingelijfd, door het zaligmakende geloof, in het dierbaar Lichaam van Christus Jezus?? Want, dit was eigenlijk het kardinale punt waar het uiteindelijk allemaal om ging!!!

 

Ontving die zoon nu geestelijk het leven, op het moment dat hij tot zichzelven kwam, of op die toeleidende weg tot zijn vader, of op het moment dat hij werd ontkleed van zijn oude vieze eigen kleed en omkleed werd met dat beste Kleed??? Als we nu even mogen letten op de woorden van de apostel Paulus in zijn brief aan de Romeinen, met name het zesde hoofdstuk vers 7 en 8 :

Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde. Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven;”

 

Want wij dienen toch altijd Gods’ Woord met Gods’ Woord te verklaren!!! Dan luidt weer de vraag aan hen, die deze eenzame man niet willen geloven :’Wanneer stierf nu die zoon de geestelijke kruisdood met Christus, waar Paulus vele malen over schrijft in zijn brief aan de Romeinen en de Galaten??’ Stierf die zoon nu die geestelijke kruisdood met Christus, op het moment dat hij tot zichzelve kwam, of op die toeleidende weg tot zijn vader, of op het moment dat hij werd ontkleed van zijn oude vieze eigen kleed en omkleed werd met dat beste Kleed??? Eigenlijk behoeven we geen antwoord meer te geven, want Gods’ Woord spreekt hier duidelijk genoeg over. Paulus schrijft hier over in Galaten 2 : 19-20 het volgende : “Want ik ben  door de wet  der wet gestorven, opdat ik Gode leven zou. Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch  niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.”

 

Kijk geliefde lezer, wanneer we nu gaan stellen, zoals zovelen in onze dagen, dat deze zoon het leven Gods’ in Christus al had ontvangen, op het moment dat hij tot zichzelven kwam of toen hij nog wandelde op die toeleidende weg naar zijn vader, dan spreekt Gods’ Woord ons hierin tegen. Want Paulus zegt : “Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde. Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven;” En was die zoon op nu al gerechtvaardigd van zijn zonden, middels de omkleding van dat nieuwe beste Kleed, op het moment dat hij tot zichzelven kwam toen hij daar zat bij die varkens, of toen hij nog wandelde op die toeleidende weg naar zijn vader. Immers neen, toch?? Dan houd dit toch ook in, dat hij daar ook geestelijk de kruisdood met Christus nog niet was gestorven, en daar dus nog voor eigen rekening wandelde, nog geestelijk verkerende in het diensthuis der zonden, zonder enig geestelijk leven uit Christus aan zijn ziel te hebben??!! ‘Ja maar schrijver’, merkt iemand mij op, ‘toch ken ik mensen die een geestelijk (gebeds-)leven tot God gekend hebben, alvorens zij met God in Christus, op grond van zijn zoen- en kruisverdienste, gerechtvaardigd en geborgen waren in Zijn Bloed’. Ja natuurlijk, lezer!! Elk kind van God heeft daar kennis aan, want het gaat daar namelijk nooit buiten om. Denk aan christen uit Bunyans’ Christenreis. Deze man kreeg door Gods’ wraakoefende heilige Wet zijn schuld thuis, en opgebonden. Waarmee hem de rust in stad Verderf was opgezegd. En met dat pak op zijn rug, valt christen gedurig op zijn knieën voor God, en leest hij gedurig in dat Boek. Dat heilige Boek, wat slechten wijsheid leert…(Psalm 19:8) Christen krijgt zelf onderwijs op die weg tot dat Kruis, en heenwijzers, die hem vertellen waar het nog moet komen. En John Bunyan schrijft hier zelf over, in één van zijn geschriften, dat als christen, en hiermee doelde Bunyan destijds op zichzelf, was gestorven op het gelopen pad vóór dat Kruis, dan was het voor eeuwig een verloren zaak voor christen geweest. ‘Ja maar schrijver’, merkt iemand weer op, ‘als Gods’Geest een ziel gaat bearbeiden tot zaligheid, middels Zijn verdoemende, vloekende en dodende heilige WET, dan ligt het aan Gods’ kant toch wel al goed met die zondaar?’ Ik zeg, en roep u luidkeels : NEE !!! Het is zeker waar dat een verkoren ziel nooit meer verloren kan gaan, maar ik wil u tot onderwijs een paar dingen meegeven, tot een weinig overdenking:

 

1.      U kan en mag nooit rekenen met wat God van eeuwigheid besloten heeft. Een zondaar bij wie de rust is opgezegd, kan hier nimmer mee rekenen, noch vertroost mee worden. De enige troost ligt namelijk in het Bloed van Christus, en dien gekruist!! Maar tegenwoordig is men veelal getroost en uitgeholpen wanneer men een weinig zijn zonden gezien heeft en heeft leren bewenen voor God.

 

2.      Zolang die ontwaakte ziel nog niet geborgen is in het Bloed van Chrisus, ligt deze ziel nog dood en verdoemelijk voor God in zijn geboortebloed, en heeft die zondaar nog immer die bloedwreker op zijn hielen, want ik schreef u al eerder, het Recht moet zijn loop nog hebben. Het goddelijke Recht komt altijd voor de Liefde, ondanks dat die ontwaakte ziel al door die gesmaakte trekkende en lokkende liefde Gods’, menigmaal heeft mogen wenen in gebed aan en voor Zijn genadetroon. Die algemene liefde Gods’, welke de Liefde Gods’in Christus (nog) niet is, geeft die ziel menigmaal een betrekking tot die (nog) onbekende God in de Hemel.

 

3.      Gods’ barmhartigheid zegt : “Ik wil de zondaar, en zoek gemeenschap in Christus met die zondaar”, maar Gods’ rechtvaardigheid zegt : “Er dient eerst betaald te worden aan Mijn Goddelijke heilige geschonden Wet en Recht, dewelke in Adam is geschonden. Hier over onderwijst ons de HC-onderwijzer in zondag 4 vraag 11. En lees dan vraag 12 – 13 – 14 – 15 nog eens erbij. Kijk, hier wordt zeer duidelijk gesproken over Gods’ heilig recht.

 

4.      En als een ontwaakte zondaar met deze zaken van doen krijgt, dan ziet hij geen Jezus, maar slechts een openstaande schuld die om wraak schreeuwt van het heilig Opperwezen. Zijn heilig Goddelijk recht moet voldaan worden. En van dat heilige recht is nu Zijn heilige volmaakte WET een afspiegeling. Want in een gericht wordt altijd recht gesproken naar de wetten van een land. In dat geval van dat hemelse Land, waar God den Heere den Bouwmeester van is.

 

5.      De ontwaakte ziel van die (nog steeds) voor God verdoemelijke en vervloekte zondaar, ziet slechts : ‘Sterven is God ontmoeten, en dat zal nooit gaan en kunnen…!! En na een weg van zichzelf een weinig proberen op te knappen, gaat de zondaar zien en leren, “uit en van u, geen vrucht meer in der eeuwigheid” – en vraagt zichzelf dan gedurig voor God af, in zijn binnenkamer : “Is er dan nog een Weg, tot ontkoming van die eeuwige dreigende vloek en toorn over mijn zonden…??(H.C. Zondag 5)

 

6.      En dan krijgt de ziel, op Gods’ bevel een heenwijzing naar Hem, in en door Wie het nu nog wel mogelijk is…(H.C. zondag 6) – maar hier is de ontwaakte zondaar nog immer getrouwd met haar eerste man, de WET in Adam, en ligt hiermede ook nog immer dood, naakt, vervloekt en verdoemelijk voor God. Want er heeft in het hart van die zondaar nog steeds geen voldoening plaatsgevonden krachtens toepassing, aangaande dat heilige eisende verdoemende recht Gods’.

 

7.      En dan… ?? Dan gaat God de Vader, op Zijn bestemde tijd en Wijze, de ontwaakte zondaar trekken en lokken tot Zijn heilig Goddelijke recht, middels Zijn trekkende liefdekoorden die uitgaan van dat recht. En hier staat de zondaar in zichzelf, geheel zwart van zonde voor Gods’ aangezicht, voelende de eis van dat recht drukken op zijn gemoed en consciëntie, en wordt inwendig gewaar niets meer te hebben tot voldoening en betaling van dat heilige Recht. De Wet vervloekt, verdoemt, en doodt dan de zondaar, waarna de zondaar als in een punt des tijds verloren gaat door dat recht, en vervolgens behouden wordt middels de tussentreding van Christus en dien gekruist. Deze tussentreding geschiedt middels de beloften van het heilig gepredikt of gelezen Evangelie, hetwelk dan Gods’ Geest gaat toepassen tot heil, vrede, redding en verlossing aan het hart/ziel van de ontwaakte zondaar. Nu pas is de zondaar in en uit Christus gerechtvaardigd, waarna de ziel direct het zaligmakende geloof in Hem krijgt ingestort middels de Liefde Gods’ die uitgaat van Goddrie-enig. En door dit geloof wordt de ziel ingelijfd in het verbroken Lichaam van Christus, hetgeen de ziel wederbaart tot een vernieuwd Leven uit Hem, hetwelk is genoemd : “De wedergeboorte”. Dit nu alles is het zo vaak genoemde “sterven aan Gods’ heilige Wet, en Gode in Christus leven middels de beloften des Evangeliums.” AMEN

 

 

Kijk, en hoevelen voelen hier die ontzaggelijke waarheid nu niet van, maar willen er niet onder buigen, noch geestelijk bankroet mee gaan. Waarom toch?? Ik zal het u zeggen, geliefde lezer. Men wenst tegenwoordig geestelijk niet meer ontkleed te worden, noch met al het hunner overboord te gaan met Jona de profeet, om daar te vallen in de golven van Gods’ toorn over hun zonden. Maar men wenst tegenwoordig liever opgebouwd te worden met vermeende gekregen algemene genadekenmerken, dewelke wel uit de Geest kunnen zijn, maar welke niet uit Christus genomen zijn. En zo wordt telkens, in het spreken onder elkaar, of in de prediking, Gods’ heilig recht gebogen, omzeild en verkracht, geliefde lezer. En toch zou die onbegrepen eenzame man, zijn vrienden en kennissen niets anders liever toewensen, om toch eens met alles overboord te gaan, want achter dat geestelijke verlies, ligt namelijk die eeuwige Winst in Christus Jezus, die Vis, welke Jona’s redder was in die golven. Want daarover staat geschreven : “die zijn leven zoekt te behouden, die zal het verliezen, maar die zijn leven zal verliezen, om Mijnentwil, die zal hetzelve behouden.”  ‘Schrijver’, merkt iemand op, ‘hoe weet u dit toch allemaal van die eenzame man?’ Wel geliefde lezer, ik heb die eenzame man een beetje van naderbij leren kennen. Maar wat is toch die mens toch bevreesd om al zijn vermeende gekregen geestelijke goederen te verliezen, hetgeen geen enkele waarde heeft voor die nimmereindigende eeuwigheid!! Wat vreest toch die mens, waar hij nimmer bevreesd voor behoeft te zijn. En wat kan die mens toch liever vandaag verlost zijn van al zijn zgn. vrome geestelijke goederen, dan morgen. Maar die mens ziet het maar niet, en blijft daarom maar roeren in dat dode stinkende levenloze water, hetgeen voortkomt uit de bron van zijn eigen verdorven goddeloze bestaan voor God. En dit is eigenlijk meteen ook de reden waarom destijds de prediking van Noach, noch nu de woorden van die onbegrepen eenzame man, niet werd geloofd, geliefden.

 

En daarom geliefde lezer, het moet ons van God in Christus geopenbaard worden. Christus roept die blindgeborene op tot het geloof in Hem, met die woorden : “Gelooft gij in de Zoon van God?” — waarop die blindgeborene Hem antwoordt, zeggende : ”Heere, wie is Hij, opdat ik in Hem gelove…” – Ja geliefden, dat is toch wat. En Hij stond vlak voor hem!? Wat is toch die mens geestelijk blind, en eigenlijk een vijand van zijn eigen zaligheid. Maar ook zelfs na ontvangen genade moet Hij Zijn volk gedurig weer bij vernieuwing worden geopenbaard. Denk bijv. aan Maria Magdalena, wenende bij het graf van Jezus. “Ze hebben mijn Meester weggenomen”, zegt zij tegen Hem, “zeg mij waar Gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen” – en ook hier stond Hij voor die lieve wenende Maria, geliefden. Ook hier moest Hij Zich bij vernieuwing weer openbaren aan haar arme ziel, haar noemende bij haar naam, zeggende : “Maria…” – Kijk, en dan herkent ze Hem direct aan Zijn stem en spreken, en weent zij het voor Hem uit, zeggende : “Rabouni”, welk is gezegd, “lieve Meester”.

 

Denk ook aan die broers van Jozef. Welk prachtig geestelijk beeld van het recht Gods’ des Vaders, ligt hier niet in. Die behouder des levens, Safnath Pahaneah, stond ook voor hen, maar zij kenden hem niet en zagen hem niet. Waarom niet? Wel er was nog geen plaats voor en de tijd was nog niet rijp genoeg. Ook Jozef stond voor hen, maar waarom kon Jozef zich nu nog niet aan zijn broederen openbaren.

 

Wel geliefden, zij stonden (nog) niet schuldig aan zijn bloed!!

Zij waren immers toch vrome broeders…En dan moest Jozef zich voor een tijdje van voor hun aangezichten verbergen, want het recht had zijn loop nog niet gehad. Het moest in het leven van zijn broederen nog passeren, geliefden. Want ook bij God, komt het recht altijd voor de liefde, lezers. Maar Jozef moest zich verbergen voor hun aangezichten, om te wenen vanwege de liefde die hij koesterde in zijn hart jegens zijn broeders, maar kon zich nog niet openbaren aan hen vanwege dat zijn vrome broeders ook niet met hun verrotte misdaden en vrome werken overboord wensten te gaan. Hier moet u geestelijk eens proberen een poosje bij stil te staan, geliefde lezer. Want nu de vraag aan u en mij geliefde lezer, heeft u al schuldig gestaan aan het onschuldig vergoten bloed van Christus Jezus?? Heeft u al schuldig gestaan aan zijn wonden, lezer, hetgeen u een evangelische droefheid in uw gemoed gaf voor God, waarmee ge u weg wilde wenen voor Hem? Kijk, en aan zulk een droefheid en benauwdheid, waar ook Psalm 116 van spreekt, ligt nu altijd een openbaring Gods’ in Christus aan verbonden, tot een verlossing van uw arme verloren goddeloze ziel voor God. En aan dit wenen zit immer een onberouwelijke bekering tot de zaligheid verbonden. En over dit evangelische wenen staat nu in Mattheus 5 geschreven : “Zalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden” – Vertroost worden, waarmee geliefden? Wel, met de dierbare beloften des Evangeliums, en met het dierbare toegepaste hartebloed van Jezus Christus, waarin zij van hun drek en zonden worden gewassen tot reine maagden, en zij eeuwig en zeer liefelijk in Zijn liefdesarmen mogen vallen, om daar op dat lieve plekje voor God, dronken te worden gekust, waar ook Salomo in zijn Hooglied ons over schrijft, zeggende : “Hij kusse mij, met de kussingen Zijns monds”   “Mijn Liefste is rood, en blank, en draagt de banier boven tienduizenden…”

 

Of wenst gij u nog op de been te houden voor God, met al uw vermeende gekregen verrotte goddeloze rijkejongelingsgoederen, een traantje hier en een dierbaar versje daar, een lief gebedje ginder en een toeknikje daar, hetgeen gij misschien ook nog aanziet als de dag der kleine dingen, en met welke gij u een Ark der Behoudenis zoekt aan te meten, die beslist geen stand zal houden tegen de toekomende toorn Gods’ over uw vele zonden, geliefde lezer. Ontzaggelijk!!! Geliefde lezer, op de weg naar Jezus gaat het beslist nooit buiten deze voornoemde zaken, maar als het nooit verder in uw leven komt als dat, werpt het dan maar voor de mollen en de vledermuizen, want goed doet ons geen enkel nut ten dage van Gods’ verbolgenheid, maar alleen de Gerechtigheid en het Bloed van Christus Jezus redt u van de eeuwige dood en verdoemenis. Dan hebt u werkelijk te vrezen dat het enkel maar gemene werkingen des Geestes zijn geweest, geliefden. Wat dan mede gelijk ook inhoud dat ge nog immer dood en verdoemelijk voor God bent, verkerende in uw diensthuis van zonde en ongerechtigheden.

 

En nu het punt, geliefden, wat die eenzame man zo in zijn leven bij zijn vrienden en kennissen heeft gezien : ”Er is zo weinig haast bij… !!” Haast en spoedt u dan, om uws levens’ wil. Wat wordt dit toch door zeer weinigen werkelijk in waarheid betracht. En wat zijn er toch ook weinigen die de gepredikte waarheden met Gods’ Woord onderzoeken, zoals de Bereers destijds mochten doen, aangaande de prediking van Paulus die toch meest in het bijzonder tot hen was gericht. Wat een lauwheid toch van rondom. “Zo dan, omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen.” – zegt Christus ons bij monde van de apostel Johannes op Patmos. En toch waren er ook, die deze eenzame man naar zijn woord en uitleg gelijk gaven, maar deze zaken nooit ter harte namen, want hun werken waren niet overeenkomstig, geliefden. Want, wat zou er dan toch een geestelijk haasten en een geestelijk spoeden moeten bemerkt worden, om ons leven wil, geliefde lezer. Wat zou een mens dan niet met vele onopgeloste geestelijke vragen over de aarde gaan, zich afvragende :”Zou ik mezelf dan toch voor God bedrogen hebben?” — “Zou ik dan toch wel eens onwaardiglijk van Zijn verbroken Lichaam hebben gegeten, en me hiermede een oordeel hebben gegeten?” Zo’n mens zou toch geen rust meer moeten en kunnen hebben, noch naar zijn bedje durven gaan, al eer deze zaken voor hem opgelost waren??  Maar neen, geliefden. Helaas zeer weinig van dat al!! Het is al lauwheid wat de post schaft. Soms dacht die man wel eens, dat al deze dingen wel eens oordeel in onze tijd konden zijn.  “Geslagen met een dwaling, die zij zullen geloven!!” (2 Thess. 2:11)

 

Het deed deze eenzame man denken aan die gelijkenis van Christus uit Mattheus 21 :

“Maar wat dunkt u? Een mens had twee zonen, en gaande tot den eersten, zeide: Zoon! ga heen, werk heden in mijn wijngaard. Doch hij antwoordde en zeide: Ik wil niet; en daarna berouw hebbende, ging hij heen. En gaande tot den tweeden, zeide desgelijks, en deze antwoordde en zeide: Ik ga, heer! en hij ging niet. Wie van deze twee heeft den wil des vaders gedaan? Zij zeiden tot Hem: De eerste. Jezus zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk Gods.”(Matth.21:28-31)

 

Leest u geliefde lezer, er zijn hoorders van de waarheid, maar ook daders. En hier schrijft de apostel Jacobus in zijn zendbrief over : “En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders, uzelven met valse overlegging bedriegende.” (Jacobus 1:22) En wat schrijft de apostel Paulus ons hier over : “Want de hoorders der wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden;”(Rom.2:13)

 

En nu roept iemand mij de volgende vraag in gedachte toe : “Wie zijn nu die daders der WET, en daders van het Woord Gods?? En wanneer word een mens nu zo’n dader der WET. Ik zeg u het eerlijk naar Gods Woord, dat zij die met Hem die kruisdood geestelijk hebben leren sterven, door vrije onuitspreekbare genade, in en door Hem, daders der WET en des Woords zijn geworden.Vanwege dat Hij de vervulde WET Gods’ voor Zijn volk is geworden.

 

“Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.”(Rom.8:1) “Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft.”(Rom.8:37)

 

Geliefde lezer,

“Toen zeide de HEERE: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mens, dewijl hij ook vlees is; doch zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren. Daarom zeide God tot Noach: Het einde van alle vlees is voor Mijn aangezicht gekomen; want de aarde is door hen vervuld met wrevel; en zie, Ik zal hen met de aarde verderven. Maak u een ark !!”

 

Maak u dan een Ark, en wordt behouden in het Bloed van Christus Jezus, alvorens die dreigende komende vloed van de toorn Gods’ over uwe zonden eens zekerlijk zal komen, en gij het misschien ten laatste onder die vloek en toorn zult uitschreeuwen : “Noach, Noach, doe ons open !!”  Maar dan zal het te laat zijn, en zal het u van die meerdere Noach voor eeuwig in uw oren klinken : “Ga weg van Mij, want Ik heb u nooit gekend, gij werkers der ongerechtigheid!!”  En dan zult ge voor eeuwig moeten gaan, naar die plaats die ook de duivel en zijn trawanten is bereid, van eeuwige pijn, verdrukking, vloek, duisternis en onrust. Hoe lang zal Gods’ Geest nog met u twisten, en hoe lang zullen uw dagen nog zijn ?? Amen

 

                                     

D.J. Kleen