Ds. P. Den Ouden zet HHG Katwijk aan tot geestelijke hoererij omtrent HA

Posted by admin | | dinsdag 23 september 2014 10:15 pm

ds-p-den-ouden-hhk-driebruggen

Want een vrouw, die onder den man staat, is aan den levenden man verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet des mans. Daarom dan, indien zij eens anderen mans wordt, terwijl de man leeft, zo zal zij een overspeelster genaamd worden (Rom. 7:2-3a)

 

Wanneer een jonge vrouw verlangt naar gemeenschap met haar aanstaande man dienen zij ervoor te waken niet in de zonde van overspel te vallen, om zich rein te bewaren voor het huwelijk. Die jonge vrouw kan veel van haar aanstaande man weten, wat voor karaktereigenschappen hij heeft, wat voor werk hij doet, waar hij woont, hoe zijn huis is ingericht, wat voor smaak hij heeft, wat hij graag eet, waar hij van houdt, of hij vermogend is…etc, maar toch kan zij dit pas met hem delen wanneer zij voor de wet dezelfde achternaam heeft als haar man en in gemeenschap van goederen met hem is getrouwd. Dan is al het zijne het hare en al het hare het zijne geworden, dan heeft zij de heerschappij van haar opvoeders achter zich gelaten, en is zij gekomen onder de heerschappij van haar man die ze liefheeft. Voorheen mopperde ze weleens wanneer ze voor haar ouders de aardappels moest schillen of de afwas moest doen, maar nu doet ze het dagelijks met liefde en veel genoegen voor haar echtgenoot.

 

Misschien wel een mooi beeld van de heerschappij der wet en de heerschappij der liefde, maar tevens een gevoelig onderwerp in de HHG van Katwijk aan zee, en dan wel in tweeërlei opzicht te verstaan. Wat bedoel ik hiermee? Er zijn op dit gebied de laatste tijd droevige dingen gebeurd die als een stille mare door de gemeente gingen. Een jongeman uit de gemeente maakte een meisje zwanger om haar vervolgens in de steek te laten. Van het meisje werd bij de doop van haar kindje verwacht schuldbelijdenis voor God en de gemeente te doen, maar de jongeman was in geen velden of wegen te bekennen. Het mocht hem eens tot schuld worden voor God, voor de gemeente, en voor dat meisje. Dominee Den Ouden had het er best druk mee, het enige wat hij vergat was die jongeman uit de gemeente onder de kerkelijke tucht te plaatsen, in de stille hoop en bede dat deze tucht zijn medische uitwerking mocht gaan uitwerken. Maar niets was minder waar! Ik wil hier vanwege de gevoeligheid van het onderwerp niet teveel over uitwijden, als u eens wist wie ik in mijn jeugd zelf ben geweest. Want dan kom ik naast deze jongeman en jonge vrouw staan, met gescheurde kleren en as op m’n hoofd, want ik was (en ben nog steeds) geen haar beter. Het bloed van Jezus Christus Gods Zoon reinigt ook van deze zonde. Maar Gods recht komt altijd wel voor Zijn liefde, want voordat Hij Zijn liefde in Christus instort door de Heilige Geest daar scheurt en doorsnijdt Hij het wenende hart van een berouwvol zondaar door het stenen mes van Zijn Goddelijke gerechtigheid. Dat schenke den Heere uit vrije genade om niet, om Jezus wil, aan hen beiden die het betreft. Het gaat mij in deze niet zozeer om de zonde van hoererij, dat overigens in ons aller verdorven vlees leeft, aan te wijzen, maar te meer hoe er kerkelijk over dit soort dingen wordt heengeleefd door het recht telkens te buigen. Ik hoorde dat ds. Den Ouden erg geschrokken was van de losbandigheid onder de jeugd in zijn nieuwe gemeente die zich buiten het huwelijk zo gemakkelijk aan elkaar weg gaven. Katwijk was in zijn ogen derhalve vast een goddeloze wereldstad bij vergeleken zijn vorige gemeente Wouterswouden waar hij vandaan kwam. Er werden zelfs avonden gehouden met Bijbelse voorlichting over hoe de jeugd voor het huwelijk met elkaar behoort om te gaan.

 

Maar nu komt het! Waar Den Ouden de mug uitzuigt omtrent het voornoemde, daar verzwelgt hij de kemel door het heilige recht Gods keer op keer te verbuigen en te krenken, door geld uit te wegen voor hetgeen geen Brood is en arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan. Dit is namelijk de keerzijde van het beeld dat ik u eerder noemde! Waar ds. Den Ouden het zo nauw neemt met de Bijbelse normen en richtlijnen voor de betreding van het huwelijk, daar zet hij op geestelijk terrein de gemeente in Woordbediening en in Sacramentsbediening aan tot het bedrijven van geestelijke hoererij. Want, wanneer je veel van de Heere Jezus hebt gehoord, veel van Hem kent en weet, iets van Zijn rijkdom en barmhartigheid hebt gezien, naar Hem verlangd, ondanks dat je zonden nog niet bedekt en vergeven en je derhalve nog geen vrede kent met God, en daarom met Hem nog niet bent verenigd door het geestelijke geloofshuwelijk, mag iemand toch komen tot Zijn Tafel om daar gemeenschap met Hem te hebben. Zij die nog getrouwd zijn met hun eerste man, dat is: zij die nog niet gestorven zijn aan de werken der wet voor God, werden zonder prediking van recht (=afsnijding) en gerechtigheid (=inlijving) genodigd en van harte welkom geheten tot gemeenschap met de Tweede Man die zij zoeken te verlangen en begeren. Afgelopen zondag en de zondag van voorbereiding werden de zielen uit onze gemeente op dergelijke wijze misleid om op dit soort droggronden en zulk waangeloof de dood des Heeren te verkondigen. Zie daar ondermeer waarom straks het oordeel zal beginnen bij het huis Gods. Meer dan twee lange tafels werden gevuld. Sommige spraken zelfs van een geestelijke opwekking in de gemeente. Dat is toch wat! Ik hoorde zelfs over sommige vrouwen uit de gemeente die zich afvroegen wanneer je nu een kind van God bent, en wat er van node is om deel te mogen aan het HA. Mensen lees de oudvaders dan eens, lees dan eens aandachtig hoe John Warburton zijn eigen bekering omschrijft en leg uw hart er eens naast. Trap en mate kan verschillen, maar hier kent en verstaat ieder kind van God toch wel iets van. Lees ook het befaamde werk van Matthew Meade ‘De bijna-christen ontdekt’, en merk op hoe scherp deze man destijds al separeerde. Hoe lang zal den Heere HEERE dit nog aanzien en verdragen, zonder deze genade-voor-recht-prediking te zoeken en vinden? Kerken van (3 mln) goud, en dominee(s) van hout!

 

Hoe geheel anders was dit in de prediking van wijlen ds. J. Catsburg die het zo vaak zei: “…waar een zondaar omkomt, daar kan genade inkomen”. Maar bij Den Ouden zijn ze geestelijk al opgestaan voordat men een geestelijke kruisdood gestorven is. Ze veinzen er deel aan te hebben, maar hun spraak maakt hen openbaar. Bedenk dat de dwaze maagden met een schijn van godzaligheid de Bruidegom ook lief hadden, maar Hij kende hen niet. Christus op de tong gehad, maar nooit Zijn vlees gegeten en Zijn bloed gedronken tot geloofsvereniging. Dit is de scherpe separering in de prediking van de godzalige Puriteinen die Den Ouden vergeet aan te halen, hij citeert hen hoe het hem aanstaat en uitkomt. Het kleine verschil tussen sibboleth en schibboleth, ofwel het verschil tussen hemel en hel. Om die taal te kunnen spreken moeten we geestelijk in Kanaan geboren zijn door geestelijk in Zijn kruisdood en opstanding gedoopt te zijn geworden(Rom. 6:3-7). Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonden. Dat is afgesneden zijn van de heerschappij der verderfenis, gestorven onder de eis van Gods heilige Wet tot volkomen betaling. Hoeveel Avondmaalgangers zouden hiervan kunnen getuigen, uit vrije genade om niet? Maar ook van de zalige stonde die daarop volgde toen Christus voor hen ging betalen en in hun plaats ging staan, en hoe de Heilige Geest het uit Hem nam en het hen verkondigde tot zaligheid en vrede, met zulk een liefde gepaard waaronder zij dachten te sterven en heen te gaan om altijd bij God te wezen. Ik wenst allen, lezer. Maar laten we nuchter zijn en waken, en vooral niet teveel blijven dromen waarin de wens uiteindelijk de vader van de gedachten wordt. In heel de Bijbel stond het offer centraal, dit behoort in ons leven voor God niet anders te zijn. Wij kunnen het niet doen met een waangeloof en mogen het niet wagen met een ongegronde valse hoop dat wij in dit enig Offer ooit eens besloten mochten zijn. Laatst vroeg een zus van mij aan ds. Vlietstra: “dominee, hoe kan men weten hier deel en gelovig kennis aan te hebben als dit in de gemeente haast niet meer zielsbevindelijk gepredikt wordt?”

 

Hoe lang zal het duren voordat God de Heilige Geest geheel geweken is van onze gemeente die op dergelijke wijze een vloek over zich heen haalt door zich keer op keer een oordeel te eten en drinken? Ik wenste werkelijk dat het allen bekeerde zielen waren die deelnamen, ik ken de meesten van hen niet, maar wat zou onze gemeente dan uitblinken van godzaligheid! God alleen weet het! Maar ik vrees weleens dat de honden aangaan en de kinderen treurend blijven zitten. Hoe kan het dan dat al die verondersteld bekeerde Avondmaalgangers rustend op het volbrachte werk van Christus zich dan iedere zondag maar weer stenen voor broden laten verkopen door zulk een werkheilig predikant, die meer roemt in de werken der wet dan in het volbrachte werk Christi, en zich daarmee meer betoond een dienaar van Mozes in plaats van de Meerdere Mozes te zijn, te blijven verdragen? Hij zet de gemeente aan hun leven te beteren voor God om geschikt te worden voor Gods’ genade. Waar de vloek der wet ten dode gepreekt behoort te worden, preekt hij de de werken der wet ten leven en tot zegen. Dit is hetzelfde valse evangelie naar de mens gelijk destijds de valse leraren onder de Galaten preekten. Waar de eerste man nog leeft, kan de Tweede man geen kracht doen! Want een vrouw, die onder den man staat, is aan den levenden man verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet des mans. Daarom dan, indien zij eens anderen mans wordt, terwijl de man leeft, zo zal zij een overspeelster genaamd worden. In de zakenwereld wordt een koopman laaiend wanneer men hem knollen voor citroenen probeert te verkopen, maar wanneer het om het geestelijke gaat is men lauw en kan er haast alles mee door. Hoe komt dat? Er is haast geen geestelijke kennis meer. Van deze onkunde maakte Rome destijds handig gebruik door te heersen over het geweten der zielen die hen toevertrouwd waren. Maar wee diegene(n) die op grond van Gods Woord hiertegen durft te protesteren. Heb ik er mijn vermaak in deze dingen luidkeels uit te roepen? Ik schrijf het met een bedroefd hart. Eigenlijk moesten deze dingen niet gezegd hoeven worden, maar nu werd het tijd. Wat ik hier luikeels uitroep zonder in te houden, denken sommige ouderlingen van Den Ouden misschien ook wel in hun hart maar ze zijn te laf om publiek te protesteren tegen deze goddeloze vermenging van wet en evangelie. Ook deze mannen dragen in deze geen geringe verantwoording. Elke zondag maar weer meeveinzen en achter deze dominee aanhobbelen, handen geven en jaknikken terwijl ze het in hun hart er wezenlijk niet mee eens zijn. Hoe lang zal het nog duren voordat deze Nicodemussen te voorschijn komen en gaan durven spreken om te getuigen Wie zij dienen? Zo niet dan vrees ik met grote vreze, en dan zou ik niet graag in hun schoenen durven staan…voor God en de gemeente over wie ze kerkelijk gesteld zijn geworden. Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?

 

Predik het woord; houd aan tijdelijk, ontijdelijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer. Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leraars opgaderen, naar hun eigen begeerlijkheden; En zullen hun gehoor van de waarheid afwenden, en zullen zich keren tot fabelen. Maar gij, wees wakker in alles, lijd verdrukkingen; doe het werk van een evangelist, maak, dat men van uw dienst ten volle verzekerd zij.

 

 

D.J. Kleen

 

 

———————————————————————————-

 

 

Naschrift door John Warburton: “Toen ik thuis kwam, vond ik daar twee of drie personen, die ons dikwijls op zondag kwamen bezoeken. Zij hadden deze morgen enige benodigdheden meegebracht, de een dit, de ander wat anders, zodat we wel voorzien waren voor de gehele dag. God opent de vensters des hemels en laat de barmhartigheden over mij regenen, dacht ik, zo rijkelijk vervult Hij al onze behoeften. O, wat werd mijn arme ziel weggerukt met lof, en dankzegging aan God voor Zijn wonderlijke vriendelijkheid aan mij, de onwaardigste en minste van al Zijn Heiligen, de grootste der zondaren, bewezen! En wat was het mij wonderlijk, dat de predikanten, die ik gewoonlijk hoorde, nooit spraken van deze heerlijke en wonderlijke uitreddingen, die God beide in de voorzienigheid en in de genade, aan Zijn volk bewijst. Maar ik werd spoedig gebracht om de reden daarvan te verstaan, namelijk, dat ze ten enenmale vreemd waren aan deze uitreddingen. En hoe konden ze ingaan in dingen, die ze niet kenden, die hun ogen niet gezien, hun handen niet getast, hun oren niet gehoord hadden, en waarop hun zielen nooit onthaald waren geworden? Hadden zij deze dingen ondervindelijk in hun zielen gekend, zij hadden daarvan moeten spreken. Zodra ik tot de ontdekking kwam, dat zij van deze dingen niets afwisten in hun eigen zielen, verklaarde ik niet te kunnen geloven, dat God ze gezonden had om te prediken en dat zij derhalve blinde leidslieden waren, wolven in schaapsklederen. Dit verbitterde hen en hun aanhangers zozeer tegen mij, dat zij zelfs het gezicht van mij niet verdragen konden of mijn naam horen noemen. “O, ijselijk!” zeiden enigen van hen, “hebt gij gehoord wat John Warburton van onze waarde leraar zegt? Hij zegt, dat God hem nooit heeft uitgezonden om te prediken, en dat bijna alle leraren, die in onze kerk komen prediken, blind en doof zijn.” “O”, riep een van de vroomsten uit, “ik wilde, dat hij dood was, want er is geen vrede waar hij komt.” “Ja”, zei weer een ander, “ik wou dat hij uit het land was.” Maar toch bleef ik bij mijn bewering, dat als God ze gezonden had, zij moesten komen met de boodschap van God, de voetstappen der schapen opsporen, de stenen des aanstoots uit de weg doen, de gebaande weg aanwijzen en de banier voor het volk opheffen. 

 

Een of twee van het volk begonnen te zien, wat ik zag en te geloven, dat hun leraars de weg niet kenden. Dit verbitterde hen des te meer. “Wel”, zeiden ze, “hij heeft het hoofd van hen vergiftigd. Er zal nooit vrede kunnen zijn, waar hij komt.” Toen poogden zij zich in woede tegen mij te stellen, maar dit hinderde mij niet zeer. God gaf mij zulk een moed en vrijheid om van tijd tot tijd mijn consciëntie voor hen allen vrij te maken met een “Alzo zegt de Heere”, dat ze mij niet konden weerstaan, noch leraar noch leden. Somtijds dacht ik, laat ik er toch geen notitie van nemen, wat de leraars zeggen en trachten te zijn net als de rest; en zijn er dan dingen, die mij niet aanstaan, wel, laat ik die voor hen laten en tenminste mijn tijd wat vrediger doorbrengen. Volg ik dit op, zo redeneerde ik, dan zal ik meer vrienden hebben, en dit zal mij ten goede komen, aangezien ik zeer arm en dikwijls in moeilijke omstandigheden ben. Maar als ik de leraar weder ging beluisteren en ik hoorde hem dan met zijn “behoren te doen”, zijn “moesten doen”, “konden doen” en zijn “plicht te doen”, dan rees mijn hart tegen zulk een leerstelling op. Niet zo spoedig was ik dan uit de kerk of ik gevoelde het mijn plicht er op in te slaan en het in stukken te trekken. Daarmede zette ik alles in vlam en werd er dan ook geloofd, dat het een onvergeeflijk iets was, de leraar te weerstaan. En dan ik, die zo arm was en in een kelder woonde! Die niet half zijn buik vol eten kreeg en nauwelijks kleren had om zich te bedekken! En dan ik alleen van al het volk, zou het ondervinden om te zeggen dat de leraar het mis had, dát was niet te verdragen! Doch het grootste verdriet voor hen was, dat zij mij niet uit het veld konden slaan met het woord van God. O, wat bespiedden zij mijn uit- en ingaan; wensende met hun ganse hart, dat zij eerlang in staat mochten zijn te zeggen: “Aha, zo wilden wij het hebben.” Maar God gaf mij een tedere consciëntie, zodat ik in staat gesteld werd, zij het in een geringe mate, naar het Evangelie te leven, daarmee voor de dag te komen en dit te verdedigen. Wat schold ook hun ‘vrome’ leraar mij menigmaal op de preekstoel als een blind ijverend antinomiaan. Wat woedde en raasde hij tegen mij! 

 

Kort daarop echter kwam het uit dat deze vrome leraar zich wat al te vrij had ingelaten met een vrouw, om welke reden hij uit zijn bediening ontslagen werd. De onbetekenende antinomiaan doorstond de storm, zonder dat hem iets deerde, en werd vriendelijk bewaard van een smaad te leggen op de waarheid. Maar ik moet terugkeren tot de blijdschap die ik had in het beschouwen van de goedheid Gods, door het hart van deze mensen te bewerken dat ze ons in zulk een tijd van nood zo milddadig wilden gedenken. De een bracht wat boter en suiker, een ander een stuk brood, weer een ander wat aardappelen en varkensvlees. O, wat werd mijn tong losgemaakt om God te loven! Want we werden zo rijkelijk voorzien als koningen en prinsen. Wat meer is, ik benijdde niemands positie op aarde, want ik had alles wat mijn ziel en lichaam wenste, genoeg levensmiddelen in huis en liefde Gods in mijn hart en dat maakt inderdaad rijk en voegt er geen smart bij. De volgende dag kreeg ik mijn werk af en kon weer andere levensmiddelen kopen. Waarlijk, dacht ik, ik kan nooit zo’n genadig, barmhartig, lankmoedig en getrouw God, Die mij zo vriendelijk tot op deze dag geleid heeft, meer wantrouwen. Maar ik heb altijd in dit tranendal ondervonden, en ik geloof, dat dit mijn ervaring zal zijn zo lang ik leef, dat als ik een zoete dag van voorspoed beleefd had, een dag van tegenspoed daarop volgde.” (Uit: Weldadigheden van een VERBONDSGOD)