Michel Herlin de Oude te Valencienes onthoofd

Posted by admin | | woensdag 25 mei 2011 2:22 pm

Nadat de stad Valenciennes overwonnen was, liet de markies van Bergen, gouverneur van Henegouwen en Valenciennes, voor hij de Nederlanden verliet, om naar Spanje tot de koning te gaan, vergezeld van Floris de Montmorency, heer van Montigny, drie compagnieën soldaten, uit de burgers genomen, achter, om de stad te bewaren en gehoorzaamheid aan de koning in te scherpen. Michiel Herlin, de vader, was tot kapitein van een dezer compagnieën gekozen; en, omdat deze veel wanorde en ongebondenheid zag, verlangde hij zeer van zijn post ontslagen te worden. Hij werd echter op het stadhuis geroepen, waar zij verlangden, dat hij de hem opgedragen last zou blijven volvoeren tot betere veiligheid van de stad. En, daar hij gedurende het beleg de stad niet had willen verlaten, noch huisraad of goederen uit zijn huis halen, om daardoor niemand te ontmoedigen, wilde hij ook de stad niet verlaten, nu zij ingenomen was. Tot zijn vrienden en familie, die hem dit aanraadden, zei hij, dat hij niets gedaan had, waarover hij zich niet zou kunnen verantwoorden en alles met genoegzame grond staande houden. Van de 23e Maart 1557, toen de stad overgeleverd was, bleef hij rustig, totdat enige hongerige edellieden in het geheim elkaar beloofden het overschot van het kostbare huisraad en andere goederen in de stad, zoals zij gedurende het beleg gedaan hadden, naar buiten in alle heerlijkheden, kastelen en speelhuizen rondom de stad te brengen. Op de 26e Maart, des avonds ten negen uur, toen hij zich ter rust wilde begeven, kwam Goiny, de gouverneur van Quesnoy, in gezelschap van zekere Hemet en anderen, ten huize van Michiel Herlin, de Oude, en gaf hem te kennen, dat zij belast waren hem van ’s konings wege gevangen te nemen. Herlin vroeg, waarom zij zolang gewacht had, en waarom hij niet bij dag was gekomen om hem gevangen te nemen. Guiny zei hem daarop, dat hij hem die schande niet had willen aandoen. Terwijl Herlin zich kleedde, zei hij hem, dat hij dit geen schande achtte, aangezien hij niets gedaan had zonder bevel van de overheid en van de raadsheren der stad. “Kies nu,” zeiden zij, “waarheen gij wilt geleid worden: naar de gevangenis of naar het huis, dat gij laat bouwen op de grote markt.” “Het is mij om het even,” zei Herlin, “maar, indien het u behaagde mij in dit huis gevangen te laten, en daarvoor een wacht plaatste en ook achter het huis, zo veel u goeddunkt, zou ik dit veel liever hebben.” Goiny antwoordde, dat hij de volgenden dag met de gouverneur zou spreken, en bracht hem intussen naar het huis op de grote markt. In die nacht werden velen Hervormde gevangen genomen, onder wie zich ook bevond Roelandt le Bouck, neef van de vrouw van de genoemde Herlin, die daarna de dood zeer standvastig onderging, zoals hierna zal worden meegedeeld. Gedurende deze gevangenschap van Herlin, vond hij zijn troost in het lezen van de psalmen van David, enige gebeden en de Catechismus, die zij hem hadden toegestaan mee te nemen, voor hij zijn huis verliet. De vrucht van de prediking van het goddelijke Woord, die hij naarstig had bijgewoond, toen men te Valenciennes het Evangelie van Christus in het openbaar predikte, doodde in hem de strijd en het mishagen, welke hij ondervond bij zulk een ongelukkige verandering. Het gebeurde ook, wat zeer opmerkelijk is, dat de almachtige God door Zijn voorzienigheid, om hem tot deze strijd voor te bereiden, kort tevoren, voor de stad belegerd werd, hem in handen liet komen de geschiedenis der martelaren. waarin hij ‘s morgens en des avonds naarstig las, zodat de belijdenis van zijn geloof, die hij bijna dagelijks aflegde, genoegzaam de vrucht liet blijken, welke hij daaruit verkregen had. Overvloedig toonde hij ook zijn christelijke ijver bij het ondervragen over de waarheid, dat herhaaldelijk plaats had, niet alleen in tegenwoordigheid der edellieden, die de stad hadden ingenomen, maar ook in het bijzijn van de opperbeambte van Genten de afgevaardigden in deze zaak. Zijn vrienden drongen bij voortduring bij hem er op aan om op zijn verlossing bedacht te zijn. Ja, zijn schoonbroeder, een advocaat, was van Arras te Valenciennes gekomen, en stelde een verzoekschrift op, om dat het hof te Brussel aan te bieden, waarin hij vooral wees op zijn ouderdom en op alle omstandigheden van genoemde gevangene, dat hij, evenals zijn ouders, geleefd had volgens de bepalingen en besluiten van de moeder, de heilige roomse kerk, en dat hij daarin wilde volharden tot het einde. Toen dit verzoekschrift aan Michiel getoond en hem voorgelezen werd, zei hij tot zijn schoonbroeder: “Schrijf, dat ik vroeger volgens de roomse kerk heb geleefd, maar dat ik voortaan daarin niet meer wil blijven, al moet ik daarom leven en bezittingen verliezen.” Zijn vrienden verwonderden zich over dit antwoord of liever over de wonderbare standvastigheid, die zich in hem openbaarde.

De 29e Mei wist hij noch iemand der zijnen, dat hij de volgende dag moest sterven. Hij verlangde, dat zijn vrouw en kinderen bij hem zouden komen eten. Onder het eten vroeg hij aan zijn vrouw, wat zijn schoonbroeder, voor deze naar Brussel vertrok, tegen haar gezegd had. Zij zei, dat hij zeer vertoornd was om de woorden, die Herlin in het verzoekschrift wilde opgenomen zien., doch dat hij echter gezegd had zijn best te willen doen aan het hof. Michiel antwoordde daarop: Het verwondert mij, dat gij zulke dingen gelooft, of daarop vertrouwt. Ik ben verzekerd, dat zij, na het antwoord gezien te hebben, dat ik er heb bijgevoegd, geen haarbreed zullen wijken, daar ook ik in geen dele gezind ben te veinzen en geen twintig of dertig duizend gulden wil beloven om mij van de dood vrij te kopen. Indien het hof ook al enige gunst bewees, zou dat alleen zijn onder voorwaarde om voortaan te moeten leven volgens de wetten en bepalingen van de roomse kerk, wat ik nooit doen zal, Ten andere heb ik bemerkt, dat het hof niet anders zoekt dan ons te doden, teneinde zich met onze bezittingen te verrijken. Ik heb dezer dagen een betere vermaning gehad door het lezen van de Heilige Schrift, waarin ik las, dat onze Heere voorspelt, dat wij zullen geleid worden voor koningen en vorsten om Zijns naams wil, en zij ons zouden doen sterven en anders verwacht ik niet.”

Van de 17e April aan was hij een dagboek begonnen te schrijven bij wijze van testament en aanbeveling voor zijn vier zonen, die hij naliet. En, daar hij geen andere dingen te beschikken had in deze wereld dan zijn zonen goede lessen na te laten, verzocht hij zijn broeders en zusters, dat zij zijn kinderen toch in nood en druk zouden helpen, en beval daartoe aan elke broeder en iedere zuster een zijner zonen aan, die hij met naam en toenaam noemde. Na dit laatste avondmaal nam hij afscheid, vermaande ieder zeer ernstig, zoals dit bij het scheiden vooral nodig is, en beval hun bovenal te leven in de vrees Gods en in liefde tot de naaste.

De volgende dag, de 31ste Mei, des ochtends om drie uur, kwam de beambte tot hem, om hem zijn doodvonnis aan te zeggen, en wel dat hij met het zwaard op de grote markt zou worden gedood. “Zeer goed!” zei Michiel, “en hoe laat zal dat plaats hebben?” De beambte antwoordde: “Omstreeks zes uren in de morgen.” “Dan zal ik nog”,” zei Michiel, “twee uren of daaromtrent leven.” Terstond stond hij op en begon zich te kleden, terwijl hij door negen soldaten bewaard werd.

Nadat de beambte was vertrokken, zond Michiel zijn knecht naar zijn vrouw, om haar voor het laatst van hem te groeten, en mee te delen, dat hij zijn doodsvonnis vernomen had. Al zijn troost zocht hij in het lezen en horen lezen van de heilige Schrift, totdat zijn knecht was teruggekomen, die hem de laatste groet van zijn vrouw bracht, aangezien de soldaten in zo groot aantal de markt rondom bezet hadden, dat het haar niet mogelijk was voor het laatst bij haar man te komen. Na de terugkomst van de knecht, liet hij deze de gebeden, die men gewoon was,in de gemeente te gebruiken, overluid, in de tegenwoordigheid van de soldaten, die hem bewaarden, voorlezen. Zijn hart en gedachten waren zo ijverig met het gebed en de aanroeping van de naam Gods bezig, dat hij, toen deze gebeden waren geëindigd, die opnieuw liet herhalen, totdat de beambte kwam om hem te halen, die hem, terwijl hij de hemelse Vader door Jezus Christus aanriep, naar de strafplaats bracht, waar hij, onder grote volharding, werd onthoofd, terwijl hij zijn geest in de handen van zijn hemelse Vader overgaf.

http://www.iclnet.org/pub/resources/text/nederlandse/haemstedius-martelaren.htm#702

Michiel Herlin, de Jonge, zoon van Herlin, de Oude, over wie wij boven gesproken hebben, werd mede om de belijdenis der waaiheid in deze tijd te Valenciennes gevangen genomen. En, daar hij vooral beschuldigd werd, dat hij enig toezicht en zorg had uitgeoefend over de hervormde gemeenten, en bekend had, dat hij had behoord tot de kerkenraad te Antwerpen, beschuldigde men hem van deel genomen te hebben aan de vergadering te St. Truijen in Brabant, waar hij zich had aangesloten aan hen, die het verzoekschrift en de beloften van de edelen en verenigde heren goedkeurden. Naar de punten van zijn geloof vroegen zij hem niet, want hij deed een openbare belijdenis van de ware leer van het evangelie zoals die in de hervormde gemeente werd onderwezen, met grote vrijmoedigheid en volharding des geloofs. Men vroeg hem naar de redenen waarom en de middelen waardoor de bewoners van Valenciennes het beleg van de stad zolang hadden uitgestaan, waarop hij met zulk een wijsheid en voorzichtigheid antwoordde, dat zij uit zijn woorden niets konden besluiten, dat tot nadeel kon strekken van de algemene welvaart van de stad Valenciennes.

Twee broeders van zijn vrouw, die beiden hun leven in de roomse studie hadden doorgebracht, kwamen van Rijssel en gaven voor, dat zij gekomen waren, om op alle mogelijke wijze de verlossing van hun schoonbroeder te beproeven, doch de uitkomst toonde duidelijk, dat zij gekomen waren, om hun zuster met zich naar Rijssel te nemen, en daar beroofd te worden van de kennis, die zij van de ware godsdienst had, en van de genegenheid en liefde, die zij haar man toedroeg. Zij maakten deze goede vrouw wijs, dat zij haar naar het hof te Brussel zouden brengen, en daar, door de gunst van enige grote heren, van de hertogin van Parma de verlossing van haar man wel zouden weten te verkrijgen en dat de bisschop van Arras zich daar ook zou laten vinden, om hem in deze zaak te helpen. Deze jonge vrouw, die reeds enig voorgevoel scheen te hebben van wat haar zou overkomen, ging met grote droefheid en haars ondanks, zeer ontmoedigd op een wagen zitten, die haar broeders reeds vroeger gehuurd en besteld hadden. Haar schoonmoeder was daarbij tegenwoordig, die door haar droevig gelaat en haar tranen bij deze jonge vrouw haar droefheid nog vermeerderde, en nam van haar een zeer droevig en aandoenlijk afscheid. Aldus werd Herlins vrouw door haar broeders naar Rijssel gebracht. Enige dagen daarna, toen haar bedroefde man het vertrek van zijn vrouw naar Rijssel vernomen had, op wie hij alleen zijn troost in deze wereld gevestigd had, was hij zo te moede, dat de droefheid en het hartzeer daarover niet uit te spreken waren. Toen zijn moeder bij hem in de gevangenis kwam, beklaagde hij zich tegen haar op deze wijze: “Waarom is dit gebeurd, mijn moeder? Ik vertrouwde van u, dat gij nooit zoudt hebben toegelaten, dat zij vertrok. Weet gij niet, dat zij nu reeds gedurende zes jaren alle middelen hebben beproefd, om haar weer naar Rijssel te brengen, teneinde haar af te trekken van de godsdienst, waarin zij zagen, dat zij nu onderwezen werd en dagelijks toenam? Helaas, nu zal men haar nooit meer uit hun handen kunnen verlossen. Och, dat God mij de genade bewees om slechts vierentwintig uren vrij te zijn, teneinde haar weer vandaar te halen! Heb ik dan alle moeite te vergeefs gedaan, met haar te hebben genomen uit het huis van haar moeder, waar zij opgevoed was in een godsdienst van afgoderij, en nu zover gebracht, dat zij ware kennis begon te krijgen van de ware godsdienst, wat ik met zo grote arbeid en ijver door de genade des Heiligen Geestes in haar had opgebouwd! Zal dit nu weer door een hoop goddeloze lieden en afgodendienaars worden afgebroken en omvergeworpen? Helaas, waarom heeft men ten minste niet gewacht, totdat ik de Heere mijn ziel had opgeofferd, zonder wij te kwellen met dit verdriet, dat zwaarder is dan de dood, die ik nu dagelijks verwacht?” Zijn moeder troostte hem zo goed zij kon, en zei: “Michiel, heb geduld; ik beloof u, dat ik morgen naar Rijssel zenden zal, om te vernemen, of zij vandaar naar het hof te Brussel vertrokken zijn. En, indien dat zo niet is, zal geen gevaar mij terughouden om haar weer te halen. En ik vertrouw vast, dat zij met mij zal terug komen; want ik weet zeer goed in welk een benauwdheid en droefheid zij verkeerde, toen zij u verliet, en zo luid schreide en klaagde als ooit een vrouw kan doen om haren man. Zij zou ook nooit een voet buiten deze stad gezet hebben, indien niet haar beide broeders en een dokter, neef van de bisschop van Arras, met een eed bevestigd hadden, dat het was om naar Brussel te gaan, en daar om uw vrijheid te verzoeken, en dat haar tegenwoordigheid met haar jong dochtertje het hart zou bewegen van mevrouw de Regentes.”

Op deze wijze deed de moeder haar best, om de droefheid van haren zoon te bedaren; maar de gedachte aan het gevaar, welke hij had over de ziet van zijn beklagenswaardige vrouw, die nog in de bloei van haar jaren verkeerde, en haar weinige kennis van de ware godsdienst, ging alle menselijke verzekeringen en vertroostingen te boven. In deze zware strijd echter en inwendige droefheid verliet der Heere hem niet, maar vertroostte hem met Zijn goddelijke Geest; zo zelfs, dat deze droefheid en dit bezwaar hem dienstig waren tot een voorbereiding van de tijdelijke dood, die hij iedere dag verwachtte. ‘s Zaterdags de 31ste Mei, die bestemd was om hem met het zwaard te doden, nadat de beambte hem des morgens het doodsvonnis had aangezegd, en er bijvoegde, dat hij zich tot sterven moest bereiden, toonde hij duidelijk door zijn vrijmoedig gelaat, dat hij reeds bereid was. Van de beambte kreeg hij verlof, om de andere gevangenen in deze kerker, die daar zaten wegens de naam van Christus, te bezoeken, en ging, terwijl hij door een goed aantal soldaten bewaakt werd, afscheid van hen nemen, en zei, dat hij hun voorging en zij welgemoed moesten zijn, om hem spoedig daarna te volgen. Hun troost en blijdschap werden vermeerderd door en bleken overtuigend uit de psalmen en lofzangen, die zij voor het laatst samen aanhieven.

Toen hij weer naar het huis van de beambte gebracht was, deelde hij aan de bedienden van het huis alles uit, wat hij bij zich had, tot zijn duffelse jas en buis toe, die hij droeg. Hij deed dit zo ijverig en hartelijk, dat vele soldaten en gevangenen, die daar om hun misdaden zaten, zeiden: “Wij zitten hier gevangen, de een voor een maand de ander nog langer, en wij hebben straf verdiend en men laat ons zitten, en zulke goede mannen doet men sterven.” Niemand was er zo versteend van hart, die niet moest wenen, toen zij de standvastigheid zagen van zulk een edel mens. Michiel gaf bij herhaling zijn blijdschap te kennen en zei: “Ziet hier, ziet hier de gelukkige dag, die ik zo dikwerf gewenst heb, om namelijk te moeten sterven voor de belijdenis van het heilige Evangelie.” In de tegenwoordigheid van de beambte en andere gevangenen zei hij: Het is waar, dat wij op deze dag door de mensen zijn veroordeeld, maar zij, die ons veroordeeld hebben, zullen ook eens moeten verschijnen voor de rechterstoel van Christus en daar zal het voor ieder openbaar worden, met welk recht zij ons hebben veroordeeld.” Aldus ging hij onder grote volharding en goede moed naar de strafplaats, waar hij eerst vroeg, of zijn vader reeds dood was. Op de grote markt gekomen zijnde, wees hij op de rechters, en riep met luider stem: “Ziet daar, ziet daar hen. die ons ter dood veroordeeld hebben. Ik bid God het hun te vergeven.” Toen hij op het schavot stond, werd hem het vonnis. volgens de gewoonte des lands, voorgelezen, dat inhield, dat het hoofd hem met het zwaard zou worden afgeslagen, en zijn bezittingen verbeurd verklaard tot voordeel van de overheid. Op de verbeurdverklaring van zijn bezittingen antwoordde hij: ” Dat is de saus van de vis.” Hij wilde daarmee te kennen geven, dat men eerzame lieden liet sterven, om zich met hun bezittingen te verrijken. Daarna viel hij op de knieën, deed zijn gebed tot de Heere, en hief zijn handen en aangezicht met een vurige ijver naar de hemel. De meest verharde lieden waren tot medelijden bewogen, ja zelfs de beul, die nevens hem op de knieën lag, en naar de gebeden luisterde, die hij uitsprak. Nadat hij gebeden had, sloeg de beul hem het hoofd af. Op deze wijze eindigde deze vrome martelaar zeer gelukzalig zijn leven, tot eer van God en tot stichting van vele lieden, die daar tegenwoordig waren.

In de stad Valenciennes werden in dat jaar meer dan twee honderd lieden op verschillende tijden opgehangen.

Te Kamerijk werd van een predikant, mr. Philippe, de hand afgehouwen, en daarna werd hij met nog enige anderen opgehangen.