Luthers 95 stellingen werden in 1517 door Luther geformuleerd in een brief aan zijn bisschop en aartsbisschop als reactie op de aflaathandel van Johann Tetzel, een dominicaans priester.

Posted by admin | | zondag 14 december 2008 7:10 pm

Debat tot opheldering over de geldigheid der aflaten van de Eerw. Pater Martinus Luther, Doctor in de Letteren en de H. Godgeleerdheid.

Uit liefde voor de waarheid en ijver om haar aan het licht te brengen zal over het onderstaande gedebatteerd worden te Wittenberg, onder voorzitterschap van de eerw. pater Martinus Luther, doctor in de letteren en de heilige godgeleerdheid, alsmede daarin gewoon hoogleraar alhier. Hij verzoekt daarom degenen, die niet aanwezig kunnen zijn om mondeling met ons van gedachten te wisselen, het in hun afwezigheid schriftelijk te doen. In de naam van onze Heer Jezus Christus, Amen.

1. Onze Heer en meester Jezus Christus heeft, toen hij zeide: “Bekeert u, enz.” (Engels:“Repent”) (Mt 4:17), bedoeld, dat het hele leven van de gelovigen een bekering-en-boetedoening moet zijn.

2. Dit woord kan niet opgevat worden als betrekking hebbend op de sacramentele boetedoening (dat is de biecht en de satisfactie, die door de priesters ambtshalve worden bediend).

3. Toch bedoelt Hij niet alleen de innerlijke, welnee, innerlijke boetedoening is geen boetedoening, als ze naar buiten niet allerlei kastijdingen van het vlees uitwerkt.

4. De boete duurt dan ook, zolang het zelfverwijt duurt (dat is de ware innerlijke boetedoening), te weten tot op de drempel van het koninkrijk der hemelen.

5. De paus wil en kan geen enkele boete kwijtschelden, behalve die hij ingevolge zijn eigen oordeel of ingevolge de regels van het kerkelijk recht heeft opgelegd.

6. De paus kan geen enkele schuld vergeven tenzij door te verklaren en te verzekeren, dat ze door God vergeven is, of het moest zijn, dat hij vergeeft in gevallen, die tot zijn bevoegdheid behoren; als dit over ’t hoofd gezien werd, zou de schuld zonder meer blijven.

7. Aan niemand vergeeft God zomaar de schuld, zonder dat Hij hem tegelijkertijd, nederig in elk opzicht, onderwerpt aan zijn vertegenwoordiger de priester.

8. De regels van het kerkelijk strafrecht gelden alleen voor de levenden en aan stervenden behoort op die grond niets te worden opgelegd.

9. Derhalve handelt de Heilige Geest billijk met ons door de paus, wanneer hij in zijn decreten gevallen van dood en nood altijd uitzondert.

10. Onwijs en kwalijk handelen die priesters, die stervenden binden aan kerkrechtelijke boetedoeningen tot in het louteringsvuur.

11. Dat vergiftig onkruid over kerkrechtelijke straf, die veranderd kan worden in straf van het louteringsvuur, schijnt vrij zeker uitgezaaid te zijn, terwijl de bisschoppen sliepen.

12. Vroeger werden straffen ingevolge het kerkelijk recht niet na, maar voor de absolutie opgelegd, als toetssteen voor oprecht berouw.

13. Stervenden kwijten door de dood alles en voor de kerkelijke wetten zijn zij al gestorven, want rechtens hebben ze daar ontheffing van.

14. Is het met de geestkracht of de liefde van iemand, die sterven gaat, slecht gesteld, dan heeft dat onvermijdelijk geweldige vrees tengevolge, deste geweldiger naarmate geestkracht en liefde geringer zijn.

15. Deze vrees en ontzetting kan op zichzelf alleen al (om van de rest maar te zwijgen) de straf van een louteringsvuur betekenen, aangezien zij zeer na grenst aan de ontzetting der wanhoop.

16. Het komt mij voor, dat hel, louteringsvuur en hemel zich verhouden als wanhopen, de wanhoop nabij zijn en zich geborgen weten.

17. Even nodig als vermindering van hun vrees schijnt mij voorde zielen in het louteringsvuur vermeerdering van hun liefde.

18. Met geen redelijke noch schriftuurlijke argumenten lijkt ’t mij bewezen, dat zij buiten staat zouden zijn een verdienstelijk werk te doen of hun liefde te vermeerderen.

19. Ook lijkt ’t mij niet bewezen, dat zij zeker van hun zaligheid en zonder zorg zijn, tenminste niet allen, ook al zijn wij er volmaakt zeker van.

20. Derhalve verstaat de paus onder een volkomen kwijtschelding van alle straffen niet eenvoudigweg een kwijtschelding van alle, maar alleen een kwijtschelding van de door hemzelf opgelegde straffen.

21. Die aflaatpredikers dwalen dan ook, die zeggen, dat een mens door de pauselijke aflaten van alle straf verlost en gevrijwaard wordt.

22. Integendeel, hij scheldt de zielen in het louteringsvuur geen enkele straf kwijt, dan die zij in dit leven hadden moeten dragen volgens de regels van het kerkelijk recht.

23. Als er ooit aan iemand een kwijtschelding van alle straffen gegeven kan worden, is ’t zeker, dat die alleen aan de allervolmaaksten, d.w.z. aan zeer weinigen gegeven wordt.

24. Daarom moet onvermijdelijk het merendeel van het mensdom het spoor bijster raken door de bovengenoemde royale wijze, waarop men zonder onderscheid vrijdom van straf belooft.

25. De macht, die de paus inzake het louteringsvuur heeft in het algemeen, heeft iedere willekeurige bisschop en pastoor in zijn bisdom en parochie inhet bijzonder.

26. De paus doet er zeer goed aan, dat hij niet krachtens de sleutelmacht (die hij helemaal niet heeft), maar bij wijze van “accoord” vergiffenis schenkt aan de zielen.

27. Naar de mens prediken zij, die zeggen, dat, terstond als de munt in de geldkist klinkt, een ziel vrij uitvliegt.

28. Klinkende munt in een geldkist kan winstbejag en gierigheid vermeerderen, dat is zeker, maar de “accoord’-verklaring der kerk staat ter beoordeling aan God alleen.

29. Wie weet, of alle zielen in het louteringsvuur wel vrijgekocht willen worden, zoals van de h. Severinus en Paschalis verteld wordt.

30. Niemand is zeker van de oprechtheid van zijn eigen berouw, laat staan van de volkomen vergeving die er het gevolg van is.

31. Even zeldzaam als een waarachtig boeteling is iemand, die waarachtig aflaten koopt, dat wil zeggen: zeer zeldzaam.

32. Vervloekt in eeuwigheid, met hun leermeesters, zullen zij worden, die zich op grond van aflaatbrieven zeker achten van hun heil.

33. Men moet bijzonder oppassen met mensen, die zeggen, dat de genoemde pauselijke aflaatbrieven die onschatbare goddelijke gave zijn, waardoor de mens verzoend wordt met God.

34. Die aflaatgunsten hebben immers enkel betrekking op straffen in verband met de biechtsatisfactie, welke door mensen zijn vastgesteld.

35. Zij, die leren, dat voor het vrijkopen van zielen of biechtbrieven berouw niet nodig is, prediken geen christendom.

36. Iedere willekeurige christen, die waarlijk berouw toont, heeft volledige kwijtschelding van straf en schuld; die komt hem ook zonder aflaatbrieven toe.

37. Iedere willekeurige waarachtige christen, hetzij levend, hetzij dood, heeft deel aan alle goede gaven van Christus en de kerk; die worden hem ook zonder aflaatbrieven gegeven door God.

38. Toch is de vergiffenis, die de paus uitdeelt, geenszins te versmaden, want zij is (zoals ik gezegd heb) een verklaring betreffende de goddelijke vergiffenis.

39. Het is uiterst moeilijk, zelfs voor de allergeleerdste theologen, om tegelijkertijd de gulle verspreiding van de aflaatbrieven en de oprechtheid van het berouw te roemen voor het volk.

40. Oprecht berouw verlangt naar straf en houdt ervan; gulverspreide aflaten daarentegen ontheffen van straf en boezemen er een afkeer tegen in, dat komt tenminste voor.

41. Behoedzaam moeten de apostolische aflaten gepredikt worden, opdat het mensdom niet ten onrechte de indruk krijgt, dat zij de voorkeur verdienen boven andere goede werken der liefde.

42. Men moet de christenen leren, dat het de bedoeling van depaus niet is het kopen van aflaatbrieven hoe dan ook op een lijn te stellen met de werken van barmhartigheid.

43. Men moet de christenen Ieren, dat wie geeft aan de arme of deelt met een behoeftige, beter doet, dan wanneer hij aflaatbrieven zou kopen,
aangezien door een werk der liefde de liefde toeneemt ende mens beter wordt, maar door aflaatbrieven wordt hij niet beter, alleen vrijer van straf.

45. Men moet de christenen leren, dat wie een ellendige tegenkomt en zonder acht op hem te slaan geld uitgeeft voor aflaatbrieven, geen aanspraak verheft op de aflaat van de paus, maar wel op de verontwaardiging van God.

46. Men moet de christenen leren, dat zij de plicht hebben, als ze niet overdadig goed bij kas zijn, het nodige voor hun gezin te bewaren en geenszins het aan aflaatbrieven te verspillen.

47. Men moet de christenen Ieren, dat het kopen van aflaatbrieven vrij is en niet voorgeschreven.

48. Men moet de christenen Ieren, dat de paus voor het geven van aflaten meer behoefte heeft aan, en dus ook meer verlangt naar, een devote voorbede, dan naar contante betaling.

49. Men moet de christenen Ieren, dat de aflaten van de paus nuttig zijn, als zij er niet op vertrouwen; maar uiterst schadelijk als zij hun ontzag voor God erdoor kwijtraken.

50. Men moet de christenen leren, dat de paus, als hij wist, hoe de aflaatpredikers het geld bij elkaar brengen, liever had, dat de basiliek van Sint Pieter in vlammen opging, dan dat ze gebouwd werd van het vel en het vlees van zijn schapen.

51. Men moet de christenen Ieren, dat de paus, al moest(desnoods) de basiliek van Sint Pieter ervoor verkocht worden, van zijn geld behoort uit te delen en ook wel zou willen uitdelen aan de meeste mensen, wie nu de aflaatkramers het geld aftroggelen.

52. De hoop op heil door aflaatbrieven is zonder grond, ook al zou de vertegenwoordiger, ja de paus zelf, zijn ziel ervoor te pand geven.

53. Vijanden van Christus en van de paus zijn zij, die voor het houden van aflaatpredikaties bevelen, dat in andere kerken het woord Gods moeten zwijgen als het graf.

54. Men doet Gods woord tekort, als in ÈÈnzelfde preek aan de aflaten evenveel of langer tijd wordt toegemeten, dan daaraan.

55. Het moet de bedoeling van de paus zijn, dat, wanneer deaflaten (als zijnde het geringste) met ÈÈn klok, met ÈÈn processie en mis gevierd worden, het evangelie (als zijnde het hoogste) met honderd klokken, met honderdprocessies, met honderd missen wordt gepredikt.

56. De schatten der kerk, waaruit de paus de aflaten verleent, worden te weinig genoemd en zijn te weinig bekend bij het christenvolk.

57. Tijdelijke zijn het zeker niet, dat blijkt, want zo gemakkelijk strooien ze die niet uit, integendeel, veel kramers verzamelen ze alleen.

58. Het zijn ook niet de verdiensten van Christus en de heiligen, aangezien die zonder toedoen van de paus te allen tijde het heil bewerken van de inwendige mens en kruisiging, dood en hel van de uitwendige.

59. Sint Laurentius zeide, dat de armen der kerk de schattender kerk zijn, maar hij drukte zich uit naar het spraakgebruik van zijn tijd.

60. Het is geen slag in de lucht, als wij beweren, dat de sleutels der kerk (door Christus’ verdienste aan haar gegeven) die schat uitmaken.

61. Het is immers duidelijk, dat voor het vergeven van straffen en vergrijpen de enkele macht van de paus toereikend is.

62. De ware schat der kerk is het hoogheilig evangelie van de glorie en genade van God.

63. Deze staat echter op uiterst slechte voet met alle verdienste, want hij maakt van eersten laatsten.

64. De schat der aflaten daarentegen staat met alle verdienste op zeer goede voet, want hij maakt van laatsten eersten.

65. Dus zijn de schatten van het evangelie netten, waarmee vroeger gevist werd naar mensen van vermogen.

66. De aflaatschatten zijn netten, waarmee heden ten dage gevist wordt naar het vermogen van mensen.

67. De aflaten, die de kramers aanprijzen als de grootste genadegaven, zijn inderdaad te beschouwen als de grootste, in zover het betreft de vermeerdering van hun inkomsten.

68. Toch zijn ze wezenlijk de kleinste vergeleken bij de genade van God en de gewijde liefde van het kruis.

69. Bisschoppen en pastoors zijn verplicht, de vertegenwoordigers in pauselijke aflaten met alle eerbied toe te laten.

70. Maar nog meer zijn zij verplicht, hun ogen de kost te geven en hun oren te luisteren te leggen, dat deze heren niet in plaats van de boodschap van depaus hun eigen luchtkastelen prediken.

71. Wie tegen de geldigheid van de apostolische aflaatbrieven zijn stem verheft, hij zij vervloekt en verdoemd.

72. Maar wie tegen de bandeloze begeerte en drieste taal vaneen aflaatkramer op zijn hoede is, die zij gezegend.

73. Zoals de paus terecht zijn ban bliksem slingert over hen, die met allerlei kunstgrepen knoeien tot schade van de aflaathandel;

74. Zo is hij van plan nog veel meer te fulmineren tegen degenen, die onder de dekmantel van de aflaathandel knoeien tot schade van de heilige liefde en de waarheid.

75. De mening, dat de pauselijke aflaten van die kracht zijn, dat ze een mens zouden kunnen loskopen, ook al had iemand, wat natuurlijk onmogelijk is, de moeder Gods geschonden, is krankzinnig.

76. Wij beweren daarentegen, dat de pauselijke aflaatbrieven zelfs de kleinste van de vergeeflijke zonden niet kunnen opheffen, wat de toerekenbaarheid betreft.

77. Wat men zegt – dat zelfs sint Petrus, als hij nog paus was, geen grotere genadegaven uit zou kunnen delen – is heiligschennis tegenover sint Petrus ende paus.

78. Wij beweren daarentegen, dat Èn hij Èn iedere willekeurige paus grotere heeft, te weten het evangelie, krachten, gaven van genezing, enz., zie 1 Kor.12.

79. Te zeggen, dat het kruis, als kenteken in het pauselijk wapen opgericht, gelijkwaardig is aan het kruis van Christus, is heiligschennis.

80. De bisschoppen, de pastoors en de theologen, die toelaten, dat men zulke preken levert voor het volk, zullen zich te verantwoorden hebben.

81. Deze drieste aflaatprediking maakt het niet gemakkelijk, zelfs voor geleerde mannen, om de eerbied voor de paus vrij te houden van de lasterlijke aanvallen of althans van de scherpe vragen van de leken.

82. Als daar zijn: Waarom evacueert de paus het louteringsvuur niet om der wille van de hoogst heilige liefde en de uiterste nood der zielen, wat toch een heel rechtvaardige zaak zou zijn; als hij zielen zonder tal redt ter wille van het hoogst verderfelijke geld voor bouw van een basiliek, wat toch een heel onbelangrijke zaak is.

83. En: Waarom blijven de plechtige uitvaarten en de jaarlijkse dodenherdenkingen in stand, en waarom geeft hij de fondsen niet terug – of geeft gelegenheid, ze op te vragen – die daarvoor gesticht zijn, hoewel het toch niet juist is, voor verlosten te bidden?

84. En: Wat is dat voor een nieuw soort vaderlijke liefde van God en van de paus: dat zij aan ongelovige en vijandige mensen om geld toestaan een gelovige ziel, die God liefheeft, vrij te kopen; en toch bevrijden zij haar niet om de nood van die vrome en beminde ziel zelf, gratis uit liefde?

85. En: Waarom worden kerkelijke strafbepalingen, die feitelijk allang afgeschaft en krachtens gewoonterecht vervallen waren, nog heden ten dage voorgeld afgekocht krachtens de aflaatmachtigingen, als waren ze springlevend?

86. En: Waarom bouwt de paus, wiens vermogen vandaag de dag rijker is dan dat van de vermogendste rijkaard, een dergelijke basiliek voor Sint Pieter niet liever van zijn eigen geld, dan van ’t geld van zijn arme gelovigen?

87. En: Wat vergeeft de paus en wat deelt hij uit aan hen, die door hun volmaakt berouw recht hebben op volmaakte vergeving en deelgenootschap.

88. En: Wat groter weldaad zou de kerk bewezen kunnen worden, dan dat de paus zoals hij nu een enkele keer doet, honderd keer daags deze vergiffenis en dit deelgenootschap toekende aan alle gelovigen zonder onderscheid?

89. Als het de paus met zijn aflaten meer om het heil der zielen te doen is, dan om geld; waarom stelt hij dan oude aflaatbrieven buiten werking, terwijl die toch onverminderd van kracht zijn?

90. Deze allerpijnlijkste nauwkeurige aanklachten alleen met macht de kop in te drukken, en ze niet door het geven van rekenschap te ontzenuwen; dat is de kerk en de paus blootstellen aan de spot van hun vijanden en de christenen ongelukkig maken.

91. Als dus de aflaten in de geest en volgens de bedoeling vande paus gepredikt werden, waren al die kwesties gemakkelijk op te lossen, ja, ze zouden er niet eens zijn.

92. Daarom: Weg met al die profeten, die tegen het volk van Christus zeggen: Vrede, vrede, en het is geen vrede.

93. Gezegend al die profeten, die tegen het volk van Christus zeggen: Het kruis, het kruis en het is geen kruis.

94. Men moet de christenen aansporen om Christus, hun hoofd, toegewijd te volgen in boetedoeningen, verstervingen en pijnigingen.

95. en om liever te vertrouwen, dat zij door veel uitdrukkingen het hemelrijk zullen binnengaan, dan door een verdrag met garanties. (Acts 14:22).

Bron: http://utopia.knoware.nl/users/adosh/luther/luther.html