Ds. J. Van Laar (Ger. Gem) Als God het gestreken Bloed maar ziet…..!!

Posted by admin | | woensdag 28 maart 2018 8:51 am

Ds J. Van Laar (Ger. Gem. Rijssen) zonder geestelijke kruisdood en opstanding toch naar de hemel  luister hier

zonder doding der wet, zonder te zijn gestorven aan eigengerechtigheid en ongeloof jegens het Evangelie van Jezus Christus (Gal. 2:19-20, Rom. 7:6, Rom. 10:4, Joh. 16:9)

zonder de rechtvaardiging door het zaligmakende geloof, waardoor God een zondaar vrij spreekt van schuld, straf en eeuwig oordeel (Rom. 5:1-5)

zonder de toepassing van de verworven Geest der aanneming tot kinderen, Die het uit Christus neemt (Joh. 16:13-14, Gal. 4:6)

zonder de ingestorte verbrijzelende liefde God in Christus Jezus, die de hemelse vrede nalaat in het hart (Rom. 5:5)

zonder vrede met God en naasten, en blijdschap en vreugde die alle verstand te boven gaat (Hand. 8:39, Filip. 4:7) 

zonder de vrucht van Pasen, en de geestelijke opstandingskracht van Christus Jezus (1 Kor. 15:17)

zonder een bewuste kennis van vergeving van zonden toegepast door de Heilige Geest (Efeze 1:7-13, Rom. 5:1-2, Kol. 3:13)

zonder zelf persoonlijk het gestreken bloed aan de deurpost van het hart geestelijk te hebben gezien tot blijdschap en vrede (Hebr. 9:14-18)

……als God het gestreken bloed maar heeft gezien, want daarin ligt juist de troost van het Evangelie! (2 Petrus 3:16)

 

DJK: Ja lezer, vraag mij niet hoe dit kan, maak er maar schadelijk misbruik van. Tot groot vermaak der duivelen en uw ondergang en eeuwig zielsverderf, en tot oneer van uw hemelse Schepper en Rechter die Zijn heilig recht in uw leven moest ontberen. Mensen laat u toch niet langer bedriegen door dit soort dienstknechten van Satan. Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt! betuigt de apostel in zijn zendbrief aan de betoverde Galaten. Vergelijk derhalve alle preken die u in uw leven mag beluisteren of ze overeenkomstig zijn met de rechtvaardigingsleer der apostelen, met name de Romeinen- en Galatenbrief, want daarin liggen de sleutelen tot het recht verstaan van de ganse Heilige Schrift. En juist vanuit deze zendbrieven wordt in Gereformeerde Gemeenten (in Ned) zelden of nooit gepreekt. Het kan ook niet anders, want ze zouden finaal vastlopen. Ze zouden terstond verstikken in de Bijbelse leer van kruisdood en opstanding, en wellicht ernstig beginnen te stotteren. Met hun zalverige lieve stemmetjes zijn het uiteindelijk niet meer dan stomme honden die geen bassend geluid meer voortbrengen. Ze verdraaiden de Waarheid tot hun eigen verderf, en tot eeuwig zielsverderf van hun hoorders. Straks op de dag van uw begrafenis ligt u voor in de kerk opgebaard, en zeggen deze dienstknechten: ‘hij of zij kwam helaas nooit tot volle ruimte…. dus laten we het maar voor God liggen’. Zie daar de bedrieglijke veronderstelling in deze vervloekte standenleer die naar de mens is, en niet uit God, en de zandgrond waarop uw waangeloof was gegrondvest, en zie daar hoe bedrieglijk ze hun zegenende handen vervolgens van u aftrekken en in onschuld wassen. Maar als u dit leest dan bent u er nog, uw genadetijd is nog niet geheel verstreken. Haast u dan om uws levens wil en verkwansel uw tijd niet langer door naar dit soort bedrieglijk onderwijs uit de hel te blijven luisteren. Lees liever het onderstaand Bijbels onderwijs van een getrouw oudvader die het zelf van God heeft geleerd, toen ook hij persoonlijk het reinigende Bloed aan zijn verloren ziel kreeg gestreken tot zaligheid en vrede en vervolgens met Jezus Christus mocht opstaan tot een nieuw godzalig leven. Laat u gezeggen, en wees ernstig gewaarschuwd!!

 

Luister hier de preek   //   Luister hier preekfragment   //   download hier

 

Preektekst over Exodus 12 vs 12-14 Want Ik zal in dezen nacht door Egypteland gaan, en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de mensen af tot de beesten toe; en Ik zal gerichten oefenen aan alle goden der Egyptenaren, Ik, de HEERE! En dat bloed zal ulieden tot een teken zijn aan de huizen, waarin gij zijt; wanneer Ik het bloed zie, zal Ik ulieden voorbij gaan; en er zal geen plaag onder ulieden ten verderve zijn, wanneer Ik Egypteland slaan zal. En deze dag zal ulieden wezen ter gedachtenis, en gij zult hem den HEERE tot een feest vieren; gij zult hem vieren onder uw geslachten tot een eeuwige inzetting.

Deze predicatie is uitgesproken in de Gereformeerde Gemeente te Enter waar ds. J. Van Laar consulent van is, op zondag 18 februari 2018

============================================================

 

Schadelijk misbruik van een algemene overtuiging tot een valse grond van rust voor de ziel

Theodorus van der Groe

 

Waarde heilzoekende lezer!

Gelijk het zeker is dat er tweeërlei gaven of werkingen van Gods Geest zijn, gemene namelijk, welke ook de geveinsden en verworpenen genieten, en bijzondere of zaligmakende, die alleen zijn voor de uitverkorenen, zo is het ook niet minder zeker, dat er tweeërlei overtuiging van de Heilige Geest is in de gemoederen der mensen; ene, die gemeen, en een andere die zaligmakend is. Deze is altoos de voorbereidende weg tot een oprecht geloof in Christus, terwijl gene ordinair een voorbereidende weg is tot een bedrieglijk waan geloof of tot een heilloze wanhoop. Want in een van die twee modderige kanalen zal de gemene overtuiging vroeger of later doorgaans uitlopen. En het wezenlijke onderscheid tussen beiden bij ons zelven of in de behandeling van andere voorwerpen, niet behoorlijk in acht te nemen, zulks kan niet anders dan uitnemend schadelijk zijn en Gods werk grotelijks verachteren en bederven, ja ook menige ziel voor eeuwig ongelukkig maken.

Wie toch weet niet, hoe algemeen het gebeurt in het Christendom dat de mensen, die onder het ontdekkende Evangelielicht dagelijks leven, wel eens enige overtuigingbekomen van hun zonden, en van hun gemis van de Heere Jezus, en hoe ze nog rampzalig gebonden liggen aan de banden van Gods vloeken toorn? Hierdoor worden zij dan, voor een tijd, weleens naar, beangst en bekommerd, en beginnen zij met enige ernst ook rusteloos te arbeiden aan de verbetering van hun weg en staat. Doch, dewijl zij slecht door een gemene overtuiging bewogen worden, zo geraken zij dan ook niet tot die gelovige vereniging met Christus, waartoe de zaligmakende overtuiging van de Heilige Geest de ware uitverkorenen leidt, maar zij blijven altijd staan in de grond van hun natuurlijke blindheid en genadeloosheid; en hoewel zij ook somtijds, als de kinderen, komen tot aan de geboorte, zo is daar toch evenwel geen kracht om te baren,Jes.37:3. En dit komt ook veeltijds, middelijker wijze, daarvandaan, dat zij hun overtuiging zelve nemen en die gebruiken, zonder dat zij het bemerken, tot een grond van vertrouwen. Zijbeelden zich dan in, en laten zich ook van anderen, niet genoegervaren in het werk des Geestes, lichtelijk wijs maken, dat deze hun overtuiging en bekommernis bereids beginselen zijn van de Goddelijke genade der wedergeboorte in hun harten, en dat zij nu ook die hongerigen en dorstigen naar de gerechtigheid en die vermoeide en treurige zielen zijn, die door de Heere Jezus zaliggesproken worden, Matth.5. Waarbij zij dan ook menen, dat dit werk van God allengs meer in hen zal doorbreken en dat Christus, in Zijn eigen tijd, wanneer het Hem behagen zal, Zich nader aan hen zal ontdekken en hen de troostrijke verzekering van Zijn Geest, welke zij nu nog missen, dan ook zal schenken; alleen, dat zij slechts met hun bidden en zoeken gedurig moeten aanhouden en geenszins aan de genade, welke zij bereids achten ontvangen te hebben, door ongelovigheid moeten twijfelen of de Heilige Geest bedroeven.

En in zulk een weg verliezen die misleidde zielen dan nu allengs hun benauwde vrezen en ongerustheden en zij beginnen ongevoelig troost te scheppen uit deze en gene belofte, welke zij zich kwalijk toe-eigenen op een valse grond. Waarna zij dan, mettertijd, in zodanige bedrieglijke staat, niet slechts tot gerustheid komen, maar in die valse vrede ook bevestigd worden, en al steeds naar de hoogte opwassen, totdat zij eindelijk, door de gemene plichten en hulpmiddelen des Evangelies, grote Christenen worden bij zichzelf en bij anderen, zonder toch ooit een goede rekenschap van hun geloofsgemeenschap met Christus te kunnen geven. Zij willen liever, hoewel gans verkeerd, op hun staat toepassen, hetgeen er gezegd wordt, Mark.4:26,27: Alzo is het koninkrijk Gods, gelijk of een mens het zaad in de aarde wierp, en voorts sliep en opstond nacht en dag, en het zaad uitsproot en lang werd, zodat hij zelf niet wist hoe.

Daar zullen mogelijk in deze geesteloze tijd vele zulke ellendige, bedrogene mensen allerwegen gevonden worden, die voorgoede Christenen heengaan en in welker harten toch niets gevonden wordt van de zielzaligende kennis van de Heere Jezus; naardien zij door de Geest des waren geloofs nog nimmer tot Hem gekomen zijn met een oprechte verzaking van zichzelf en van alle aardse dingen. En hoe uitnemend bezwaarlijk het dan naderhand valt, om de zodanigen van hun jammerlijk zielsbedrog recht te overtuigen, bijzonder wanneer datzelve door verloop van tijd in hun harten als vastgegroeid en sterk gebolwerkt is, zulks zal de droevige ondervinding degenen genoegzaam leren, die geroepen worden om aan de zaligheid der onsterfelijke zielen, welke hen zijn toevertrouwd, ernstig en voorzichtig te arbeiden. Weshalve het dan ten hoogste noodzakelijk is, dat de arme zondaren, die begonnen zijn over hun eeuwige behoudenis enigszins bekommerd te zijn, deswege goede raad en bestier bekomen, teneinde zij zich, door Gods genade, veilig mogen hoeden voor de gevaarlijke klippen des satans, waar reeds zovele anderen droevig op vergaan zijn en schipbreuk aan hun zaligheid hebben gelede. Wij zullen daartoe enige stellingen of bijzonderheden een weinig nader trachten teopenen, waarop wij wensen dat een ieder behoorlijk acht mogegegeven, alzo toch aan het rechte verstand derzelve het onuitsprekelijk gewicht van onze eeuwige zaligheid hangt.

1. Een bloot werk van overtuiging, hoedanig het dan ook wezen moge, kan, op zichzelf, niemand enig part of deel aan Christus en aan de zaligheid geven.

Alle waarachtige overtuiging van zonden is slecht een voorbereidend wettisch werk des Geestes om een mens gans uit zichzelf te leiden tot Christus; teneinde hij Hem, door een oprecht geloof, steunende op de beloften des Heiligen Evangelies, voor zijn eigen Zaligmaker zou aannemen en geheel alleen al zijn vertrouwen op Hem zou stellen.

Een ieder zondaar, die onder het Evangelie leeft, heeft wel altijd vrijheid, uit kracht van de algemene aanbieding van Christus, om Hem als een vrij genadegeschenk van Gods eeuwige liefde voor zich in het bijzonder te omhelzen en aan te nemen en zijn zaligheid alleen in Hem te zoeken.

Het Woord des Evangelies wordt gezonden tot een iegelijk mens, die hetzelfde hoort verkondigen en verzekert hem in de naam vaneen God der waarheid, Die niet liegen of bedriegen kan, dat Christus met al Zijn zaligheid en algenoegzaamheid, gewisselijk ook de zijne is, indien hij Hem met een oprecht geloof waarlijk begeert te ontvangen, zoals Hij ons geheel om niet aangeboden en geschonken wordt en ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid en heiligmaking, en verlossing, 1 Cor.1:30. Doch hoe wijd de weg tot Christus door God Zelf in het Evangelie voor een ieder ook worde opengezet en dat die dorst heeft vrijelijk mag komen en die wil, het water des levens om niet voor zich mag nemen, Openb.22:17, zo zal toch nimmer enig zondaar om de Heere Jezus waarlijk verlegen zijn of Hem oprechtgelovig voor zijn Verlosser en Heere met volkomen verzaking van alles begeren te omhelzen, tenzij hij alvorens zulk een levendigen geestelijk gevoel van zijn rampzalige en doemwaardige staatbuiten Christus bekome, als hem gans verloren en radeloos bij zichzelf doet neerzinken. Hij zal anders nooit met een volkomenhart daartoe kunnen resolveren, om zich, als een vervloekt en onmachtig goddeloze uit enkele genade door Christus te latenzaligen en al zijn beminde boezemzonden en wereldsebegeerlijkheden gans gewillig te verzaken, tenzij dan, dat de last zijner zonden en van Gods vloek en toorn, hem zo zwaar op het harte drukke, dat hij het daar onmogelijk langer onder kan stellen. En ziet, hiertoe komt nu de Heilige Geest de wereld van zonde overtuigen, teneinde Hij, door dat middel, der mensengemoederen voor de Heere Jezus zou bereiden en openen om Hemoprecht gelovig in hun binnenste te ontvangen. Maar die overtuiging zelf is het geloof in Christus niet; zij is slechts een voorbereidende genade tot het geloof, evenals het omploegen en week maken van de grond eens akkers een voorbereidend werk is om het zaad te ontvangen en te doen wassen in de aarde; en gelijk het opgraven van een oud fundament alleen geschiedt om de weg ende standplaats te bereiden voor de oprichting van een nieuw huis.

Indien ook eens iemand met een zware krankheid door God bezocht wordt, zo zal die wel de weg of het middel zijn, om hem te brengen in de hand des medicijnmeesters, teneinde hij door hem, door des Hemels zegen, weder moge hersteld worden. Nochtans is het heel wat anders krank te zijn, en wat anders een geneesheer bij zich te hebben, deszelfs medicijnen te gebruiken en van hem geholpen te worden. Tot dat laatste is immers nodig, dat de kranke de medicijnmeester bij zich ontbiede en dat hij zich ter genezing gewillig aan hem overgeve en toevertrouwe. Als hij dit weigert te doen, dan kan hij immer krank zijn en ook sterven aan zijn krankheid, zonder enige hulp te trekken van de medicijnmeester. Maar alzo is het ook wat anders, in enige delen overtuigd en meer of min krank te zijn, door het gevoel van dezware last zijner zonde en Gods toorn, en wat anders is het, Christus te hebben tot zijn hemelse Medicijnmeester, en van Hem uit genade geholpen en genezen te worden. Hiertoe is nodig, dat de kranke zondaar de Heere Jezus ook eerst oprecht gelovig aanneme, en dat hij zich met een hartgrondig vertrouwen volkomen aan Hem overgeve. Doch wat zou het zijn, indien zo iemand, enkel uit het gevoel hetwelk hij heeft van zijn geestelijke krankheid, nu een besluit wilde maken van zijn gemeenschap aan Christus, en dat hij Hem reeds dadelijk bezit tot zijn Medicijnmeester, Die al zijn krankheid geneest, Ps.103:3, zonder, dat hij daartoe eens oprecht gelovig met zijn hart tot Christus komt? Dit ware dan immers een gans verkeerde sluitrede, even alsof een kranke zei inhet natuurlijke: “Ik ben krank, daarom heb ik nu een medicijnmeester, die mij helpt en geneest”. Wat gevoelsovertuiging van zonden iemand dan ook hebben moge, zulks alleen en op zichzelf kan hem nimmer enig deel aan Christus verkrijgen, ofschoon ze wel zeer levendig van hun zonden enverdoemenis overtuigd zijn en onophoudelijk, onder hetschrikkelijk gevoel van de Goddelijke toorn, tevergeefs wenen en kermen.

2. Geen overtuiging zal ooit heilzaam of zaligmakend zijn, dan die door de krachtdadige werking des Geestes in ’s mensen hartdadelijk doorbreekt tot een oprecht gelovige kennis en omhelzing van de Heere Jezus, zoals Hij ons wordt voorgedragen in de beloften des Heiligen Evangeliums.

Hierin ligt het wezenlijke onderscheid tussen een zaligmakende en een gemene overtuiging, dat wanneer zij beiden haar einde bekomen, de eerste altijd eindigt in een zuiver werk des geloofs, waardoor de ziel verenigd wordt met Christus, terwijl de andere óf ongevoelig zonder enige vrucht voorbijgaat, óf anders uitloopt in een bedrieglijk werk des waangeloofs, waardoor degeveinsde zichzelf met Christus en de genade op een valse grond vertroost.

De reden hiervan is, dewijl de zaligmakende overtuiging een krachtdadig werk des Heiligen Geestes is, dat doordringt tot diep in de grond en aan de wortel van ’s mensen hart, hetwelk daar doorgaans verbroken en verbrijzeld wordt, zodat hetzelve geen krachtmeer behoudt om zich door een vijandige ongelovigheid tegen Christus en de vrije genade Gods langer enigszins aan te kanten. De Geest wekt hier zo krachtdadig door in ’s mensen ziel, met zijn scherpe en levendige overtuiging, en Hij voert aldaar het zwaard en de hamer van Gods Woord zodanig aan, dat die ziel daarvan geheel doorwond en aldus genoodzaakt wordt om als een verslagene aan Christus’ voeten neder te vallen, en het gans aan Hem over te geven, uitroepende: Heere, Gij hebt mij overreed en ik ben overreed geworden; Gij zijt mij te sterk geweest en hebt overmocht, Jer.20:7.

En langs die weg formeert of werkt de Heilige Geest dan een oprecht geloof in ’s mensen hart. Doch een gemene overtuiging gaat nooit zó diep, totdat zij raakt aan de grond en in ‘tbinnenste van het gemoed; zij werkt enkel op de consciëntie en op de hartstochten die het lichtst geroerd en bewogen worden.

Hier blijft zij hangen zonder verder door te dringen, om de grond des harten geheel te beroeren, en die voor het ontvangen van Christus en de genade door de Geest des oprechten geloofs te bereiden. Daarom kunnen ook de goddelozen somtijds wel eens zeer overtuigd over hun zonden en e toorn Gods grotelijks ontsteld worden door benauwde angsten en droefheid; terwijl zij toch inwendig altijd blijven staan in de grond der vijandschap tegen Christus en het Evangelie, en op zijn best slechts huichelaars worden en schoonblinkende belijders; gelijk zulks nader door ons is aangewezen in onze “Toetssteen der ware en valse genade” 1e deel, pag.145 enz., waar wij omstandiger handelen van de ware zaligmakende overtuiging des Heiligen Geestes.

3. Niemand moet derhalve zijn staat of de hope zijner zaligheid immer bouwen op een grond van blote overtuiging, maar alleen op Christus door een oprecht geloof.

Laat een mens overtuiging hebben, zoveel hij immer mag, indienhij ook Christus Zelve niet deelachtig wordt in de weg des geloofs, dan zal hij voorzeker eens met al zijn overtuigingen naar de hel varen, want niet de overtuiging, maar Christus alleen behoudt de zeil.

Wel is het waar, dat Christus altoos ook gevonden wordt door het geloof, in het hart desgenen bij wie een recht en volkomen werk wordt gevonden van geestelijke overtuiging, aangezien een recht overtuigde en verslagen ziel niet kan zijn zonder Hem; evenmin als een huis overeind kan staan zonder een vaste grond of fundament. En in zoverre is een rechte overtuiging ook altijd een zeker kenmerk van ware genade in het gemoed. Doch waaruit zullen wij nu kunnen weten, of de overtuiging die wij hebben, recht geestelijk en zaligmakend is, dan alleen hieruit, of Christus met Zijn hemelse genade ook in ons is, en door het geloof, ook waarlijk woont in onze harten? Ef.3:17. Dit maakt alle overtuiging alleen voordelig en heilzaam, dat zij ons door de kracht des Heiligen Geestes een weg of middel wordt, om ons geheel uit ons zelve en uit alle geschapenheden uit te voeren en ons te leiden tot de zalige gemeenschap van de Heere Jezus en van de Drie-enige God, in Hem, “in Wien al de volheid der Godheid lichamelijk woont”, Col.2:9. Hier moeten wij dan ook alleen de enige en ware grond van ons vertrouwen vinden, Christus, namelijk, in ons, door de Heilige Geest, die het oprechte geloof werkt en versterkt in onze harten.

Daarom, als de Apostel wil, dat de gelovigen hun gemoed aangaande hun geestelijke staat en hoop hunner zaligheid zullen onderzoeken, dan wijst hij hen geenszins tot een werk van overtuiging, om daaruit de verzekering van hun ware Christendom op te maken, maar hij wijst hen dan tot de Heere Christus zelve en tot het ongeveinsd geloof, zeggende “Onderzoekt u zelve, of gij in het geloof zijt; beproeft u zelve. Of kent gij uzelve niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij dat gij enigszins verwerpelijk zijt, 2 Cor.13:5. Dat dan toch niemand tevreden zij, indien hij ook al enig werk van beroering en overtuiging in zich gewaar wordt, om daarop een hoop van zaligheid te bouwen; maar dat hij zich wel ernstig beproeve en onderzoeke, of hij ook zulk een overtuiging van de Heilige Geest in zijn binnenste bevindt, die hem waarlijk door een oprecht geloof tot de Heere Jezus heeft gebracht, en Hem Zijn hemelse genade ook heeft doen komen in zijn hart. Een levendige en krachtige overtuiging van schuld en zonde, van toorn en vloek, van vijandschap en onmacht, waardoor hij inwendig gans verbroken en verbrijzeld is geworden voor die hoge God, Die zo vlekkeloos heilig is, dat geen zondaar voor Zij nimmermeer bestaan kan, andere dan in Christus, “in welke Hij Zijn welbehagen heeft”, Matth.3:17, hoedanig de overtuigingen geweest zijn van de tollenaar, van Paulus, van de stokbewaarder, van de zondares, van de Joden op het Pinksterfeesten van anderen, die, als zaligmakende overtuigingen van de Geest, in de Heilige Schrift zijn te boek gesteld.

4. Dus moet het dan noodzakelijk door ons gehouden worden voor een vaste regel in het Christendom, dat zolang als iemand de Heere Jezus niet kent, met een geestelijke en gelovige kennis van bijzondere toe-eigening voor zich zelve en van een hartelijk vertrouwen op Hem en Zijn genade, op grond van de beloften des Heiligen Evangelies, hij dan ook nog geen ware zaligende overtuiging bekomen heeft welke ontdekking van zonde en vloek, verdoemenis, onmacht, enz., hij schoon anders ook al in zich bevinden moge, en hoe grotelijks beangst en bekommerd hij daardoor ook wezen moge.

De reden hiervan is klaar voor degenen wier ogen des verstandsgeestelijk verlicht en geopend worden. Want zolang als iemand de Heere Jezus nog niet waarlijk kent met een gelovige en geestelijke kennis, zo gelooft hij dan ook niet hartelijk en tot zaligheid in Hem. Dies is het dan nu volstrekt noodzakelijk, dat zo een van deze zijn ongelovigheid eerst nog grondig overtuigd moet worden door de Heilige Geest, indien zijn overtuigingvolkomen en zaligmakend zal zijn om hem eens gelovig tot Christus te leiden. Immers wordt niet Christus ons, uit loutere genade, inde beloften des Heiligen Evangelies tot een Zaligmaker van God geschonken? En mag ook niet een ieder, die waarlijk gewillig is, Hem aanstonds aannemen voor zijn eigen Verlosser en Zaligmaker, en op Hem alleen al zijn hoop en vertrouwen stellen? Doch al wie zulks niet wil doen in ware zielsoprechtheid, die blijft dan immers zekerlijk nog staan in zijn ongeloof jegens God en aanzijn allerwaarachtigst Evangeliewoord en maakt alzo de God der waarheid nog tot een leugenaar, want “die God niet gelooft heeft Hem tot een leugenaar gemaakt,” 1 Joh.5:10.

En ziet, juist dit is des mensen grootste zonde en schuld van de Heere. Al zijn andere zonden tezamen kunnen immers zo zwaar en verdoemelijk niet zijn als deze zonde des ongeloofs alleen, daar die veroorzaakt dat er geen vergeving of verlossing kan vallen van enige zonde. Hierom komt Gods Geest degenen, die Hijzaligmakend vernieuwt en bekeert in Christus, van deze zonden des ongeloofs, waar natuurlijk alle mensen zeer vast in gebonden liggen, ook bijzonder overtuigen, gelijk de Zaligmaker Zelf ons dat leert, zeggende van de Heilige Geest: en Die, gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde; te weten, de uitverkorene en gelovige wereld, die zalig wordt. En die overtuiging van zonde wordt ons nader nog beschreven, zoals die formeel van de Geest aan allen zal geschieden: “van zonde, omdat zij in Mij niet geloven,” Joh.16:8,9, dat is te zeggen, dat de Heilige Geest de mens bijzonder en krachtdadig van die grote zonde des ongeloofs zal komen overtuiging daaraan ook zullen bemerken en onderscheiden. En voorzeker, deze is des Geestes zaligmakende overtuiging, wanneer Hij krachtdadig komt werken in onze harten om ons te overtuigen, niet slecht van onze zonde tegen de wet, maar ook van onze bijzondere zonde tegen het Evangelie; en dat wij in Christus en aan de waarachtige beloften Gods met onze harten niet geloven, dat wij gans gezonken liggen in de poel des ongeloofs en van volstrekte vijandschap tegen God en ons in zijn eigen beraamde weg van loutere genade door Christus niet willenlaten behouden. Zolang dan iemand van deze zonde des ongeloofs door Gods Geest niet levendig in zijn hart overtuigd wordt, kan al zijn andere overtuiging, welke hij ook moge hebben, toch geenszins genoegzaam zijn om hem in ware zielsverslagenheidoprecht gelovig tot Christus te doen komen. Hij zal dan nog niet gans gewond en krank aan zijn ziel gevonden worden en diens volgens ook nog niet recht begerig zijn om zijn toevlucht zuiver alleen te nemen tot die hemelse Medicijnmeester, maar hij zal zijn leven en zijn behoudenis dan altijd nog meer of min inde grond van zijn eigen gerechtigheid blijven zoeken en daartoe met zijn gebeden en tranen en met allerhande wettisch werk ook nog iets trachten toe te brengen, teneinde de Heere te bewegen tot genade, dewijl hij beide zijn ogen ongelovig blijft toesluiten voor de goddelijke genadebeloften in het Evangelie.

Hieraan zal het, in onze geesteloze eeuw, mogelijk duizenden van bekommerde en verlegen zielen schorten, dat, hoezeer zij ook mogen overtuigd zijn van hun zonden tegen de wet, zij nochtans geen de minste rechte overtuiging hebben van hun zonde tegen het Evangelie, of van hun natuurlijk ongeloof en hun vijandschap tegen Christus, welke enkele ongelovigheid echter een veel grotere en verderfelijker zonde is dan al hun andere zonden tegen de wet, gelijkelijk tezamen, naardien van alle zonden, waarvan wij niet gerechtvaardigd kunnen worden door de wet van Mozes, “nochtans, een iegelijk die gelooft, gerechtvaardigd wordt door Christus, door Wien ons de vergeving der zonden verkondigd wordt,” Hand.13:38,39.

Indien wij nu al mochten overtuigd zijn van onze zonden tegen Gods wet en nochtans niet in Christus geloven door de Geest des Evangelies, zo kunnen wij dan immers van niet enige zonde ooit vergeving ontvangen of geheiligd worden en mitsdien is dan onze ongelovigheid voorzeker onze voornaamste en grootste zonde, als die ons laat blijven steken in al onze andere zonden en ons gebonden houdt onder Gods vloek en toorn, zonder enige hoop van verlossing. En zolang de mens van deze zonde des ongeloofs niet hartgrondig overtuigd wordt en des wegens tot ware vernedering voor de Heere gebracht wordt, zo zal hij in dezelve onberouwelijk blijven voortgaan, welke overtuigingen hij anders ook moge hebben; naardien hij, geboren zijnde onder de heersende macht van het verbroken werkverbond in Adam, het ongeloof juist daarom zijn eigen aard en natuur is, welke hij even weinig kan afleggen en veranderen als “een moorman zijn huid zal veranderen of een luipaard zijn vlekken” Jer.13:23.

Ja zelfs, hoe meer hij van zijn zonden, alleen tegen de wetbedreven, mocht overtuigd worden, hoe meer dan zijn bedorven wettische aard daardoor zal opgewekt en aangedreven worden om zijn behoudenis op alle wijzen te zoeken in een weg des ongeloofs en van eigenwerkelijke gerechtigheid, van tranen, van gebeden en van allerlei uitwendige Godsdienstplichten, enz., waarin hij dan altijd nog zijn leven zal zoeken, buiten Christus en de genadewelke ons in het Evangelie wordt voorgesteld. Want de zondeoorzaak genomen hebbende door het gebod, dat is, door middel van de kennis en de sterke aandrang en de overtuiging der wet op de consciëntie, zal dan ook in hem alle begeerlijkheid werken, te weten tegen de ganse wet, en wel bijzonder tegen dat voorname gebod des geloofs, hetwelk ons beveelt, dat wij ons leven en zaligheid uit Gods loutere genade, alleen in Christus zullen zoeken. Tevoren leeft de zondaar in zijn natuurlijke staat, gelijk als zonder de wet, naardien hij dan zorgeloos en onachtzaam, als zonder de wet, daarheen leeft en zich over Gods wet zeer weinig bekommert; en dan is de zonde die zo zonde de wet geschiedt, daarom ook als dood, terwijl de mens in zijn rampzalige blindheid en zorgeloosheid, die dan niet ziet noch gevoelt en de zonde zich dan stil in hem houdt zonder hem veel te ontrusten of hem tot enig werk der wet om zijner behoudenis wil,met levendige kracht aan te drijven.

Maar geheel anders gaat het als het gebod gekomen is en als God hem de wet met derzelver gestrenge eis en vloek enigszins klaar brengt voor de ogen zijns verstands, en die doorovertuiging drukt en bindt op zijn consciëntie, dan wordt de zonde van stonde aan weder levend; zij ontrust en benauwt dan de zondaar en doet hem zeer vrezen voor Gods toorn en zet hem aan tot het werk der wet om daarmede zijn behoudenis te zoeken en daarin niets onbeproefd te laten. Ziet Rom.7:8,9.

En als zulk een bekommerd zondaar dan nu ook verder hoort en leest van een Zaligmaker in het Evangelie, en van Gods genade en barmhartigheid voor de arme verslagene zondaren, zo zal hij dan gewoonlijk in zijn blinde eigenwerkelijkheid en wettisch ongeloof om die Zaligmaker en om die goddelijke genade ook aanstonds gaan arbeiden. Hem dunkt, dat hij de Heere Jezus wel rechtelijk begeert tot zijn Verlosser en dat hij gaarne door Hem wil behouden en zalig gemaakt worden, want hij bemerkt dan nog zijn blind en ongelovig hart niet, dewijl hij nog geenszins overtuigdis van de zonde van zijn ongeloof tegen het Evangelie. En zulks komt hier vandaan, vermits hij niet recht aandachtig met zijn hart acht geeft op de vrije genadebelofte Gods in het Evangelie, welker zekere kennis door de Heilige Geest in ’s mensen gemoed, als de wezenlijke grondslag is van een waar zaligmakend geloofsvertrouwen. Hij staat daarbij niet ernstig stil hoe Godhem, gans om niet, uit enkele genade de Heere Jezus tot een volkomen Zaligmaker voor al zijn zonden schenkt en aanbiedt, en diensvolgens dat hij dit water des levens, indien hij maar waarlijk wil, dan ook terstond om niet maag nemen als een vrij genadegeschenk van Gods grondeloze barmhartigheid.

Ook geeft hij daarop geen acht dat de Heere hem de zondaar van zijn ongeloof en van zijn onwilligheid om tot Christus te komen zo menigvuldig in Zijn Woord voor ogen stelt en hem daarover zo ernstig bestraft en de eeuwige verdoemenis bedreigt indien hij daarin wil blijven leven. Hij let er niet op als Christus tot hem roept: “Gij wilt tot Mij niet komen opdat gij het leven moogt hebben”, Joh.5:40. Hij verbeeldt zich veeleer in zijn blindheid dat hij gewillig genoeg is om te komen, indien Christus hem slechts wilde aannemen en zalig maken. Hier staan zij zonderonderscheid allen te samen, die van de Heilige Geest nog nooit grondig zijn overtuigd van de zonde des ongeloofs, hoedanige overtuigingen van hun andere zonden en van Gods toorn zij anders ook mogen hebben, dat zij zich inbeelden, van hun kant welgewillig en bereid te zijn om tot Christus te komen en in Hem als hun Zaligmaker oprechtelijk te geloven, indien ook maar de Heere Christus Zijnerzijds gewillig mocht zijn om hen aan te nemen en ook hun Zaligmaker te wezen. Doch hier twijfelen zij aan en kunnen het niet gerustelijk geloven, hoewel ook het ganse Evangelie hen zeer duidelijk en overvloedig verklaart, dat Christus hen uit Gods loutere genade tot Zaligmaker wordt geschonken en dat Hij van stonden aan hun Verlosser en Zaligmaker ook wil zijn, indien zij Hem als zodanig alleen oprecht gelovig willen aannemen en met volkomen verzaking van alles hun hartengeheel voor Hem willen openen.

Hoezeer de Heere Jezus in Zijn Woord ook roept voor hun oren, dat Hij staat en klopt aan de deur van hun harten, met Zijn Goddelijke overtuigen en met de beloften des heilige Evangelies, en dat, “indien zij eens Zijne stem zullen horen en de deur voor Hem open doen, Hij dan terstond tot hen zal inkomen en Avondmaal met hen zal houden en zij met Hem?” Openb.3:20.

Hoe dikwerf en ernstig Hij hen ook vermaant, en hoe vriendelijk Hij hen nodigt, zij willen met al hun zonden en zielsellende toch oprecht gelovig tot Hem komen, en zich, met volkomen betrouwen aan Hem overgeven, en hoedanige verzekeringen, beloften, vermaningen en bedreigingen Hij ook aan hen doet om hun ongelovige en onbuigzame harten te winnen en gans te overreden, dat zij oprechtelijk in Hem geloven zouden, als “Die hen volkomenlijk kan zalig maken,” Hebr.7:25, en Die degene, “Die tot Hem komt, geenszins uit zal werpen,” Joh.6:37,het mag toch alles in het minst niet helpen; zij weigeren zich van hun onwilligheid en ongelovigheid te laten overtuigen; zijwillen de wapenen van hun blindheid en vijandschap aan Christus’ voeten niet neerleggen, maar zij houden het steeds op die trant des ongeloofs tegen Hem uit, en blijven daar alzo onverzettelijk staan, als die gewillig genoeg zijn om Christus te ontvangen en aan te nemen, indien Hij ook maar recht gewillig en toegenegen tot hen mocht zijn. En hiertoe voeren ze nu, in hun vrees en verlegenheid door de overtuiging des wet, alles aan dat zij maar kunnen om Christus tot barmhartigheid jegens hen te bewegen. En juist dit verderfelijke ongeloof houdt die ongelukkige zielen nu steeds gebonden in de akelige duisternis van het verbroken werkverbond; en berooft hen van het geestelijk licht des zaligen geloofs, dat alleen in onze harten kan opgaan, en helder schijnendoor middel van het Evangelie.

Dat heerlijke Evangelie van de vrije genade Gods in Christus blijft dan nog in hen bedekt, naardien “De God dezer eeuw in hen de zinnen verblindt, namelijk der ongelovigen; (hoedanige zulke mensen met al hun gemene wettische overtuigen nog waarlijk zijn); opdat hen niet bestrale de verlichting des Evangelies der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is,” 2Cor.4:4.

Laten zij nu uit de angst van hun wettische overtuiging ook alles doen wat zij zouden mogen om de Heere Jezus tot genade en barmhartigheid over hen te willen bewegen, zij blijven toch echter door hun aanhoudend ongeloof en hun geestelijke blindheidgeheel van Hem gescheiden; naardien zij Hem en Zijn genadige beloften in het Evangelie niet hartelijk geloven en aannemen. Want wat waarachtige geloof kunnen zij toch hebben, zolang zij Christus op Zijn eigen aanbieding in het Evangelie niet kunnen of willen omhelzen? Is niet het oprechte geloof, hetwelk onze zielengeestelijk met God in Christus verenigt en dat ons Zijn genade en zaligheid doet genieten, een hartelijk aannemen van de beloften Gods in het Evangelie, als die niet slechts aan anderen, maar ook aan ons in het bijzonder gedaan worden? Kan ook wel iemand enige ware gemeenschap aan Christus en de zaligheid ooit bekomen, die daar geheel blind en ongelovig blijft staan, aan de beloften van Gods genade in het Evangelie, waarin die beiden om niet aan hem aangeboden en geschonken worden, indien hij maar oprecht gewillig is om die aan te nemen? Of zou anders ook iemand de Heere Christus waarlijk gelovig kunnen aannemen, die daar blijft weigeren om de beloften des Evangelies met een gelovig hart te omhelzen, door welke Christus en de zaligheid hem van boven uit de hemel toegebracht en door God Zelf als in de hand gelegd worden, opdat hij die, in de kracht des Heiligen Geestes, gelovigen voor zich zou aangrijpen en vasthouden? Immers zegt ons de Heilige Schrift niet duidelijk, als een algemene en ontwijfelbare waarheid, dat “een mens geen ding kan aannemen, zo het hem uit de Hemel niet gegeven zij?”Joh.3:27.

Maar hoe zal ooit enig mens de Heere Jezus Christus, die de heerlijkste gave van God en verre boven alle dingen is, met zijn hart voor zijn algenoegzame Verlosser en Zaligmaker immer gelovig kunnen aannemen, zolang hij door ongeloof nog blijft weigeren, om de beloften des Heiligen Evangelies aan te nemen, door welke Christus hem alleen uit de Hemel, door God Zelf tot een Zaligmaker gegeven wordt? Voorwaar, indien wij slechts door onze aanhoudende blindheid en ongelovigheid Gods onbedrieglijke genadebeloften in het Evangelie aan een zijde stellen en die verwerpen, dan is het immers zeker dat nu de weg om gelovig tot Christus te komen, en Hem als onze Zaligmaker te omhelzen, zo gans voor ons gesneden en toegesloten is, alsof er nimmer enig woord des Evangelies van God aan ons gezonden of aan de wereld geopenbaard was. En wat kan dan al ons nu helpen? Immers meer niet, dan het de verworpenen in de hel ooit kan helpen, dat zij ook schreien en bidden op hun wijze zonder ophouden om Christus en de genade; naardien God geen Evangelische beloften in de hel immermeer laat prediken, maar alleen aan hen die leven op de wereld.

5. Het kan niet anders dan ten uiterste schadelijk en gevaarlijk zijn, wanneer degenen, die van hun ongeloof en hun vijandschap tegen Christus nog nimmer recht overtuigd zijn geweest, nochtans rust voor hun zielen willen scheppen uit een gemene en onvolkomen wettische overtuiging, die hen niet gans vernedert en vatbaar maakt voor de vrije genade des Evangelies.

Tot de zodanigen en van al hun eigenwerkelijke woelingen en pogingen om een Christus te bekomen in een weg des ongeloofs, moet billijk ook gezegd worden, in een geestelijke zin: gij zijt vermoeid door uwe grote reis; maar gij zegt niet: het is buitenhope; gij hebt het leven uwer hand gevonden, daarom wordt gij niet ziek, Jes.17:10.

Wat is het een dodelijk en schrikkelijk bedrog des satans, dat de mensen, die geen Christus om niet ontvangen willen uit de hand van Gods genadige belofte, nochtans zo zeer bekommerd zijn en zo rusteloos arbeiden om een ingebeelde Christus voor hun arme zielen nu te gaan smeden uit enige gebrekkelijke en gemene overtuigingen, die zij in zich bevinden, en dat zij de grondwillen leggen in hen zelven dan in de onfeilbare beloften van een God der waarheid, Die niet liegen of bedriegen kan!

Daar is maar een enig fundament voor de arme gelovige zondaren, om hun Christendom en de hope der zaligheid daarop neder te stellen, en niemand kan een ander fundament leggen, hetwelk zijn ziel zal kunnen dragen en behouden, dan hetgeen door God Zelf voor ons gelegd is in de beloften des Evangelies, hetwelk is Jezus Christus, 1 Cor.3:11.

De mensen mogen uit de overtuigingen en uit de werkzaamheden, die zij bij zichzelf bevinden, dan eindelijk besluiten, dat zij een Christus hebben, doch zij kunnen lichtelijk, door deverleiding des satans en door hun eigen geestelijke blindheid,duizend en meermalen hierin zeer jammerlijk bedrogen worden.

Maar degenen, die dit besluit oprecht gelovig, door de werking des Geestes, alleen opmaken uit de beloften van Gods genade in het Evangelie, die maken een waarachtig en onfeilbaar besluit van deze zaak, hetwelk zo vast en zeker is als God Zelf, Die Christus aan ons in het Evangelie uit loutere genade, tot een Zaligmaker geschonken heeft.

Och, of de Heere mocht geven, dat een ieder, die dit leest, en die tot nog toe zo los met een geconcludeerde Christus in zijn inbeelding daar heen gewandeld heeft, dan nog heden daarvan eens recht ontdekt kon worden, en dat hij bewogen werd, teneinde een waarachtige Zaligmaker te zoeken voor zijn arme ziel, zichzelf als een geheel verloren en rampzalig zondaar, oprecht gelovig te wenden tot het genadevolle Evangelie des Heiliges Geestes.

O, mijn vrienden! staat hierbij toch eens stil met uw harten, indien het immers mogelijk is, en wordt toch van al uw valse droggronden eens recht overtuigd, en dat gij met al die gemene bekommernissen, woelingen en werkzaamheden, in uw blinde ongelovigheid, nog gans gescheiden en vervreemd blijft van de zalige gemeenschap van de Heere Jezus, en alzo nog gebonden blijft liggen onder de vloek en toorn des Almachtigen Gods; en wilt toch, door het zielbewerkende licht des Heiligen Geestes, dat u nu nog beschijnt, een klare en grondige kennis nemen van Gods genadige “belofte in Christus door het Evangelie,”Ef.3:6. Ziet toch en verstaat, dat Christus, met al Zijn algenoegzaamheid, van stonden aan waarlijk de uwe zal zijn, indien gij Hem maar oprecht gelovig uit de hand van Gods onbedriegelijke genadebeloften om niet, voor uw Christus en Zaligmaker alzo wilt aannemen. Zodra gij hier eens recht uw ogen zult mogen openen, dan zult gij aanstonds zeer klaar gewaarworden hoe gij tot nog toe door uw ongelovigheid aan Godswaarachtig Evangelie een Christus tevergeefs gezocht en dus lang op de gebroken rietstaf van een ingebeelde Christus helaas met uw ziel geleund hebt.

En ziet, van stonden aan zult gij dan van de Heilige Geestdoor het helder schijnend licht des Evangelies, volkomen in de grond van uw gans rampzalige en verdoemelijke staat overtuigd worden en gij zult uw gemis van Christus en van alle zaligmakende genade zeer levendig gewaar worden en hoe ge tot hiertoe niets gehad hebt van de Geest des waarachtigen geloofs, om te putten uit de diepe fontein des Evangelies, van het levende water der genade, hetwelk gans om niet voor u te bekomen was, zodra gij maar een recht arme van geest geworden waart, en “een hongerige en dorstige naar de gerechtigheid”, Joh.4:11,Matth.5:3,6. Gij zult dan ook aanstonds klaar zien, gelijk de zon schijnt in hare kracht, dat al die begeerten, welke gij voorheen dacht te hebben naar de Heere Jezus, enkel blindheid en ongeloof geweest zijn en dat gij Hem nog nimmer begeerd hebt met een waar gelovig en vernederd hart te ontvangen, alleen op grond van de genadige belofte des Heiligen Evangelies, waaruit gij Hem te allen tijde, als gij Hem maar waarlijk wildet hebben, om niet van God Zelf bekomen kunt. O, hoe zeer zoudt gij uw verdoemelijke en dwaze ongelovigheid dan immers verfoeien! Hoe zoudt gij dan, meteen hartbrekende schaamte, bij uzelf overreed zijn dat de Heere Jezus oneindigmaal gewilliger is om uw Zaligmaker te zijn, dan gij ooit kunt wezen om Hem daarvoor te ontvangen en aan te nemen! Gewis dan zoudt gij ras uw dodelijke vijandschap tegen Christus en uw onwilligheid om met uw ganse hart in Hem te geloven, zeer levendig in uzelve gewaar worden en hoe eeuwig onmogelijk het voor een zondaar is om tot Christus te komen, tenzij dan dat de Vader, Die Hem gezonden heeft, hem trekke”, Joh.6:44 en hoe het minste aasje oprecht geloof een zuivere gave of werk van God is, die hetzelve door Zijn Geest, wanneer wij gans dood liggen inde zonde, in ons gelieft te werken, Joh.6:29. Efeze 2:8. O, gij zoudt dan zekerlijk weten en bekennen met de diepste verootmoediging voor de Heere: “Welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die geloven, naar de werking der sterkte Zijner macht, die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt en Hem gezet heeft aan Zijn rechterhand in de Hemel,” Efeze 1:19,20. Lieve mens! dan zoudt gij niet één ogenblik meer wachten om de verrotte steunsels van uw gemene overtuigingen en van al uw uiterlijkplichten en wettische werken geheel te laten varen om uzelve door de kracht des Geestes met uw ganse hart en ziel te wenden tot dat wonderbare licht des Heiligen Evangelies; en in plaats van de Heere Jezus meer te willen bewegen om u toch ook genadig te zijn, zo zoudt gij nu met een diepe smart enkel betreuren, dat gij bij uzelve geen geloof kunt vinden voor een zo aller genodigste en bereidwilligste Zaligmaker.

Deze is die wonderlijke omkering en verandering, welke het geestelijke licht van “het Evangelie der heerlijkheid des zaligen Gods”, 1 Tim.1:11, alleen kan verwekken in onze zielen. Een verandering die wezenlijk niet minder groot en heerlijk is, dan de eerste schepping der wereld uit enkel niet. Het minste aasje waarachtig geloof, dat een arme zondaar in deze weg des Evangelies door de goddelijke genade mag genieten, is als een nieuw leven en als een zuiver hemels licht in zijn ziel, waar al de ijdele schaduwen van zijn vorig ingebeeld wettisch geloof in een ogenblik gans verdwijnen, want dit “gelove is niet uit ons, het is God gave,” Efeze 2:8. En daarom zal het ook nimmer ophouden in onze harten, hoezeer het ook al somtijds daar geschud, verzwakt en door allerlei aanvechtingen bewogen en geslingerd moge worden, aangezien de Heilige Geest, die dat geloof in ons blijft tot in eeuwigheid.

Ach! of de ontfermende Zone Gods op dit Woord Zijner Evangelische waarheid, eens spoedig wilde rijden in Zijn heerlijkheid bij degenen, die deze dingen aandachtig zullen komen te lezen en dat Hij het geestelijke licht van Zijn hartontdekkende waarheid in hun blinde en verbijsterde zielen genadiglijk wilde uitzenden, om “de duisternis voor hun aangezicht licht te maken en het kromme recht!” Jes.42:16,teneinde zij Hem, die hun ziele lief heeft, niet langer in navolging van de vrouwen, op de dag Zijner opstanding mochten zoeken in het onreine en donkere graf van hun eigen zelve, maar alleen in het zielverlichtende Evangelie van Gods volle en vrijegenade.

Want ziet: “De tijd is nu vervuld en het Koninkrijk Gods is nabij gekomen.
Bekeert, bekeert u dan, o mensen! en gelooft het Evangelie, “Markus 1:15.”

Uw aller heilbegerige en waarheidlievende
onwaardige dienaar in de Heere Jezus,
THEODORUS VAN DER GROE

Kralingen, 20 juni 1755